Het verhaal van een foto

Het laatste appèl

De beroemde foto #:208-AA-206K-31 die de latere Amerikaanse modefotografe Elizabeth Miller in 1945 maakte van gevangenen in Buchenwald roept nog steeds vragen op. Wie is wie, en vooral: is Elie Wiesel wel Elie Wiesel?

OP 6 MEI 1945 verscheen in The New York Times Magazine een artikel van Harold Denny, getiteld ‘The World Must Not Forget’. 'With American Forces in Germany’, stond onder de kop, met daarachter 'by wireless’. In het artikel vertelde de ervaren oorlogscorrespondent Denny over de vreselijkheden die hij en talloze andere Amerikanen in de voorgaande weken hadden gezien. Om die vreselijkheden beter te doen uitkomen, opende het artikel met de schoonheid van het landschap, het begin van de lente en een beschrijving van lieflijke plaatsjes met bekoorlijke kerkjes. 'Apple and cherry trees which line the rolling fields are in full blossom and touch a smiling landscape with spring glory…’
Maar dan, meteen in de volgende alinea: 'For day by day as we traverse this pleasing prospect we are walking into nightmares of human savagery and depravity and the agony they have caused. We are seeing now something new in history - at least on the colossal scale we are finding here in Germany… wholesale cruelty such as the world has never known before.’
Een van de illustraties bij de door Denny beschreven wreedheid is de foto die Pvt. H. Miller drie weken eerder genomen had, op 16 april. In de Nara-archieven heeft de foto het nummer #:208-AA-206K-31 (National Archives and Record Administration, zie http://goo.gl/LEsC8) en het bijschrift 'These are slave laborers in the Buchenwald concentration camp near Jena; many had died from malnutrition when U.S. troops of the 80th Division entered the camp.’ Het lijkt een afdoende beschrijving, maar dat is het niet, want achter naam, cijfers en bijschrift schuilen een lang verhaal, diepgaande conflicten en een onoplosbaar dilemma.
Het begint er al mee dat Pvt. (private, laagste militaire rang in het Amerikaanse leger) H. Miller niemand anders is dan het fameuze Amerikaanse model en de latere modefotografe Elizabeth 'Lee’ Miller. Eind jaren twintig was zij de muze van Man Ray en verkeerde ze in kringen van surrealisten, Picasso en Eluard. Halverwege de jaren dertig trouwde ze een rijke Egyptenaar en woonde ze in Caïro. Na enkele jaren was ze man en land zat, keerde terug naar Parijs en begon een relatie met de Engelse schilder, dichter en kunsthistoricus Roland Penrose. Toen de oorlog was begonnen leefde Miller in Londen en begon een zoveelste carrière, nu als oorlogsfotograaf. In deze functie begaf zij zich een maand na D-Day, in de zomer van 1944, naar het Europese vasteland en trok met de Amerikaanse troepen langzaam in oostelijke richting. Zo belandde ze in april 1945 in Buchenwald en maakte daar de foto die The New York Times als eerste afdrukte en die naderhand een van de iconen van de concentratiekampfotografie werd.

HOEWEL de eerste beelden van concentratiekampen al in de zomer van 1944 door de Russen werden gemaakt (maar veel later in de openbaarheid kwamen, zie onder meer http://goo.gl/8xBxK), duurde het tot april 1945 eer westerlingen de verschrikkingen onder ogen kregen. Dit gebeurde voor het eerst op 4 april 1945 in Ohrdruf, een dorp bij Gotha, Midden-Duitsland. Geallieerde troepen waren op diverse plekken het Hitler-rijk binnengetrokken, onder meer in een poging om het Ruhrgebied te omcirkelen en uiteindelijk Berlijn te bereiken. Een van die troepen was de 89ste Infanterie Divisie. Zij trok middendoor, richting Dresden, en stuitte bij toeval op genoemd 'bijkamp’ van Buchenwald.
Als je de verhalen van de bevrijders mag geloven - en er is geen reden dat niet te doen - wisten ze niet wat ze zagen. Het was voor het eerst dat vrije westerlingen de beelden zagen die later iconische waarde zouden krijgen, terwijl we er tegelijkertijd een zekere immuniteit tegen zouden ontwikkelen. Een van die beelden laat zien wat steevast werd omschreven als 'opgestapeld als brandhout’: een hoop lijken, zogenaamd ordelijk op elkaar gelegd en overdekt met kalk. De vergelijking met houtblokken werd niet alleen opgeroepen door de wijze van stapelen, maar ook door het uiterlijk van de 'botten met vel’. 'Je deed de deur open en je zag het - het was ongelooflijk. Zoiets had je nog nooit gezien. Je kon het niet bevatten’, aldus luitenant-kolonel Albin Irzyk in het recent verschenen boek De bevrijders van Michael Hirsh.
Elders, onder meer op de website van de 89ste Infanterie Divisie (http://goo.gl/mOssg), vind je vergelijkbare reacties. Ondanks de onbegrijpelijkheid ervan roepen ze toch wel een vraag op: hadden de soldaten echt geen idee? Sinds lang weten we dat de Geallieerden en in elk geval het opperbevel redelijk op de hoogte waren van de gebeurtenissen. Ook hadden 'de’ cijfers al in de krant gestaan en deden tal van haarstruivende verhalen de ronde. Maar bij Jan Soldaat waren ze blijkbaar toch niet doorgedrongen.
Bovendien, cijfers of verhalen is nog iets anders dan zien met eigen ogen. Het met eigen ogen zien wat er gebeurd was maakte de soldaten zo woedend dat ze vier dagen na de bevrijding van Ohrdruf de bevolking uit het nabijgelegen dorp haalden en dwongen te kijken - het was een procédé dat na de bevrijding van andere kampen werd herhaald.
Enkele dagen later, op 12 april, brachten ook Eisenhower, Patton en Bradley een bezoek aan het kamp. De lijken lagen er nog steeds. De stank (ook een element dat in alle beschrijvingen voorkomt) moet ondraaglijk zijn geweest. Maar de drie bevelhebbers lieten zich er niet door uit het veld slaan en liepen, zo ziet het er op de foto’s althans naar uit, bedachtzaam langs de lijken of wat daarvan over was. Ook zien we hen bij een executieplaats, een massagraf en als toeschouwers bij een marteldemonstratie (http://goo.gl/GTlFU). Op dat moment moet bij hen de gedachte zijn ontstaan dat iedereen dit moest zien, dat het heel de wereld in geschreeuwd moest worden.
Dat idee werd versterkt door het feit dat de dag tevoren, 11 april, een nog veel groter kamp was ontdekt. Het lag een kilometer of vijftig verderop, in oostelijke richting, en toonde in het groot wat Ohrdruf in het klein had laten zien: Buchenwald. Eisenhower besloot ook dat met eigen ogen te gaan zien. Dat deed hij meteen de volgende dag, op 13 april. 'Beyond the American mind to comprehend’, luidde zijn (later tot cliché verworden) commentaar. Meteen ook stuurde hij een telex aan zijn superieur, generaal George Marshall, en raadde hem aan de ellende ook te komen bekijken. Hij moest zoveel mogelijk Congresleden en journalisten meebrengen. Ook riep Eisenhower iedereen die al in Europa was op om te komen kijken en fotograferen. Iedereen moest doen wat hij had gedaan, 'in order to be in a position to give first-hand evidence of these things if ever, in the future, there develops a tendency to charge these allegations merely to “propaganda”’. Zo gebeurde.
In de weken die volgden werd Buchenwald overstroomd door bezoekers, politici en journalisten met fototoestellen en filmcamera’s. Een van hen was Lee Miller. Ze fotografeerde niet alleen de scharminkels op hun britsen, maar ook de bergen met lijken, de half of geheel doodgeslagen kampbewaarders, de wanhopige gezichten. Ze zou haar ervaring niet kunnen vergeten en spoedig na de oorlog lijden aan wat later een posttraumatisch stresssyndroom genoemd zou worden. Ze begon te drinken, overwon haar wanhoop door zich met overgave op de kookkunst te storten, maar viel toch weer terug. Echt leuk werd het leven nooit meer, zij het dat het onmogelijk te zeggen is of de oorlogservaring daarvoor doorslaggevend is geweest.
Ondertussen was haar foto #:208-AA-206K-31, conform de snel afnemende belangstelling voor concentratiekampverhalen, opgeborgen in de archieven. Het is overal hetzelfde verhaal. In de eerste maanden na de bevrijding was de belangstelling voor de nazistische moorddadigheid, zeker in de Verenigde Staten, intensief, met tal van verhalen in de krant, newsreels in de bioscopen (http://goo.gl/uTHAs) en de vertoning van steeds weer dezelfde foto’s van bergen lijken, uitgemergelde mensen, velden vol botten, brandhopen of, liever nog, mildere foto’s als die van Miller of Margaret Bourke-White. Maar het publiek had er spoedig genoeg van en sloot zich af. Dat was zo in de Verenigde Staten, in Nederland, in Israël, overal.
Het duurde tot de jaren tachtig voor de massale belangstelling terugkeerde. Ondertussen waren er minstens twee zaken veranderd. Om te beginnen werden de nazistische moordpraktijken voortaan vooral vanuit het perspectief van de shoah bekeken. Dat was kort na de bevrijding anders geweest. De verhalen gingen over moordenaars en slachtoffers en in laatstgenoemde categorie werd nauwelijks onderscheid gemaakt. Zo is het opmerkelijk dat alle bekende personen op Millers foto joods zijn. Dat werd nergens vermeld, sterker nog, het was vermoedelijk nauwelijks bekend.
De andere verandering is dat de slachtoffers namen kregen en een omschrijving als 'slave laborers’ niet langer voldeed. Die namen werden vanaf de jaren zeventig en vooral tachtig steeds vaker in boeken en op monumenten geschreven of tijdens bijeenkomsten voorgelezen. Hiermee werden de slachtoffers individuen met een verhaal. Er verschenen steeds meer herinneringen en biografieën van degenen die het overleefd hadden, zoals de personen op de foto van Miller. Hun indringend turen in de lens was als het ware een schreeuw om aandacht: kijk, we leven nog, we zijn mensen, herkenbaar, niet dood, luister!
Een van hen, het hoofdje op de tweede rij, links van de derde en laatste balk, had iets dergelijks vanaf het eerste moment al uitgeschreeuwd en meteen na de oorlog zijn verhaal opgeschreven. Maar deze Elie Wiesel verdwaalde erin. Hij produceerde een manuscript van zo'n negenhonderd pagina’s - en dat ook nog in het Jiddisch. Hiervan verscheen in 1956 bij de Tsentral Farband fun Poylishe Yidn in Argentinië (Union Central Israelita Polaca en la Argentina), de Argentijnse Vereniging van Poolse joden, onder de titel Un di velt hot geshvign/ Y el mundo callaba een verkorte uitgave. Het zal niet verbazen dat die uitgave niet opviel - er is in Nederland precies één exemplaar, bij het IISG. Enkele jaren later werd hiervan in Frankrijk en elders een bewerkte en nog verder verkorte vertaling gepubliceerd. Het was dit boekje, La nuit / The Night, dat de intussen in de Verenigde Staten wonende auteur samen met Primo Levi tot de belangrijkste woordvoerder van de shoah maakte. De bevestiging hiervan kwam toen Wiesel in 1986 de Nobelprijs voor de Vrede ontving. Het maakte hem tot een internationaal icoon en bracht alles waarmee hij van doen had in het centrum van de belangstelling. Zo ook Buchenwald en daarmee de foto van Lee Miller.

VAN DE ongeveer 26 personen op Millers foto zijn er, voorzover ik weet, acht herkend. Dat zijn achtereenvolgens Nikolaus Gruner of Grüner (onderste rij, eerste van links), Max Hamburger (onderste rij, vierde van links), Simon Toncman (staand), Herman Leefsma (tweede rij van onderen, vierde van links, net na paal), Elie Wiesel dus, Paul Argiewics (derde rij, derde van links), Naftali Fürst (zelfde rij, twee personen verder, dus achter de persoon die bijna verscholen is achter de balk) en tot slot Mel Mermelstein (bovenste rij, uiterst rechts). In de meeste gevallen is de identificatie gebaseerd op eigen zeggen. Dat kan ook nauwelijks anders want de meeste afbeeldingen zijn zo klein en slecht dat geen mens daarin iemand kan herkennen. Bovendien waren de afgebeelde personen destijds schimmen van zichzelf en op het moment van herkenning (vanaf het midden van de jaren tachtig) minstens veertig jaar ouder.
Dit geldt ook Max Hamburger. Niet lang geleden bezocht ik hem in zijn woonplaats in België, maar het was onmogelijk in hem het halfdode wezen van de foto te zien. Hamburger zelf herinnert zich weinig en weet in ieder geval niets van de anderen op de foto - twee van hen ontmoette hij voor het eerst in 2005, in Buchenwald waar een medewerkster van de WDR een bijeenkomst organiseerde (http://goo.gl/spBLT). Zo weinig herinnering mag niet verbazen. 'Voordat ik in die dodenbarak terecht kwam, lag ik vanwege plaatsgebrek in een werkbarak,’ vertelt Hamburger. 'Op een gegeven moment moest iedereen zich naar de appèlplaats begeven. De Amerikanen zouden in aantocht zijn. Ik was te verzwakt om daar naartoe te gaan en ben op een weitje voor de barakken blijven liggen. Toen kwam er een SS'er aan die tegen me schopte, ik draaide mijn hoofd naar hem toe maar bleef liggen. Toen zei hij “Och Scheisse” en liep weg. Hij heeft me niet doodgeschoten. Ik heb mezelf naar de barak gesleept waar alle zwakken lagen en die de dodenbarak werd genoemd.’
Er is geen reden om Hamburgers herinnering in twijfel te trekken. Tegelijkertijd is die herinnering oncontroleerbaar. Deze relativering zou onnodig zijn als er rond de foto van Lee Miller geen gedoe was ontstaan. Maar de foto is een icoon geworden, net als de bekendste afgebeelde persoon. En iconen, zo weten we, leiden welhaast onvermijdelijk tot geruzie.
In dit geval betreft de ruzie niet de Nederlanders Hamburger en Leefsma en evenmin Argiewics, Fürst en Mermelstein, maar wel de drie overige geïdentificeerden: Gruner, Wiesel en Toncman. Om te beginnen de eerste twee. Gruner kwam begin maart 2009 in een Hongaarse krant met het verhaal dat Wiesel een bedrieger was (http://goo.gl/Uewzr). Ter illustratie vertelde hij dat hij op vijftienjarige leeftijd in Auschwitz was beland, zijn familie verloor en door twee oudere Hongaren onder de hoede werd genomen. Hun namen waren Lazar en Abraham Wiesel. Met hen werd hij, zoals zovele andere gevangenen (onder wie de meesten op Millers foto), begin 1945 via de beruchte dodenmarsen naar Buchenwald overgebracht.
Na de bevrijding belandde Gruner in een Zwitserse kliniek, herstelde, emigreerde naar Australië en probeerde de ellende te vergeten. Maar ook voor hem keerde in de jaren tachtig het verleden terug, nadat hij door een Zweedse krant uitgenodigd was om een oude vriend te ontmoeten. Die oude vriend was niemand minder dan Elie Wiesel. Op Gruners reactie dat hij niemand met die naam kende, kwam het antwoord dat Elie dezelfde was als Lazar en dat hij net als deze het Auschwitz-nummer A-7713 op zijn onderarm droeg. Gruner kon zich dat nummer goed herinneren en verheugde zich dan ook op het weerzien. Het werd een teleurstelling, want Elie was Lazar niet, erger nog: hij sprak niet eens Hongaars (Elie Wiesel is van Roemeense komaf), alleen Engels en dat bovendien met een zwaar Frans accent.
De ontmoeting duurde daarom kort. Gruner vroeg Wiesel nog of hij zijn nummer mocht zien, maar Wiesel weigerde, gaf 'zijn oude vriend’ ten afscheid zijn beroemde boekje en verdween. Gruner bleef verbijsterd achter en begon een twintig jaar durende zoektocht. Daarin ontdekte hij, zo stond in 2009 in de bewuste Hongaarse krant, dat Lazar Wiesel de auteur van Un di velt hot geshvign was en dat Elie van dit boek slechts de Franse editie had verzorgd. Het was deze editie die vervolgens de wereld overging.
Maar dat was niet het enige. Elie zou volgens Gruner ook niet de persoon op Millers foto zijn. 'Vergelijk de afbeelding van mijzelf maar eens met die van hem’, stelde hij. Beiden waren op dat moment bijna even oud, Gruner was volgens hemzelf zelfs nog iets ouder. Maar op de foto is Wiesel een volwassen man. De beschuldiging is koren op de molen van de velen die in Wiesel een profiteur van de zogenoemde holocaustindustrie zien. Op internet bulkt het dan ook van de beschuldigingen, zelfs van pogingen om aan te tonen dat de man niet eens een tatoeage bezit (en dus niet de persoon kan zijn die hij voorgeeft te zijn). Zie bijvoorbeeld www.eliewieseltattoo.com. Deze website is één lange poging om Wiesel zwart te maken. Maar al zijn er onmiskenbaar vele vragen, de site is vooral ergerlijk omdat hij zo nu en dan richting holocaustontkenning neigt. Dat is natuurlijk het laatste wat Gruner voor ogen had.

MAAR NIET alleen rond Wiesel is er gedoe. Dat is er, zij het veel minder, ook rond de in 1972 overleden Toncman. Hoewel hij er op de foto van Miller eveneens mager uitziet, oogt hij redelijk krachtig. Hij staat, als enige. Hierdoor werd hij herkend op een andere beroemde Buchenwald-foto, van de hand van de nauwelijks minder bekende fotografe Margaret Bourke-White. Hierop zien we een stel redelijk gezonde kerels. Ze zijn allemaal netjes geschoren en poseren alsof het voor de film is. In ieder geval zien ze er volstrekt anders uit dan op de foto van Miller en dat terwijl ze toch net zo goed gevangenen waren, eveneens in Buchenwald zaten en op ongeveer hetzelfde moment gefotografeerd werden.
Voor de verschillen zijn twee verklaringen denkbaar. De ene is dat Miller en Bourke-White simpelweg verschillende fotografische perspectieven hadden en daarmee zelfs in een situatie als deze in staat waren geheel verschillende werkelijkheden weer te geven. Er zijn wel meer foto’s die dit suggereren, onder meer de beroemde van de dode (zelfmoord) burgemeester van Leipzig en zijn gezin. Beide vrouwen fotografeerden de scène, maar het werden volstrekt verschillende weergaven - de ene gestileerd, de andere dramatisch (http://goo.gl/vQjqI). De constatering brengt vooral filosofische vragen met zich mee: over de onvermijdelijke manipulatie van beeldvorming, de betrekkelijkheid van waarneming en de onmogelijkheid van een objectief beeld.
De andere verklaring is van politieke aard. Buchenwald was oorspronkelijk een politiek kamp, geen vernietigingskamp, en de foto van Miller werd genomen in het zogenoemde 'kleine Lager’, oorspronkelijk een quarantainekamp dat aan het eind van de oorlog als 'afvalputje’ van het grote kamp dienst deed en waar diegenen huisden die volgens nazi-opvattingen minderwaardig waren: joden, zigeuners, Oost-Europeanen. Zoals in heel het kamp hadden de communisten (die vlak voor de bevrijding door de Amerikanen de macht hadden overgenomen) het ook daar voor het zeggen. Zou Toncman bij hen gehoord hebben? Zou hij er daarom 'zo gezond’ uitzien? Is dat de reden dat hij nooit over zijn ervaringen heeft willen praten? Zou hij wellicht een Kapo zijn geweest?
Achter de schijnbaar heldere foto #:208-AA-206K-31 schuilen een lang verhaal, diepgaande conflicten en een onoplosbaar dilemma. Aan de hand van de levensverhalen van de verschillende personen, onder wie ook fotografen, journalisten en politici, en hun ervaringen vóór, tijdens en na het kamp zou dat verhaal gemakkelijk het formaat van een boekje kunnen krijgen. In zo'n boekje zouden twee thema’s domineren: de conflicten tijdens en na het kamp, en het dilemma van het nageslacht dat zowel respect wil tonen als de juiste toedracht wil weten, maar dat beseft dat die twee lang niet altijd samengaan.