Het lachkruid

Met bijna een miljoen gebruikers in Nederland is cannabis hard op weg genotsmiddel nummer een te worden. Tijd om korte metten te maken met de laatste restjes pan-Europese schijnheiligheid. Stemt allen op de Cannabispartij!
IN DE WESTERSE geschiedenis duikt de cannabis voor het eerst op in Herodotus’ Historiën. Daarin treffen we een beschrijving van de Skythen, die hennep op gloeiende stenen gooiden ‘waarna zij jubelden van verrukking over die damp’. Zo rond 713 begonnen Spaanse christenen in de bergen in het noordwesten van Spanje cannabis te telen uit de zaadjes die daar waren achtergelaten door de soldaten van de Tunesische gouverneur Nusair.

Het eerste geval van ‘gecontroleerde doorvoer’ van hasj richting West-Europa volgde een eeuw later, toen een delegatie namens Haroun al-Rashid - de fameuze Koerdische kalief uit de sprookjes van Duizend-en-een nacht - in 803 Karel de Grote in Aken bezocht, en deze onder meer een grote kluit hasj als relatiegeschenk overhandigde. De Frankische hofhouding was totaal onbekend met het middel en voerde het geschenk direct na vertrek van de delegatie aan de beesten.
Aan het eind van de negende eeuw bloeide de marihuana volop in Italië, alwaar onder de Siciliaanse Berberaanvoerder Khalfun in 847 het Emiraat van Bari werd uitgeroepen - de enige officiële en erkende Europese moslimnederzetting in die tijd. Hoewel ze van Siciliaanse herkomst waren, stichtten de drie emirs, Khalfun, Mufarradj ibn Salam en Saudan, een onafhankelijke staat, die zelfs door de kalief van Bagdad officieel werd erkend. Hier verbouwde men met succes cannabis.
EEN BEROEMDE blower in de westerse geschiedenis was de Osmaanse sultanszoon Cem, van wie wordt beweerd dat hij knetterstoned aanwezig was in het conclaaf waar Alexander Borgia de hoogste waardigheid van het christendom wist te verwerven. Cem moet zich thuisgevoeld hebben in de omgeving van de grote Renaissancepaus, die ook qua hasjgebruik weinig verschilde van die van het hofleven in Istanbul. Met de gifdood van Cems beschermheer, in 1503, was het gelijk met de hasjcultuur in het Vaticaan gedaan.
De westerse hasjcultuur moest vervolgens drie eeuwen wachten voordat er weer een populariseringsgolf op gang kwam. Met het uitbreken van de romantische cultus rondom de Oriënt in de Franse Belle Epoque werd ook het gebruik van hasjiesj herontdekt door kunstenaars en wetenschappers. Baanbrekend werk verrichtte de arts Moreau de Tours met zijn studie Du Haschich et de l'aliénation, waarin hij schreef over de ervaringen die hij had opgedaan in de hasjroes. Het werk was vooral populair onder kunstenaars.
De combinatie van roes en kunst was al eerder in de mode gekomen door toedoen van de Britse schrijver Thomas de Quincey, wiens in 1821 verschenen Confessions of an English Opium-Eater de toon had gezet. Vooral de Franse vertaling (van de hand van Alfred de Musset) sloeg enorm aan. In hotel Pimodan aan de Quai D'Anjou te Parijs vonden vanaf 1840 regelmatig bijeenkomsten plaats van Le Club des Haschichins, waar schilders als Eugène Delacroix en schrijvers als Théophile Gautier, Balzac en Baudelaire experimenteren met het - nog niet verboden - genotsmiddel. Zij consumeerden de hasj door deze op te lossen in zwarte koffie.
De proefnemingen in dit gezelschap hadden een ware explosie van hasjliteratuur tot gevolg. Maar aangezien de Franse pioniers hun hasj vaak vermengden met opium, waren hun vastgelegde visioenen in het geheel niet te vergelijken met die ietwat gemelijke toestand waarin de gemiddelde hedendaagse Nederlandse weedroker pleegt te verkeren. De psychedelische visioenen van Baudelaire, Gautier en De Nerval (en later ook van Verlaine en Rimbaud) leken eerder op lsd-ervaringen. Wat dacht u van deze, van de hand van Baudelaire: 'De hallucinaties beginnen. De voorwerpen buiten nemen monsterachtige verschijningen aan. Zij onthullen zich voor u in tot dan toe onbekende vormen. Vervolgens vervormen ze zich, veranderen en treden tenslotte bij u binnen, oftewel u in hen. De eigenaardigste dubbelzinnigheden, de onverklaarbaarste omzettingen van ideeën hebben plaats.Geluiden hebben een kleur, kleuren maken muziek. Muzieknoten zijn getallen, en u lost wonderbaarlijke rekensommen met een schrikbarende snelheid op.’
In 1851 publiceerde Baudelaire zijn fameuze studie Du vin et du Haschich comparés comme moyens de multiplication de l'individualité (hier door Bart Huges vertaald als Over de wijn en de hasjiesj vergeleken als middelen om de individualiteit te vermenigvuldigen, 1966). Hierin nam Baudelaire krachtig stelling tegen hasj, die hij zag als de doodsteek voor de individuele wil: 'Nooit zou een verstandige staat kunnen voortbestaan met het gebruik van hasjiesj’, schreef hij. 'Het levert noch soldaten, noch burgers. Inderdaad wordt het de mens verboden, op straffe van verzwakking of intellectuele dood, zijn fundamentele levensomstandigheden te wijzigen en het evenwicht van zijn vermogens met zijn omgeving te verbreken. Als een regering belang zou hebben bij het vervreemden van zijn onderdanen, zou zij slechts het gebruik van hasjiesj hoeven aan te moedigen.’
Baudelaire keerde zich vooral tegen de totale metamorfosen die de hasj zou bewerkstelligen. 'Ik heb een keer een eervol magistraat, een eerbiedwaardig man, zoals de mensen van de wereld van zichzelf zeggen, een van die mannen wiens kunstmatige zwaartekracht altijd indruk maakt, op het ogenblik dat de hasjiesj in hem binnendrong, plotseling een hoogst onfatsoenlijke cancan zien dansen. Het inwendige en waarachtige monster onthulde zich.’ Hasj, aldus Baudelaire, was 'een zelfmoordwapen’, 'nutteloos en gevaarlijk’, terwijl wijn 'de wilskracht verhoogt, vruchtbare resultaten voortbrengt’.
OP GROND van deze studie maakte Flaubert de schrijver van Les fleurs du mal voor 'katholieke zuurdesem’ uit, maar de toon was niettemin gezet in Frankrijk. De echo’s van Baudelaires tirade tegen de hasj ('Ik begrijp niet waarom de rationele en spirituele mens zich van kunstmatige middelen bedient om tot dichterlijke gelukzaligheid te komen’) zijn nu nog hoorbaar in de cannabispolitiek van het regime-Chirac. Grof gezegd mogen we stellen dat Baudelaire de ideologische basis legde voor de tot op heden heersende hysterie der Fransen rondom de plant der planten.
Maar er waren ook enthousiaster rapportages van hasj-ervaringen. Madame Blavatsky, de Russische oermoeder van de hippiebeweging, ging eind vorige eeuw in de leer bij een Koptische magiër in Caïro, alwaar ze zich specialiseerde in het mystieke handwerk en het roken van de hasjpijp. 'Hasjiesj vermenigvuldigt je bestaan wel duizend keer’, zei ze in 1892 in een interview met een Amerikaans blad. 'Mijn ervaringen ermee zijn zo reëel als waren zij gewone gebeurtenissen in het echte leven… Het is een herinnering aan mijn vorige levens, mijn eerdere incarnaties. Het is een geweldige drug, en het werpt licht op een groot mysterie.’
Niet gehinderd door wettelijke obstakels kon de hasjcultuur zich tot de jaren vijftig van deze eeuw tamelijk ongestoord verbreiden. Ook in Nederland won de drug steeds meer populariteit onder kunstenaars. De onlangs overleden literator Albert Helman vertelde hoe hij in de jaren dertig met Slauerhoff naar Marokko toog en zij de gehele reis fors onder invloed van de hasjiesj verkeerden.
Ook Bordewijk was in de drug geïnteresseerd, zoals mag blijken uit zijn novelle Rood paleis. Maar de massale doorbraak kwam pas na de Tweede Wereldoorlog, toen de Amerikaanse regering een ware heksenjacht op de marihuanaproduktie begon. In hun twee jaar geleden verschenen drugshandboek Uit je bol schrijven Hans Plomp en Gerben Hellinga hoe de war on drugs in de Verenigde Staten begon met een grote mediacampagne tegen de 'verwilderende werking’ van de weedplant op de zwarte bewoners van het zuiden van de Verenigde Staten. In de kranten van het Heart-imperium verschenen aan de lopende band uit de duim gezogen gruwelverhalen over seksuele excessen als gevolg van weed-consumptie.
DAARNA WAS HET snel gedaan met het tot dan toe redelijk ongestoorde rokersgenot in Amerika. Onder druk van de Verenigde Saten sloten de Europese landen in de jaren vijftig verdragen over het totale verbod op de teelt van de hennep. In 1969 lanceerde president Nixon Operation Intercept, een programma tegen de import van grote hoeveelheden Mexicaanse marihuana in de Verenigde Staten. Dit programma dwong Mexico om landbouwgif te gebruiken waardoor de marihuanavelden zouden worden vernietigd. Soortgelijke druk werd uitgeoefend op Thailand, Colombia en Jamaica om export naar de Verenigde Staten te voorkomen. Amerikaanse rokers werden in toenemende mate gealarmeerd door berichten over longbeschadigingen na het roken van met dit landbouwgif behandelde marihuana.
Tegelijkertijd ontwikkelde dr. Carlton Turner, de latere adviseur van Ronald Reagan inzake drugsbestrijding, een test om te bepalen of de aangeschafte marihuana door landbouwgif was aangetast. In dezelfde periode werden infecties gemeld na het roken van in de Verenigde Staten geïmporteerde marihuana, vermengd met dierlijk mest en aarde.
Ironisch genoeg kan Nixons Actie-Onderschepping worden gezien als het startpunt van een massale thuisteeltgolf in de Verenigde Staten en daarbuiten. De zware straffen die er in de Verenigde Staten op staan (zie het geval het het echtpaar Mooring, dat eerder dit jaar door onze minister van Justitie Winnie Sorgdrager werd uitgewezen om in Amerika een monsterlijk lange straf uit te gaan zitten voor de teelt van enkele weedplanten) stimuleerden de hasj- en weedproduktie over de hele aardbol, die in Nederland niet in de laatste plaats.
DAT UITGEREKEND in de drassige polders van Nederland produktie en gebruik van cannabis zo'n vlucht kon nemen als sinds de jaren zestig is gebeurd, is wellicht voorvoeld door Godfried Bomans, toen deze in 1947 zijn Sprookjes deed verschijnen. In het verhaal 'Hans of de geschiedenis van het Lachkruid’ beschrijft Bomans de totale transformatie van een kil calvinistisch polderland als gevolg van de consumptie van het zogeheten 'lachkruid’. Dat het naar schatting twintig jaar later ook echt zover kwam in Nederland, is toch vooral de verdienste van de kring rondom Bomans’ collega Simon Vinkenoog in Amsterdam, wiens permanente cannabisfeest-estafette in de binnenstad achteraf mag worden gezien als de Nederlandse opvolger van de Club des Haschichins van de vorige eeuw.
Inmiddels telt Nederland volgens de meest recente schatting van de Bond voor Cannabisdetaillisten zo'n 800.000 regelmatige gebruikers van hasj of weed. De skunk van Nederlandse bodem geldt inmiddels als exportprodukt nummer 1 van de Nederlandse landbouw. Er is zelfs een politieke partij voor hasj- en weedrokers in aantocht, de zogeheten Cannabispartij, die bij de eerstvolgende Tweede-Kamerverkiezingen een gooi naar de electorale gunst zal doen.
De partij is een noodzakelijke stap op weg naar de totale emancipatie van de rokende medemens, nu de mooie verhalen over vergaande legaliseringsmaatregelen, door D66 gedaan tijdens de jongste verkiezingscampagne, vooralsnog onder diplomatieke druk vanuit Frankrijk veranderde in een politiek van toenemende repressie. De wonderbaarlijke transformatie van de paarse drugspolitiek (zowel PvdA als D66 waren het bij de start van het kabinet-Kok eens over legalisering van hennepteelt, terwijl er nu een hysterische klopjacht naar broeibakken op zolderkamertjes aan de gang is) mag zonder twijfel als een persoonlijke tragedie voor Sorgdrager heten. Zij was immers de eerste Nederlandse minister van Justitie die openlijk toegaf zelf ook weleens en jointje te hebben gerookt, en daarbij zelfs te hebben geïnhaleerd, al merkte ze er vervolgens 'helemaal niets van’.
Haar secondant en partijgenoot op het Openbaar Ministerie, opperprocureur Arthur Docters van Leeuwen, pleit ondertussen in Europees verband voor een totale legalisering van de cannabis, maar laat tegelijkertijd geen gelegenheid onbenut voor een totaal tegengestelde politiek. Aan deze opperste hypocrisie zal de Cannabispartij stellig een eind weten te maken.