Het laat haar koud

David Lynch heeft een korte film op Netflix gezet waarin hij in de rol van rechercheur een aapje ondervraagt over een moordzaak, in stemmig, bekrast zwart-wit. Het aapje praat terug met een menselijke stem, via een menselijke mond die in zijn gezicht is gemonteerd. Zo deed André van Duin dat ook, dertig jaar geleden, toen hij in zijn tv-programma Animal Crackers de orang-oetan Jaap Aap een stem gaf. Toen ik die link eenmaal had gelegd zag ik hoeveel de dapper gekuifde David Lynch inmiddels op André van Duin is gaan lijken. Ze zouden broers kunnen spelen in een heel rare film, tweelingbroers zelfs. (En die noemen we dan Twin Freaks.)

Het pratende aapje was verontrustend, niet alleen door die mond, maar ook door zijn radeloze blik. Als al het niet-menselijke dat ons omringt terug zou kunnen praten, dan liever niet met zo’n gelaatsuitdrukking, dat zou onze eenzaamheid niet echt opheffen. Maar toch, erachter komen waaraan dingen en dieren denken, het gedachteleven kennen van de huizen, de honden, de bomen! Alles zwijgt maar om ons heen. We kunnen sprekende mondjes monteren in alles wat ons omringt, maar zolang we de teksten zelf moeten verzinnen is het vals spel.

Het is allemaal onzekerheid. Wanneer we aan elkaar vragen: ‘Waar denk je aan?’ doen we dat nooit op momenten waarop we ons gelukkig voelen, of kalm, of wanneer de ander een gelukkige of kalme indruk maakt. Dus misschien is het maar goed dat we die vraag niet aan de rest van de wereld kunnen stellen.

Ik las vorig jaar twee boeken waarin de omgeving een stem werd gegeven. In Brutopia, Pascal Verbekens boek over Brussel, wordt in pro- en epiloog de lezer toegesproken door het beeld van aartsengel Michaël, de beschermheilige van Brussel, die al bijna zevenhonderd jaar op de toren van het plaatselijke stadhuis staat. In Kamer in Oostende van Koen Peeters is het de zee die een paar keer de auteur rechtstreeks toespreekt. Voor beide boeken geldt dat ze sterker zouden zijn zonder deze passages. De stad is onverschillig, de zee is nog onverschilliger, beide zijn onbereikbaar.

We kunnen natuurlijk als radeloze aapjes bij de vloedlijn gaan staan

Het is eigenlijk nooit ver weg, het verlangen naar de bezielde wereld van onze eerste kinderboeken, maar een grotere eenheid met onze omgeving bereiken we niet door die omgeving tot mensen te maken. Het is de ultieme toe-eigening, geboren uit verlangen naar veiligheid en geborgenheid: spelen dat oeroude engelenbeelden en nog veel oudere zeeën onze taal spreken en zich met ons zouden willen verhouden, een op een, alsof we allemaal dezelfde afmetingen en interesses hebben.

We kunnen natuurlijk als radeloze aapjes bij de vloedlijn gaan staan en terwijl het water steeds hoger komt, en eerst onze tenen bedekt, dan onze voeten, ongerust aan de zee vragen waaraan ze denkt, en die vraag zachtjes fluisterend blijven herhalen tot we kopje-onder gaan, tevergeefs wachtend op een antwoord dat we zelf hadden moeten verzinnen.

Beter is het om op de trein te stappen, zoals de verteller van Nijhoffs lange gedicht ‘Awater’, die na zijn vergeefse zoektocht naar een reisgenoot uiteindelijk op het station belandt. De trein staat klaar. Ze piept en zucht, zeker. ‘Maar denk niet dat zij zich bekreunt om u’, waarschuwt Nijhoff. Of je vertrekt met een gerust hart of niet, het is de trein om het even, ‘het deert haar niet’, ‘’t laat haar koud.’ Ze gaat op weg naar haar bestemming, de hoop en twijfel van haar passagiers bereiken haar niet, zij staat niet in dienst van hen, ze mogen meerijden omdat ze toch al die kant op gaat. En juist dat geeft het gedicht een optimistisch, levensbevestigend einde. Als we op zoek zijn naar eenheid met de wereld moet de beweging niet van de wereld (de stad, de zee) naar ons toe gaan. Het moet de andere kant op. Juist door de trein niet te vermenselijken kun je die trein worden, en net zo optimistisch vertrekken.


Rob van Essen vervangt tijdelijk Marja Pruis, die met verlof is om de romankunst opnieuw uit te vinden