Het labyrint ontleed

Het Labyrint: Een bron van verwarring. Comeniusmuseum, Kloosterstraat 33, Naarden-Vesting tot en met 18 februari 1996.
De toegang van Naarden wordt versperd door een verbodsbord met een autobus. Voor de duidelijkheid: ‘Zakaz vjezdu autobusu’. Dertig meter verder duikt een stenen heerschap op uit de struiken: Jan Amos Comenius.

Aha, het was dus Tsjechisch. Een paar jaar geleden is aan de kapel waar de zeventiende-eeuwse geleerde begraven ligt een Comeniusmuseum gekoppeld, dat tevens als Tsjechisch cultureel centrum dienst doet. De wisseltentoonstelling is aan een Tsjechisch kunstenaar gewijd of aan een fenomeen dat in betrekking tot Comenius staat. Het labyrint: Een bron van verwarring slaat op zijn beroemdste geschrift, Het labyrint der wereld en het paradijs des harten.
Het beroemdste labyrint, dat van Theseus en de Minotaurus op Kreta, waar waarschijnlijk het paleis van Knossos model voor heeft gestaan, is niet het oudste. Rond 484 voor Christus beschrijft Herodotus het labyrint van farao Amanemhet III, dat tot de zeven wereldwonderen werd gerekend. Met zijn drieduizend kamers was het een paleisachtige constructie als die van Knossos. Het middeleeuwse labyrint was echter van een puur metaforische hoedanigheid. Het stelde de zondige wereld voor (met de Minotaurus als personificatie van het kwaad in het midden) waarin de in aanleg zondige mens zijn weg moest zoeken om het pad naar de verlossing te vinden. Deze opvatting werd zowel in geschriften neergelegd als in kerkvloeren, waarop pelgrims op hun knieen een verkorte kruistocht maakten en kanunniken met Pasen een rondedans uitvoerden. Comenius’ doolhof was een directe nazaat van dit metaforische model, en ook in de renaissance- en barokliteratuur had het een symbolische functie, vaak als Irrgarten der Liebe of Cupidinis Labyrinthus.
Ondanks de overvloedige informatie bij de tentoongestelde objecten wil echter maar niet duidelijk worden wat de symbolische aanleiding was voor de aanleg van enorme doolhoven in baroktuinen als die van Versailles, hoewel ze blijkens de vele prenten dikgezaaid waren in Europa. De toegevoegde prentenseries van de zeven deugden en hoofdzonden maken het er ook niet duidelijker op; ze verdiepen hooguit de traditie van het uitbeelden der wereld tijdens de renaissance, zoals Comenius dat met het labyrint deed. Ronduit verwarrend - maar dat is natuurlijk de opzet - wordt het als naast deugden en zonden een serie portretten hangt van hedendaagse fotografen met als kennelijk thema ‘mensen uit heel de wereld’. Een zondige wereld? De associaties van de tentoonstellingmakers blijven steeds het tempo waarin de welwillende bezoeker het verhaal kan volgen een paar stappen vooruit. Voor het multimediale effect zijn deugden en portretten gescheiden door een koptelefoon waar onder andere Bach uit klinkt. Meegetroonde jeugd laat de foto’s van tijdgenoten links hangen en grijpt Bach aan als welkome afwisseling in de op een geduldiger publiek toegesneden presentatie.
In het aparte zaaltje waar 'Het labyrint als inspiratiebron voor kunstenaars’ is uitgewerkt, is een uitgelezen kans gemist. De Minotaurus was inderdaad een zowel scheppend als verwoestend, maar steeds erotisch alter-ego van de kalende en aan zijn potentie twijfelende Picasso van de jaren dertig. Helaas gaat het verhaal voorbij aan de surrealistische opvatting van de Theseus-mythe, waar Picasso eveneens een bijdrage aan heeft geleverd. In Bretons poetische vermaatschappelijking van de Individualpsychologie is het labyrint een vanzelfsprekende metafoor van het onbewuste, waar angsten en verlangens op de loer liggen in de vorm van de Minotaurus, die door het ego als Theseus verslagen moet worden. Het classicisme van de jaren dertig wierp een actueel licht op de klassieke mythologie, waarmee het labyrint ook een twintigste-eeuwse betekenis kreeg. En voor het postmoderne tijdsgewricht hoeven we maar een pagina op Internet op te slaan voor de meest recente variant.