Bevolkingsgroei in Afrika

Het laatste succescontinent

Binnen vijftig jaar verdriedubbelt de Afrikaanse bevolking. Alarmisten vrezen die ontwikkeling. Relativisten zien het minder somber in. Beide groepen hebben elkaar nodig.

Marktbezoekers in Mbandaka, Congo, 19 mei 2016 © Bryan Denton/ The New York Times / HH

Reis je van Nederland naar Afrika, dan reis je van een land vol kalende mannen en grijzende vrouwen naar een continent vol kinderen. Zeker sub-Sahara Afrika is overrompelend jong. Kinderen spelen op straat, schoolklassen puilen uit en in geboorteklinieken wordt tachtigduizend keer per dag voor het eerst gehuild.

Tachtigduizend geboortes per dag, dertig miljoen per jaar, 55 per minuut. Dag in, dag uit. En veruit de meeste van deze kinderen zullen binnen 25 jaar zelf weer kinderen hebben. Het aantal van dertig miljoen Afrikanen staat gelijk aan de complete bevolking van Nederland, België en Luxemburg samen. Vijftig jaar geleden woonden in Afrika nog maar 350 miljoen mensen. Vandaag zijn het er al 1,3 miljard en over vijftig jaar staat de teller op maar liefst 3,9 miljard.

Dat is althans de inschatting van demografen. Nu vormen de 1,3 miljard Afrikanen nog een zesde van de 7,6 miljard mensen wereldwijd. In 2068 maken de 3,9 miljard Afrikanen bijna de helft uit van de 10,5 miljard mensen. Dat zijn althans de verwachtingen. Een slag om de arm is geboden: welke voorspellingen in 1968 kwamen uit in 2018? Niet die van Paul Ehrlich die in The Population Bomb voorspelde dat de ‘bevolkingsbom’ al in de jaren zeventig tot ‘honderden miljoenen hongersdoden’ zou leiden. Niet die van de in ’68 opgerichte Club van Rome die ervoor waarschuwde dat, wanneer we economische groei niet fors terug zouden brengen, alle grondstoffen zouden opraken. Voorspellen is een hachelijke zaak.

Over de snelle bevolkingsgroei in Afrika kun je twee verhalen vertellen.

Het eerste verhaal is ronduit alarmistisch. Het is het verhaal dat je onophoudelijk hoort en dat maar zelden weersproken wordt. De Afrikaanse bevolkingsgroei loopt in de komende vijftig jaar volledig uit de hand. En daar gaan we in Europa nog veel van merken. Miljoenen Afrikanen staan te trappelen om de Middellandse Zee over te steken en onze rijkdommen af te romen. Het is een angstbeeld dat populistische politici graag oproepen. Onlangs nog stelde daarom het vvd-Kamerlid Wybren van Haga voor om extra geld te investeren in voorbehoedsmiddelen in Afrika.

Het tweede verhaal, dat je heel wat minder tegenkomt, is relativerend. Hoewel de Afrikaanse bevolking de komende vijftig jaar stevig toeneemt, en hoewel het goed zou zijn wanneer zij wat minder snel zou groeien, blijft de bevolkingsdichtheid nog steeds lager dan die in Azië of Europa. Bovendien zullen de Afrikanen hun bevolkingsgroei opvangen. Hoe ze dat gaan doen, dat weten we nog niet. Maar in 1968, toen we wereldwijd met 3,5 miljard mensen waren, wisten we ook niet hoe we het met 7,6 miljard in 2018 zouden stellen. Wat blijft is de slag om de arm: ook demografen kunnen de toekomst niet voorspellen. In vijftig jaar kan veel gebeuren. >

Hoe zullen we die twee verhalen noemen? Aanvankelijk twijfelde ik tussen ‘pessimistisch’ en ‘optimistisch’. Want waar pessimisten de Afrikaanse bevolkingsgroei vooral toeschrijven aan – excusez le mot – het feit dat ‘ze zich vermeerderen als konijnen’, schrijven optimisten deze groei toe aan het feit dat ‘ze niet meer sterven als vliegen’. Maar pessimisme en optimisme zeggen doorgaans meer over iemands humeur of gesteldheid dan over de kwaliteit van de argumenten daarachter.

Daarom spreek ik liever over ‘alarmisme’ versus ‘relativisme’, waarmee ik mezelf plaats aan de kant van de relativisten. Ik besef dat ook deze indeling lastig is. Want ik kan mezelf dan wel relativist noemen, het is nog maar de vraag of de andere partij zich senang voelt onder het kopje alarmist. Wellicht dat het helpt wanneer ik beide termen definieer? Een alarmist ziet een belangrijke ontwikkeling de verkeerde kant op gaan, maakt zich grote zorgen en slaat alarm. Dat doet hij om aandacht voor het probleem te vragen, waarna we de ontwikkeling kunnen keren voordat het te laat is. Een relativist, wakker gekust door de alarmist, herkent die ontwikkeling en de bijbehorende zorgen. Maar hij probeert deze te ‘relateren’ aan ontwikkelingen in het verleden. Is de Afrikaanse bevolkingsgroei werkelijk zo’n uitzonderlijke gebeurtenis? En, wanneer dat niet zo is, hoe hebben we vergelijkbare groeicijfers dan eerder opgevangen?

Het is een dooddoener, maar ze moet toch worden genoteerd: pessimisten en optimisten, alarmisten en relativisten, ze hebben elkaar nodig. Ze houden elkaar scherp en confronteren elkaar met nieuwe feiten en ideeën. Ze werken gezamenlijk, zij het op een volstrekt ondoorgrondelijke wijze, aan een betere wereld.

Het verhaal van de relativisten is in de kern een verhaal van vertrouwen. Mensen, zo leren we uit duizenden jaren geschiedenis, zijn per definitie oplossingsgericht en dat geldt net zo goed voor Afrikanen als voor Amerikanen of Chinezen. Ook al neemt de bevolking van Afrika stevig toe, met de groei van het aantal mensen groeit ook het aantal ideeën om deze bevolkingsgroei in goede banen te leiden. Er komen niet alleen meer monden om te eten, er komen ook meer handen om te werken. Relativisten verwachten een toename van vrijheid en welvaart, ze gaan ervan uit dat honderden miljoenen ontsnappen aan honger en armoede en zien voor hun geestesoog een toenemende bescherming van de natuur.

Alarmisten cultiveren het wantrouwen. Mensen zijn niet alleen in staat om hun wereld te verbeteren, ze kunnen deze ook vernietigen. Ze lossen niet alleen problemen op, ze blijken vooral bezig deze te veroorzaken. En ook dit geldt evenzeer voor Afrikanen als voor Amerikanen en Chinezen. Het is dan ook beter om de bevolkingsgroei in Afrika op voorhand te beteugelen, want er is geen enkele zekerheid dat wij erin slagen om een ramp te voorkomen. Alarmisten vrezen toenemende armoede en hongersnood, ze verwachten een afname van soorten, een toename van geweld en een tekort aan grondstoffen.

Sprekend over Afrika hebben alarmisten het doorgaans over een bevolkingsexplosie. De keuze voor juist dit woord vertelt eigenlijk alles. Want explosies zijn meestal verwoestend en verwoestingen moet je met alle middelen zien te vermijden.

Mensen zijn niet alleen in staat om hun wereld te verbeteren, ze kunnen deze ook vernietigen

Alarmisten gaan ervan uit dat het continent de verdriedubbeling tot 3,9 miljard Afrikanen niet aankan. Afrika zucht nu al onder armoede, oorlogen en klimaatverandering. Met nog drie keer zo veel mensen is er geen houden meer aan. Het toch al zwakke onderwijssysteem, de gebrekkige gezondheidszorg, de overlevingslandbouw en de rommelige infrastructuur – wegen, bruggen, watervoorzieningen, riolen en elektriciteitssystemen – niets is op zo’n toevloed van mensen berekend.

Op dit punt illustreren veel alarmisten hun doemscenario aan de hand van enkele snel groeiende Afrikaanse landen als Angola en Mali. Favoriet is doorgaans het West-Afrikaanse Niger. Want Niger is niet alleen een extreem arm land met een bruto nationaal product per capita van minder dan één dollar per dag. Niger is ook een land waar vrouwen gemiddeld nog 7,3 kinderen krijgen. En dat is het hoogste aantal ter wereld. Op dit moment wonen in Niger 22 miljoen mensen en naar verwachting zijn dat er 110 miljoen in 2068. Deze prognose stopt in 2068 en is bovendien gebaseerd op een geleidelijke daling van het aantal kinderen per vrouw. Speculaties over een ongewijzigd kindertal tot het einde van de eeuw spreken over honderden miljoenen mensen in Niger. Met zulke getallen is er geen twijfel meer mogelijk: de bevolkingsgroei van Niger is daadwerkelijk explosief.

Relativisten zien dat anders. Ondanks, of misschien wel dankzij de snel groeiende bevolking gaat het een heel stuk beter in Afrika dan we doorgaans denken. Bevolkingsgroei, oorlog en klimaatverandering hebben niet verhinderd dat de extreme armoede op het continent is gedaald. Naar schatting was in 1968 rond de 55 procent van de Afrikaanse bevolking extreem arm, terwijl dat percentage in 2018 op 41 staat. Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid daalde de kindersterfte sneller dan de afgelopen vijftig jaar in Afrika. Stierven in 1968 nog 28 kinderen op de honderd, vorig jaar stond de teller op acht. De levensverwachting steeg dan ook fors. In 1968 konden Afrikaanse baby’s rekenen op 44 jaar. Baby’s die vandaag worden geboren, mogen verwachten zestig te worden. Die leeftijd bereiken ze bovendien geletterd. In 1968 zat minder dan de helft van alle Afrikaanse kinderen op de basisschool. Vandaag zit 84 procent van alle Afrikaantjes in een schoollokaal. Rond de zeventig procent van alle kinderen maakt deze ook af. Dat vertaalt zich direct in de Afrikaanse inkomens. Het bruto nationaal product van sub-Sahara Afrika is nu dertig keer hoger dan in 1968. Vijf Afrikaanse landen worden inmiddels bij de ‘hogere-midden-inkomenslanden’ gerekend: Gabon, Namibië, Botswana, Zuid-Afrika en Equatoriaal Guinee. Nog eens veertien horen nu bij de ‘lagere-midden-inkomenslanden’.

En er is meer. Sinds Europa zich uit zijn koloniën terugtrok, en zeker sinds het einde van de Koude Oorlog, werd het allengs rustiger in Afrika. Ook veranderde het politieke landschap. Van de huidige 58 Afrikaanse landen kon je in er 1968 drie min of meer democratisch noemen: Soedan, Somalië en Botswana. De rest waren dictaturen of nog koloniën. Vandaag zijn alle koloniën verdwenen en worden nog zes landen autoritair geregeerd: Eritrea, Zuid-Soedan, Somalië, Soedan, Equatoriaal Guinee en de Centraal Afrikaanse Republiek. Achttien landen zijn een democratie. De rest hangt er tussenin. En anders dan in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw worden op het continent geen grote oorlogen meer uitgevochten. Er is wel nog een aantal gewapende conflicten, waarvan de aanhoudende strijd in Somalië met 5154 doden in 2017 veruit de grootste is. Het zijn echter conflicten die je in weinig meer kunt vergelijken met de oorlogen in Congo, Soedan of Rwanda uit eerdere decennia. Oorlogen die toen nog miljoenen doden eisten. Het zijn deze snelle veranderingen die relativisten het vertrouwen schenken dat Afrika ook nieuwe problemen, waaronder zijn snel groeiende bevolking, weet op te vangen.

Kigoma, Tanzania, 21 juli 2014 © Michael Christopher Brown / Magnum Photos / HH

Tijd voor een intermezzo. Toen de Afrikaanse activist Mawuna Remarque Koutonin (Togo, 1973) voor de eerste keer in Europa arriveerde, was zijn eerste schok de enorme overbevolking, met name in het westelijke deel. ‘Een klein land als Frankrijk, vijf keer kleiner dan Congo, heeft dezelfde bevolking: 67 miljoen’, constateerde Koutonin onthutst. ‘Het Verenigd Koninkrijk is zelfs kleiner dan Gabon, maar heeft een bevolking van zestig miljoen, terwijl in Gabon maar anderhalf miljoen mensen wonen. Het meest dramatisch is de situatie in het dwergstaatje België, dat 167 keer kleiner is dan Congo maar waar toch nog elf miljoen mensen leven. Dat zijn 365 mensen per vierkante kilometer, terwijl Congo er per vierkante kilometer maar dertig telt.’ Bovendien: ‘Europa is een grondstofarm continent en je vraagt je af hoe die Europeanen zichzelf voeden. Je vraagt je ook af waarom Europeanen nog steeds zoveel kinderen hebben, terwijl de afgelopen eeuwen een half miljard Europeanen om politieke en economische redenen weg moesten vluchten naar rijkere landen.’

Het is een even grappige als interessante observatie. Koutonin publiceerde haar in de Britse krant The Guardian. Boven zijn artikel zette het dagblad voorzichtig dat de auteur een ‘luchtige’ kijk op het wereldbevolkingsprobleem heeft. Dat klopt niet. Koutonin is bloedserieus. ‘Veel mensen die zich zorgen maken over overbevolking denken op de eerste plaats aan Afrika.’ Vooralsnog wonen er echter meer mensen in China dan in alle 54 Afrikaanse landen samen; vooralsnog hebben al die 54 Afrikaanse landen samen een kleinere economie dan bijvoorbeeld Frankrijk. En vooralsnog gebruikt heel Afrika maar een paar procent van alle natuurlijke hulpbronnen, terwijl Europa, de VS en Japan samen meer dan tachtig procent van die hulpbronnen opsouperen.

Omdat Afrika by far het minst bevolkte continent ter wereld is, noemt Koutonin het idee van de Afrikaanse overbevolking ‘frauduleus’. Nu steeds meer ontwikkelingsorganisaties en westerse overheden geld vrijmaken om de bevolkingsgroei van Afrika in de kiem te smoren, vermoedt Koutonin een witte samenzwering met maar één doel: Afrika zo dunbevolkt te houden als het nu is. Alleen dan kunnen westerse landen doorgaan met het plunderen van Afrika’s natuurlijke hulpbronnen. Willen we écht iets doen aan de wereldwijde bevolkingsgroei, dan zouden we volgens hem moeten beginnen met het terugdringen van de overbevolking in Europa. ‘De wereld is overbevolkt, dus laten we minder rijke mensen hebben. Dat zou de echte agenda moeten zijn.’

Relativisten vinden Koutonins argumentatie vermakelijk. Al halen zij hun schouders op over zijn laatste aanbeveling. Want juist in het rijke deel van de wereld krimpt de bevolking al fors. In de Europese Unie ligt het geboortecijfer nu op 1,6 en in de Verenigde Staten is het met 1,76 al niet veel beter. Beide cijfers liggen een eind onder het reproductieniveau van 2,1 kind per moeder. Maar Koutonin heeft natuurlijk wel een punt wanneer hij erop wijst dat de bevolkingsdichtheid van Afrika op dit moment nog heel laag is. Afrika komt zelfs niet in de buurt van bijvoorbeeld Azië en West-Europa. Terwijl in Azië gemiddeld 146 mensen per vierkante kilometer wonen, en in West-Europa gemiddeld 179, moet Afrika het nog doen met gemiddeld 43 mensen per vierkante kilometer. In de top-25 van de dichtstbevolkte landen ter wereld ligt er maar één in Afrika en dat is Rwanda. En in de top-25 van de minst dichtbevolkte landen liggen er elf in Afrika.

Dat gaat in de komende vijftig jaar natuurlijk veranderen. In 2068 staat de Afrikaanse teller op 130 mensen per vierkante kilometer. Dat is de bevolkingsdichtheid van een land als Cyprus. Ook met die 130 per vierkante kilometer in 2068 blijft de bevolkingsdichtheid van Afrika nog achter bij de 146 in Azië en 176 in Europa. Over vijftig jaar blijft Afrika zelfs nog enigszins achter bij de huidige wereldwijde bevolkingsdichtheid van 132 mensen per vierkante kilometer, waarbij de oceanen en Antarctica vanzelfsprekend niet zijn meegeteld.

We beseffen vaak niet hoe groot Afrika is. Het continent is immens. Op internet staan kaartjes waarop de contouren van Afrika zijn ingevuld met die van andere landen en regio’s. Binnen de grenzen van het Afrikaanse continent passen Japan, Mexico, de Verenigde Staten, Europa, India én China. In deze landen wonen in totaal 3,9 miljard mensen. En 3,9 miljard is precies het aantal dat demografen in 2068 in Afrika verwachten. Wie dit beeld in zich opneemt, beseft dat we ons druk maken om een toekomstig verschijnsel dat in de rest van de wereld nu al vanzelfsprekend is. Geen wonder dat Mawuna Remarque Koutonin achterdochtig is over de westerse motieven om de bevolkingsgroei van Afrika aan banden te leggen.

Anders dan relativisten lachen alarmisten niet om Koutonin. Zij wijzen erop dat Afrika op een belangrijk punt afwijkt van de bevolkingstoename op andere continenten. Tot voor kort konden we ervan uitgaan dat er een direct verband bestond tussen een toenemende welvaart van mensen en een dalend geboortecijfer. Alleen al het overleven van kleine kinderen door meer schoon water, door vaccinaties, door beter voedsel en door meer en beter onderwijs leidde doorgaans tot minder kinderen. Overal ter wereld was dat nog zo gegaan: in Europa, in Noord- en Zuid-Amerika, in Azië. Zodra ouders begonnen te beseffen dat hun kinderen een grote kans hadden om te overleven, schroefden ze hun aantal nazaten terug. Om die reden daalde sinds 1968 wereldwijd het aantal kinderen per moeder van bijna vijf naar minder dan 2,5.

‘De wereld is overbevolkt, dus laten we minder rijke mensen hebben. Dat zou de echte agenda moeten zijn’

In Afrika, zeggen alarmisten, is dat anders. In Afrika daalt de kindersterfte weliswaar sneller dan ooit in Europa of de VS, maar in de geboortecijfers zie je dat niet terug. De daling in sterftecijfers van 28 naar acht op de honderd kinderen is een daling van meer dan twee derde. Het aantal kinderen per vrouw daalde echter maar met één derde: van 6,7 naar 4,5. Die is dan ook nog mijlenver verwijderd van het reproductieniveau van 2,1 kinderen per vrouw. Bovendien, zo betogen de alarmisten, is het laaghangende fruit inmiddels wel geplukt. Er is veel bereikt in Afrika, maar de afname van honger en armoede blijkt al enige tijd te stokken. Zo hangt het armoedepercentage al enkele jaren rond de 41. En dat is een percentage waarin het aantal armen wordt verrekend met de bevolkingsgroei. In kale aantallen is de armoede al weer met enkele miljoenen gestegen. En de belangrijkste reden is dat op dit moment de economische groei niet voldoende vooruit loopt op de groei van de bevolking. Ook al groeit de Afrikaanse economie dit jaar met gemiddeld drie procent, met een al even gemiddelde bevolkingsgroei van 2,7 procent blijft te weinig over om het continent werkelijk uit zijn armoede te tillen. Als het zo doorgaat – en waarom zou het niet zo doorgaan – neemt de ellende gewoon weer toe.

Relativisten zien dat ook. Zij werpen echter tegen dat de grote daling in Afrika simpelweg nog moet inzetten. Waarom zouden wetmatigheden die overal gelden niet opgaan in Afrika? Afrika is simpelweg het laatste continent dat aanhaakt bij de enorme omwenteling die begon met de industriële revolutie. Pas in 1839 vertrok David Livingstone naar Afrika om het immense en maar amper bewoonde werelddeel in kaart te brengen. Ter vergelijking: 1839 was ook het jaar dat tussen Amsterdam en Haarlem de eerste trein van Nederland reed. Vervolgens, in 1885, tijdens de Conferentie van Berlijn, begonnen Europese landen Afrika op te delen in koloniën, een juk dat Afrika pas in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw kon afwerpen. In heel Afrika woonden rond 1885 minder dan negentig miljoen mensen, vergelijkbaar met de bevolking van het huidige Egypte. En die omstandigheden waren uiterst rudimentair, op z’n best vergelijkbaar met die in Europa in de vroege Middeleeuwen.

Nog nooit was de kloof tussen Afrika en het industriële, gemilitariseerde en zich snel ontwikkelende Europa zo groot als rond 1900. Ter vergelijking: 1885 was ook het jaar waarin Louis Pasteur met succes zijn vaccin tegen hondsdolheid introduceerde, in de VS het Vrijheidsbeeld werd gebouwd en de oplage van De Groene Amsterdammer boven de vierduizend exemplaren uit kwam. We beseffen amper hoe jong de Afrikaanse landen zijn, dat de aansluiting op de rest van de wereld op dit moment pas plaatsvindt en hoe recent nog maar de Afrikaanse kans op welvaart is.

Afrika maakte in honderd jaar een ontwikkeling door waar Europa meer dan duizend jaar over deed. Vandaag verdriedubbelt de bevolking van Afrika. Sinds de industriële revolutie verdriedubbelde ook de bevolking van Europa. Vervolgens eindigden wij als het meest welvarende continent ter wereld. Als het ons lukte om bevolkingsgroei en welvaart samen te laten vallen, waarom zou dat ook niet lukken in Afrika?

Op verschillende plaatsen in Afrika gaat het nu al sneller dan in Europa. Want terwijl het geboortecijfer in het arme Niger nog op 7,3 ligt, daalde het in Botswana al tot 2,8 en in Zuid-Afrika tot 2,5. In het oude Europa deed het Verenigd Koninkrijk er 95 jaar over om het kindertal per moeder te laten zakken van zes naar minder dan drie. In de Verenigde Staten gebeurde dat in 82 jaar. In Zuid-Afrika lukte dat in 34 jaar, in Botswana net 24. Dat het nog veel sneller kan, bewijzen landen als Iran en Bangladesh. In Iran zakte het aantal kinderen per vrouw binnen tien jaar, tussen 1986 en 1996, van zes naar minder dan drie. Wie durft er zijn hand voor in het vuur te steken dat dit binnenkort ook niet zal gebeuren in Sierra Leone, Ethiopië of Zimbabwe?

We doen er in elk geval goed aan om te stoppen met het generaliserende gebruik van een zin als ‘bevolkingsexplosie in Afrika’. De snelle bevolkingsgroei is een probleem voor extreem arme landen als Niger, Mali en Angola, maar ze is dat niet voor midden-inkomenslanden als Zuid-Afrika, Botswana of Kenia. Dat het goed zou zijn dat in de allerarmste landen de bevolkingsgroei afneemt, daar zijn relativisten en alarmisten het wel over eens. In Afrika wordt daar overigens niet anders over gedacht. Maar in welk tempo dat moet, en vooral wat er moet gebeuren om dat tempo te bereiken, daarover verschillen beide dan weer van mening.

Alarmisten pleiten er doorgaans voor om het probleem direct aan te pakken: grootschalige campagnes rond family planning moeten ouders ertoe brengen om meteen te stoppen met het krijgen van meer dan één of twee kinderen. Niet alleen, zo zeggen alarmisten, blijkt uit onderzoek dat er wereldwijd meer dan tweehonderd miljoen vrouwen zijn die maar al te graag aan geboortebeperking zouden doen, mits ze er maar de middelen voor hadden, ze wijzen ook op de successen van een van de meest fascinerende voorbeelden van moderne bevolkingspolitiek.

En dat is Bangladesh. In 1971, toen het dichtbevolkte en straatarme Aziatische land nog 66 miljoen mensen telde, besloot de overheid tot een plafond van 150 miljoen. Dat is niet helemaal gelukt, want vandaag telt Bangladesh 163 miljoen inwoners. Toch daalde tussen 1975 en 2017 het aantal kinderen per vrouw spectaculair van 6,3 naar 2,1. Dat bereikte het islamitische Bangladesh door vrouwelijke gezondheidswerkers te trainen en in het hele land op huisbezoek te sturen. Familie na familie werd bezocht om stellen voor te lichten over family planning en om anticonceptiemiddelen achter te laten. Gebruikte in 1975 niet meer dan acht procent van alle Bengalen een voorbehoedsmiddel, vorig jaar was dat 81 procent. En de overheid deed meer. Ze verlaagde de drempel voor meisjes om naar school te gaan. En ze zorgde voor een stevig vaccinatieprogramma annex een anti-diarreecampagne om de kindersterfte terug te dringen.

Straatverkopers in Accra, Ghana, 19 juli 2017 © Ashley Gilbertson / The New York Times/ HH

Relativisten twijfelen. Niet aan het effect van de Bangladesh-campagne. En al helemaal niet aan het toegankelijk maken van voorbehoedsmiddelen voor de meer dan tweehonderd miljoen vrouwen die ze maar al te graag willen gebruiken. Wel aan de mogelijke gevaren die aan al te directe campagnes zitten. Deze twijfels zijn geworteld in het recente verleden. Pogingen om de bevolkingsgroei terug te dringen, gingen in veel gevallen gepaard met onvoorstelbare wreedheden.

Op hetzelfde moment dat ouders in Bangladesh vrijwillig kozen voor geboortebeperking werden in communistisch China, tijdens de beruchte één-kindcampagne van 1983, veertien miljoen baby’s onder dwang geaborteerd. Meer dan 34 miljoen vrouwen en vier miljoen Chinese mannen werden onvruchtbaar gemaakt. Tijdens een vergelijkbaar programma in het democratische buurland India werden in 1978 maar liefst acht miljoen vrouwen onder het mes gedwongen. Ook in het Westen gingen in die tijd stemmen op om de ‘bevolkingsexplosie’ met geweld te bedwingen. Zo bepleitte de nog steeds invloedrijke milieuactivist Paul Ehrlich het onvruchtbaar maken van vrouwen door het toevoegen van anticonceptiemiddelen aan het drinkwater. Ook stelde hij voor om deze middelen stiekem te verwerken in noodvoedsel tijdens hongersnoden.

Dat vandaag op sociale media volop wordt gesuggereerd dat je honger in Afrika niet moet bestrijden maar de vrije hand moet geven om massasterfte te bevorderen, neemt de twijfel bepaald niet weg. Zeker onder geharde milieuactivisten vind je deze redenering nogal eens terug. Zij maken zich niet alleen grote zorgen om de gevolgen van een al te overdadige bevolking voor de rijke Afrikaanse flora en fauna. Ze vrezen ook een verdere opwarming van de aarde wanneer al die miljarden Afrikanen zo gaan leven als wij in Europa.

Relativisten voelen dan ook meer voor de alom beproefde methode van economische groei en verhoging van de welvaart. Een proces dat uitmondt in een duidelijke vooruitgang op huishoudniveau. Aan het eind van dit veel bredere en diepgaandere procédé gaan mensen zelf wel over tot geboortebeperking. Arme mensen nemen immers niet veel kinderen omdat ze het zo gezellig vinden. In armoedige omstandigheden is een groot gezin een voorziening voor de oude dag. Zoals jij voor je bejaarde ouders zorgde, zo zullen jouw kinderen later voor jou zorgen. Wanneer daarentegen de armoede maar niet lijkt te dalen, nemen ouders het zekere voor het onzekere.

Een andere, niet te missen factor is goed onderwijs en dan vooral aan meisjes. Geschoolde meisjes maken na hun studie kans op vrijheid en een fatsoenlijk inkomen. Ze beseffen dat ze die kans weggooien als ze op te jonge leeftijd zwanger worden. Ook weten onderwezen meisjes beter hoe ze zich moeten beschermen tegen ongewenst moederschap. En kiezen ze uiteindelijk toch voor kinderen, dan zijn dat er doorgaans een stuk minder dan bij hun ongeschoolde leeftijdsgenoten.

Ondanks al hun verschillen hebben alarmisten en relativisten ook iets gemeen. Ze beseffen beide dat hun aanpak niet gratis is. Een campagne zoals in Bangladesh kost handenvol geld, en investeren in structurele armoedebestrijding kost dat ook. Het is geld dat voor het grootste deel wordt opgehoest in de ontwikkelingslanden zelf. Maar het is ook geld dat in rijke landen kan, en wat mij betreft moet worden vrijgemaakt. Dáár zouden we het weer eens over moeten hebben.