Het laatste showproces

HET BELANGRIJKSTE doel van de Sovjetrussische buitenlandse politiek in de jaren van de Koude Oorlog, weten wij inmiddels, was het voeren van een genadeloze drijfjacht op de jonge, zich democratiserende Bondsrepubliek.

Dit democratiseringsproces ging met vallen en opstaan. Hoe kan het anders in een natie waarin een belangrijk deel van het bestuurlijk kader een verleden had. Dit werd beschreven in het zogenoemde Braunbuch, een DDR-catalogus van 381 pagina’s, die uitputtend documenteerde hoeveel voormalige nazi’s in West-Duitsland weer een prestigieuze betrekking hadden gekregen, in de media, in de politiek of bij de rechterlijke macht. De Westduitsers, ook niet mis, brachten op hun beurt een 424 pagina’s omvattend Braunbuch op de markt dat onweerlegbaar aantoonde dat ook in de Duitse Democratische Republiek het bestuurlijk apparaat van de oud-nazi’s vergeven was.
Wijsgeworden door onze ervaringen met het postfascistische Spanje en Portugal, om maar te zwijgen over onze ervaringen met de postcommunistische DDR en Sovjetunie, weten wij nu: een totale zuivering maakt dergelijke naties praktisch onbestuurbaar en psychologisch onleefbaar. Het is zaak ervoor te zorgen dat de grootste schurken zo min mogelijk macht kunnen heroveren, maar een zekere vorm van resocialisering van de wat minder grote schurken is geboden, zelfs als zij zich in vroegere tijden wat al te enthousiast voor Hitler, Stalin, Franco of Ulbricht hebben uitgesproken.
Daar was in het gepolariseerde klimaat tussen de beide Duitslanden van die dagen geen sprake van. Daar sloeg men elkaar met een enthousiasme een betere zaak waardig met de respectieve oorlogsmisdadigers om de oren. De bijbehorende argumentatie leest men met opgetrokken wenkbrauwen.
Het Westduitse Braunbuch werd ingeleid door Otto von Habsburg, die de volgelingen van Brezjnev en Honecker ‘epigonen van Hitler’ noemde die 'knievallen voor de huidige dictatoren’ maakten, onderwijl met overslaande stem kritiek leverend 'op de dode Fuhrer die zich niet meer kan verdedigen’.
Het Oostduitse Braunbuch beoogde, bleek uit het voorwoord, de waarheid over 'de Westduitse toestanden’ te verbreiden. 'Want het licht van de waarheid breekt door in het geheimzinnige donker, waarin de samenzweerders van Bonn zich hullen om Europa wederom in de nacht te storten.’
In werkelijkheid werd de Bondsrepubliek in die tijd niet door neonazi’s geregeerd, maar door nette sociaal-democraten als Willy Brandt en Gustav Heinemann, mannen met een vlekkeloos verleden, wier voornaamste probleem de zogenaamde 'buitenparlementaire oppositie’ was die met alle geweld de krantengebouwen van de conservatieve uitgever Axel Springer in brand wenste te steken.
Om zich even later met verdubbelde energie te moeten weren tegen de asfaltguerrillero’s rond Ulrike Meinhof c.s., die voor korte tijd van West-Duitsland de politiestaat maakten die zij zelf zeiden te bestrijden, een actie waarvoor de terroristen, zoals wij inmiddels weten, door de Palestijnen zijn opgeleid en door de Oostduitsers zijn gefinancierd, het een en ander onder welwillend toezien van de Russische Geheime Dienst.
PROF. DR. THEODOR Oberlander was toen al met pensioen. Het DDR-Braunbuch omschrijft hem als een nazi van het eerste uur, in 1923 deelnemer aan Hitlers putsch tegen de republiek van Weimar, in de oorlog verantwoordelijk voor de massamoorden in het Zuidpoolse Lemberg, na de oorlog nochtans (van 1953 tot 1960) minister van Vluchtelingenzaken in de diverse kabinetten-Adenauer.
Oberlander is inzake de affaire-Lemberg twee keer met de rechter in aanraking geweest. Een keer voor het gerechtshof in Bonn, dat hem vrijsprak wegens gebrek aan bewijs. De tweede keer voor het gerechtshof in Oost-Berlijn, dat hem levenslang tuchthuis oplegde. Het rechtscollege achtte Oberlanders schuld bewezen. De verdachte had gehandeld 'met laag-bij-de-grondse motieven’, hem ingegeven door 'eigen machtswaan’, alsmede 'het belang van de winsten der Duitse monopolies’.
Welk belang hadden de Duitse monopolies erbij, vraag je je af, om Oberlander in 1941 een aantal Poolse joden te laten vermoorden?
De vraag is tot op heden niet beantwoord. Het was dan ook de onzinnige motivering van een onzinnig vonnis, geveld over een man die ongetwijfeld geen sieraad voor de parlementaire democratie vormde, maar niettemin ten onrechte was veroordeeld in een rechtsgeding dat alle kenmerken droeg van een showproces.
Een showproces dat, de nazi’s niet te na gesproken, decennia lang de specialiteit van de stalinistische rechtspraak is geweest en elke keer weer bewees hoe verrot en geperverteerd het systeem was. Het meest verbazingwekkende aan al die stalinistische showprocessen, voor en na de oorlog, is het feit dat de beklaagden allemaal, bijna allemaal bekenden, hoe grotesk de beschuldigingen ook waren.
Dat gold natuurlijk niet voor Theodor Oberlander, die zo verstandig was de envelop met zijn dagvaarding ongeopend naar Oost-Berlijn te retourneren. Maar het gold wel voor vele anderen, met name de voormalige medestrijders die het gewaagd hadden van de partijlijn af te wijken en nu, als 'verraders’ en 'Amerikaanse agenten’ de strop of de kogel dreigden te krijgen.
Natuurlijk, zij stonden onder optimale druk, psychisch en fysiek. Maar je kunt de omgekeerde waarheid ook overdrijven.
NEEM HET PROCES, ruim veertig jaar geleden, tegen Rudolf Slansky, de ex-secretaris van de Tsjechoslowaakse communistische partij, van de ene dag op de ander leider van een 'trotskistisch-titoistisch-imperialistisch-zionistisch samenzweringscentrum’. Het was allemaal perverse onzin. Niettemin, het eerste wat de verdachte in de rechtszaal zei, was: 'Ik acht mij schuldig op alle punten van de aanklacht.’ En het laatste wat hij in de rechtzaal zei, was: 'Ik verdien geen ander einde aan mijn misdadig leven dan dat wat de openbare aanklager voorstelt.’ Dat was dus de galg. Het allerallerlaatste wat Slansky trouwens zei was: 'Leve Stalin!’, even voordat hem de strop om de nek werd gelegd.
Het was, inclusief het bittere einde, een perfectie kopie van de Moskouse processen in de late jaren dertig. De harmonie tussen beklaagden en openbaar ministerie was optimaal, hoe monsterlijk de aantijgingen ook waren. 'Ik vraag de rechtbank mijn verklaring vast te leggen dat ik mijzelf geheel en al schuldig verklaar aan alle mij ten laste gelegde, uiterst zware beschuldigingen en dat ik mij volledig verantwoordelijk verklaar voor het door mij gepleegde verraad…’
Hoe is het mogelijk, met vier rijen journalisten op de perstribune? Zou je denken. De germanist Eduard Goldstucker, zelf in de late jaren veertig overigens getuige a charge tegen Slansky, waagt zich in zijn gedenkschriften aan een poging tot verklaring: 'De aangeklaagden waren “rijp” gemaakt met behulp van het “revolutionaire” principe der “inferiorisering” waaronder ik de omstandigheid versta dat arrestatie al gelijk staat aan veroordeling. De arrestant is automatisch een misdadiger en wordt consequent als zodanig behandeld. Met alle middelen brengt men hem ertoe deze “status” te aanvaarden. De verdachte wordt gedesorienteerd en afgesneden van elke band met de wereld waarin hij tot dan toe leefde. Doel is onopvallend en geleidelijk het bestaan als zodanig te ontwortelen, zodat men een willig instrument van zijn eigen vernietiging wordt.’
En bovenal, als ik er een eigen verklaring aan mag toevoegen, zij waren - en bleven - allemaal communisten, zodanig opgevoed in de onfeilbaarheid van leer en partij dat zij zelfs in die dwaalleer bleven geloven op het moment dat zij werden gedwongen het schavot te beklimmen.
Een man als de Bulgaarse communist Georgi Dimitrov, eveneens het middelpunt van een historisch showproces, verkeerde in een geheel andere situatie. Hij werd in 1933 ervan beschuldigd om, samen met de Nederlander Van der Lubbe, de Rijksdag in brand te hebben gestoken en maakte ter zitting publiekelijk gehakt van de voornaamste getuige a charge, de Pruisische minister-president Hermann Goering.
Er bestaat een plaatopname van, die ik haast nog mooier vind dan de verzamelde strijkkwartetten van Mozart.
'Haben Sie Angst wegen dieser Fragen, Herr Ministerprasident?’ vroeg Dimitroff sarrend, in zijn zelfaangeleerde steenkolen- Duits.
'Sie werden Angst haben, wenn ich Sie erwische, wenn Sie hier aus dem Gericht 'raus sind, Sie Gauner, Sie…!’ brulde Goering ten overstaan van heel radioluisterend Europa.
Het werd zo'n schandaal, dat het jonge nazi-Duitsland gedwongen was om de verdachte met lange tanden vrij te spreken.
Dimitrov, die een absolute held was, had het niettemin relatief gemakkelijk. Hij stond, als communist, tegenover zijn ideologische doodsvijand. Dat scherpt de weerstand. Had hij tegenover communistische rechters gestaan, dan had het proces van ideologische identificatie zelfs hem - wellicht - tot een bekentenis annex proeve van zelfbeschuldiging genoopt.
IN HET SHOWPROCES tegen Theodor Oberlander lagen de zaken weer iets anders. Hij was een nazi en hij bleef een nazi, zoals blijkt uit naoorlogse uitlatingen over de dreigende 'Uberfremdung unsere Sprache, unserer Kultur und unseres Volkstums’. Zijn horigheid aan het nationaal-socialisme is bewezen en werd (en wordt) ook niet door hem ontkend. Anders dan de massamoord die hem, puur om de regering- Adenauer te compromitteren, in de schoenen werd geschoven.
Wie toen, begin juli 1941, verantwoordelijk is geweest voor al die gruweldaden in Lemberg zal nooit precies te reconstrueren zijn, doordat haast alle partijen (Russen, Oekraieners, Polen) bij de slachtpartijen betrokken waren, met de lokale joden als hun favoriete slachtoffers. Als Oberlander later bezweert dat zijn 'bataljon Nachtegaal’ in Lemberg 'geen schot heeft gelost’, is dat misschien waar. De opgehitste bevolking vermoordde zijn joden liever zelf, in de beste Oosteuropese traditie, terwijl de Duitsers ondertussen behaaglijk konden toekijken hoe het vuile werk voor hen werd opgeknapt.
Wij weten het niet, wij weten alleen dat in beschaafde landen zelfs de grootste schurken geen slachtoffer horen te worden van welke vorm dan ook van politieke, juridische en publicitaire agitatie. Want de communistische kranten waren vanzelfsprekend niet geneigd in de zaak-Oberlander hun licht onder de korenmaat te stellen. 'Ondanks zijn smoking, hoge hoed en ministeriele zetel, Oberlander is en blijft een nazi en oorlogsmisdadiger’, schreef de Rabotnitschesk Delo. 'Aan de handen van Oberlander kleeft het bloed van duizenden weerloze mannen, vrouwen en kinderen, van joden, Oekraieners en Polen die op beestachtige wijze werden omgebracht’, schreef De Waarheid. 'De Navo-minister’ was in de ogen van het Nederlandse volksdagblad, 'het levende symbool van het nazi-karakter van de regeringskliek in Bonn’. En wat moge de rol zijn van de 'onderzoekscommissie’, informeerde de Leipziger Zeitung, de commissie die op initiatief van 'de Hollandse renegaat Joop Zwaart’ alles in het werk stelde om de gecompromitteerde minister wit te wassen?
DEZE 'JOOP ZWAART’, die in werkelijkheid Joop Zwart heette, maakte het objectief analyseren van de zaak-Oberlander er niet gemakkelijker op. Zwart (1912- 1991) gold - van zijn stalinistische jeugd tot zijn fascistische levensavond, die hij doorbracht onder de rokken van de SS-weduwe F. Rost Van Tonningen - als de vleesgeworden leugen & bedrog. Hij werd in Moskou, samen met zijn medestudent Rudolf Slansky (dood door strop na showproces), opgeleid door Nikolaj Boecharin (dood door de kogel na een showproces), om zich na de oorlog, inmiddels geheel van het communisme genezen, full-time in conspiratieve milieus te begeven. Zwart speelde een rolletje in de rechts-socialistische splinter DS'70, onderwijl geheimzinnige werkzaamheden verrichtend voor Accent, een weekblad dat banden met de Morele Herbewapening had, dezelfde Morele Herbewapening die Zwarts, door de Bondsregering betaalde, Internationale Comite van Onderzoek Lemberg '41 domineerde, met als voornaamste taak de rehabilitatie van de morele herbewapenaar Theodor Oberlander.
In Accent schreef hij onder exotische schuilnamen als Sacha Potik ('onze correspondent in Tsjechoslowakije’) en J. Niewiadomski ('onze correspondent in Polen’). In Elseviers Weekblad schreef hij anoniem. Natuurlijk over de zaak-Oberlander: 'De geschiedenis wentelt de schuld die zo zorgvuldig op de schouders van Oberlander werd geladen, volledig af op die van de kleine, dikke heerser in het Kremlin, op Chroesjtsjov-zelf.’
Nee, het is niet gemakkelijk over de zaak-Oberlander te oordelen. De Duitse bewindsman moge een schurk en zijn Ne- derlandse verdediger moge een politieke zwerfkei zijn geweest, dat neemt niet weg dat diezelfde politieke zwerfkei Joop Zwart wellicht gelijk had toen hij de toenmalige Russische premier op diens beurt in de beklaagdenbank plaatste. Dat de Russen in Lemberg, voordat de Duitsers de stad binnentrokken, de moordpartijen zijn begonnen, wordt door niemand - behalve door de Russen - meer ontkend. De speciale gevolmachtigde van Stalin was in die dagen wel degelijk Nikita Chroesjtsjov, die de opdracht had zonder enige scrupules de 'tactiek der verschroeide aarde’ toe te passen. In zowel de Oekraine als in Zuid-Polen, het gebied waarin hetzelfde Lemberg ligt waar Theodor Oberlander zijn politieke Waterloo zou vinden.
WANT, SCHULDIG OF NIET, zijn val was onafwendbaar. 'Voorbarige en lichtvaardige conclusies’ ten aanzien van Oberlander dienen te worden vermeden, schreef het Algemeen Handelsblad, maar het was niettemin duidelijk dat de Duitse regering moest worden gezuiverd van 'dubieuze en van nazismetten lang niet vrije figuren’. Een opstand binnen Oberlanders eigen CDU noopte de gecompromitteerde bewindsman tot aftreden. Zijn opvolger Hans Kruger hield het slechts drie maanden uit: hij bleek ook een ex-nazi te zijn en ook, net als zijn voorganger, in 1923 aan de Hitler-putsch te hebben deelgenomen. De daaropvolgende minister-voor-vluchtelingenzaken Ernst Lemmer was daarentegen slechts een journalistieke handlanger van Josef Goebbels geweest en heeft daarom zijn tijd rustig mogen uitzitten.
Dat de ex-nazi’s in die tijd een probleem vormden, daarin hadden de communisten onmiskenbaar gelijk. Zij slaagden er alleen niet in om hen op het juiste moment op grond van het juiste bewijsmateriaal van de juiste misdaden te beschuldigen.
Inmiddels zijn die ex-nazi’s allemaal dood. Behalve Theodor Oberlander, die zich op hoge leeftijd nog altijd beijvert voor zijn rehabilitatie. In feite is hij allang gerehabiliteerd. Recentelijk, bij zijn vijfentachtigste verjaardag, is in de meeste kranten geconstateerd dat hem ongetwijfeld veel kan worden verweten, maar dat hem de slachting in Lemberg waarschijnlijk ten onrechte in de schoenen is geschoven. Nee, de neonazi’s hebben Duitsland niet, zoals de communisten voorspelden, in een nieuwe wereldoorlog gestort, het communisme zelf is trouwens inmiddels geen politieke factor meer, de Bruinboeken zijn vergeeld, showprocessen zijn uit de mode geraakt, en de slachtoffers van deze showprocessen - Boecharin, Slansky, Dimitrov en Oberlander - zijn definitief historie geworden.