Het lachwekkende monster idi amin

Onlangs verschenen twee boeken over de Oegandese dictator Idi Amin: één van een in Nederland wonende Afrikaan en één van een in Afrika verkerende Nederlander. De verschillen zijn exemplarisch voor de tweedeling in de literatuur over veldmaarschalk Idi Amin Dada.

DE VELDMAARSCHALK, dictator, professor en veelvoudig nationaal bokskampioen Idi Amin heeft drommen schrijvers en journalisten geïnspireerd tot het schrijven van lijvige boeken. En het is waar: de moordzuchtige Idi Amin Dada levert stof voor hilarische vertellingen. De merkwaardige combinatie van uitbundigheid, meedogenloosheid, analfabetisme, beperkte intelligentie en het openlijk botvieren van primitieve driften wekt de lachlust van de cynische buitenstaander. Schrijvers varen wel bij de banaliteit van veel van zijn daden en uitspraken. Wie glimlacht niet wanneer hij hoort van het telegram dat Amin in 1972 naar Nixon stuurde om hem een ‘spoedig herstel’ van Watergate toe te wensen? Of wanneer hij leest dat Amin bankbiljetten liet drukken met daarop de beeltenis van hemzelf, poepend op Europa? Amins gebrek aan respect voor gangbare regels van het fat soen, ook de valse en de hypocriete, is bijna geestig. Bovendien kon hem een gevoel voor theater niet worden ontzegd, zoals hij demonstreerde toen hij bananen liet inzamelen voor het 'economisch zieke Groot-Brittannië’, waarvan hij de koningin steevast 'zijn voormalige opperbevelhebster’ noemde.
Het is tragikomisch te horen dat de voormalige dictator ook vandaag de dag nog niet begrijpt waarom er niet positiever werd gereageerd op zijn talrijke telegrammen. Zoals die naar Wald heim, de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties. In een daarvan prees hij de Palestijnse terroristen die de Israelische deelnemers aan de Olympische Spelen hadden vermoord, in een ander verklaarde hij dat Hitler er goed aan had gedaan 'die zes miljoen joden op te ruimen, want de Israeli’s werken niet in het belang van de volkeren van de wereld’. (Amin had overigens vergevorderde plannen om in Kampala een gigantisch standbeeld van Hitler te laten neerzetten.) Anderen heb ben gelachen om weer andere telegrammen, zoals die aan president Nyerere van Tanzania, waarin Amin, gezworen vijand, schreef: 'Ik houd erg veel van je en als je een vrouw was zou ik er zelfs aan denken met je te trouwen, ook al heb je grijze haren op je hoofd.’
Maar waaróm wordt er eigenlijk gelachen? Waarschijnlijk omdat Idi Amin in zijn eentje alle vooroordelen over Afrikanen in zich verenigt. Amin is onberekenbaar, analfabeet, sportief, viriel, goedgehumeurd, incompetent en gewelddadig. Deze combinatie maakt hem tot het prototype van de lachwekkende despoot, waardoor hij zo aantrekkelijk is voor niet-Afrikaanse auteurs. Het is niet voor niets dat de wetenschapper Martin Jamison enkele jaren van zijn leven gaf om een 145 pagina’s tellende bibliografie samen te stellen van werken over de persoon en heerser Idi Amin Dada. De door Jamison geordende titels, zowel fictie als nonfictie, zijn in twee categorieën te verdelen: boeken die door Afrikanen zijn geschreven en boeken van de hand van Amerikanen en Europeanen. Dit is niet alleen een formeel onderscheid, het weerspiegelt ook de verschillende wijzen waarop al dertig jaar over Amin wordt geschreven. Terwijl Afrikaanse schrijvers over het algemeen proberen een serieus beeld te geven van de haat, argwaan, fraude, onverschilligheid en het verlies van normen en betekenissen ten tijde van Amins regime, lijken westerse schrijvers meer geïnteresseerd in de buitenissige aspecten van Amins karakter dan in de aard van zijn regime.
BEHALVE HET TWEE weken geleden met veel bombarie gepresenteerde Slangenkuil van de Oegandees-Nederlandse auteur Moses Isegawa, verscheen al voor de zomer een ander boek over Idi Amin. Het heet Idi Amin: in de wereld van een Afrikaans despoot en is van de Nederlandse journalist Marc Broere. De verschijning ervan geschiedde beduidend geruislozer en achteraf gezien blijkt dat niet ten onrechte. Het boek past feilloos in de tweedeling in de literatuur over Idi Amin. Ook Broere, hoewel hij al jaren in Afrika verkeert en al die tijd over het continent schreef, bleef zijn Europese wortels trouw. Hij kon het niet laten: ondanks zijn ergerlijke sympathie voor de maarschalk, blijkt zijn 'zoektocht door de wereld van deze Afrikaanse despoot’ niets meer dan een verzameling van bestaande - en eerder opgeschreven - anekdoten die over Amin de ronde doen. Bovendien moet de lezer er geen been in zien dat hij vooral ook over Marc Broere te weten komt. Verlost van het journalistieke gebruik de 'ik-vorm’ te vermijden, noemt Broere zichzelf in bijna elke regel. Hij beschrijft minutieus hoe hij zijn afspraken maakt, hoe lang hij op een gesprekspartner moet wachten, waar hij in de tussentijd over denkt en wat hij de avond tevoren nog over de despoot heeft gelezen.
Broere wenst voortdurend begrip te kweken voor zijn gesprekspartners, veelal ex-maten van Amin en zwelgt in hun aandacht. Hij heeft vriendschap gesloten met de bad guys en verklaart daardoor zaken boven tafel te hebben gebracht die anders verborgen zouden zijn gebleven. Verborgen voor wie, vraag je je af, of het moet zijn dat Broere ervan uitgaat dat niemand ooit een ander boek over Amin zal raadplegen.
De vraag luidt natuurlijk: hoe dan wel? Hoe heeft Moses Isegawa het ervan afgebracht in zijn poging de Oegandese terreur van de jaren zeventig te portretteren? Zijn vorige boek toonde aan dat hij ertoe in staat is. Amin fungeerde hierin als imaginaire 'peetvader’ van de hoofdpersoon, de opgroeiende jongen Moegezi. Ongelukkig met zijn onredelijk strenge ouders was Amin voor Moegezi de personificatie van de man die niet met zich laat sollen. Zo wilde hij zijn. Een man die het in zijn eentje opneemt tegen het Westen en het Oosten tegelijk en die, als negenvoudig nationaal bokskampioen zwaargewicht, iedereen aanraadt de tegenstander altijd knock-out te slaan, 'zodat je zeker weet dat je na de wedstrijd niet wordt genoemd door de jury’.
HET HAD OVERIGENS niet veel gescheeld of dit boek, Isegawa’s debuut Abessijnse kronieken, had het publiek nooit bereikt. Twee jaar geleden stuurde Isegawa vanuit Beverwijk, waar hij al sinds 1990 woont, een dik pakket in het Engels getypte vellen naar diverse uitgevers in Nederland, begeleid met een in krakkemikkig Nederlands geformuleerd briefje. Prometheus, de Arbeiderspers en Querido stuurden het met het gebruikelijke briefje terug, maar De Bezige Bij durfde het wel aan. Een redacteur was gegrepen door de panoramische vertelling over een gewelddadige jeugd in Oeganda, de terreur van een uitgewezen non, de hebzucht van de Afrikaanse maffia, de lulligheid van het ontwikkelingswerk en de schijnheiligheid van de katholieke leraren op het seminarie. De redacteur liet Abyssinian Chronicles vertalen en het succes dat daarop volgde mag bekend worden verondersteld: het haalde zelfs onlangs het NOS-journaal.
Het boek werd een hype. Het werd al vergeleken met het werk van Márquez, Rushdie, en zelfs Naipaul. Toch waren lang niet alle Nederlandse critici lovend in hun oordeel. Er klonken bezwaren tegen een 'teveel’ aan anekdotiek, over een 'gebrek aan eenheid’ en over een te overdadige beeldspraak. Eén recensent noemde Nescio zelfs als norm in zijn bespreking van dit panoramische, Afrikaanse epos van zeshonderd bladzijden, geschreven in een rijke, uitbundige stijl.
Opnieuw bleek dat voor menig Hollands recensent het belangrijkste criterium nog altijd luidt: 'geen woord te veel’. Elsschot, Nescio en in mindere mate ook schrijvers als Hotz, Vegter, Alberts en Arends, ze moeten worden geprezen voor hetgeen ze weglieten, voor hetgeen ze niet schreven ('schrijven is schrappen!’). Daarom heeft een uitbundige, barokke stijl al bij voorbaat geen kans van slagen.
In Abessijnse kronieken gebruikte Isegawa ongetwijfeld veel te veel woorden. Opvallend genoeg hadden de recensenten van buitenlandse literatuur, niet bezwaard door de geheiligde set criteria van de Hollandse recensent, geen enkel probleem met Isegawa’s stijl. Steinz van NRC Handelsblad meende zelfs dat Abessijnse kronieken zijn kracht juist ontleende aan de stijl en aan de exuberante beeldspraak. En het is waar: wanneer Isegawa twintig keer een verbaal schot afvuurde, was het niet altijd raak, maar de keren dat Isegawa doel trof, bleef de lezer wel getroffen achter.
Na hun vorige leeservaring lieten de meeste recensenten van de vaderlandse letteren het nieuwe boek van Isegawa links liggen. Niet nog een keer zo'n gevaarte, hoor je ze denken. Ook Slangenkuil is oorspronkelijk in het Engels geschreven en daar zijn ze niet van. Geluk voor Isegawa, zou je zeggen. Toch heeft het er alle schijn van dat hij zich juist iets van de Nederlandse kritiek heeft aangetrokken. Zijn stijl is in Slangenkuil onmiskenbaar versoberd. En dat is jammer, want juist die weelderige, barokke stijl was imponerend. In meer opzichten is Slangenkuil een ander boek geworden dan de schelmenroman Abessijnse kronieken, waarin de wereld werd beschreven vanuit het perspectief van een opgroeiende, opstandige jongen in het Oeganda van de jaren zeventig. In Slangenkuil heeft Isegawa de eerste persoon enkelvoud losgelaten en is er een alwetende verteller aan het woord die enkele uiterst kleurrijke personages volgt.
Wat wel hetzelfde is gebleven in Slangenkuil is dat opnieuw alles draait om macht, in al haar gedaanten en vervormingen. Doodsangst, argwaan, euforie en geluk - ze krijgen bij Isegawa slechts betekenis in het licht van de macht. Dit heeft hij in Slangenkuil nog verder en doeltreffender uitgewerkt dan in zijn vorige boek.
Het gevecht om de macht is er voor iedereen. Zelfs de hoofdpersoon Bat Katanga doet eraan mee. Hij is een jonge man die, hoewel ogenschijnlijk een macho, niet van strijd houdt en zich zo goed en kwaad als dat kan conformeert aan de bestaande macht, hoe die er ook uitziet. Ook de ogenschijnlijk lethargische broer van de hoofdpersoon blijkt uiteindelijk zijn eigen gevecht om de macht te hebben gestreden. Hij gaat in het verzet om zijn broer alsnog te kunnen verslaan. Vrouwen strijden bij Isegawa om een plek aan de zijde van een man, een Engelse crimineel vecht zich een weg naar de politieke top en ook Victoria, een spionne van de geheime inlichtingendienst, weet haar leven altijd weer zo'n draai te geven dat ze opnieuw in vol ornaat deelneemt aan de machtsstrijd.
Over Bat Katanga lezen we nog het meest. Hij heeft in het buitenland gestudeerd en na een sollicitatiegesprek in een gepantserde helikopter wordt hij de belangrijkste man op het ministerie van Energie en Communicatie. Tijdens een reis in Saoedi-Arabië wordt hem een enorm bedrag aan steekpenningen aangeboden dat hij niet kan weigeren. Niet door de hoogte van het bedrag, maar omdat de Saoedi’s hem in Oeganda iets zullen aandoen indien hij weigert. Hij vertelt het aan niemand, maar belandt later wel in de gevangenis en komt daar alleen maar uit dankzij de hulp van een Engelse parlementariër die hij nog kent uit zijn tijd in Cambridge.
Zijn directe baas is generaal Bazooka, het kleurrijkste personage uit het boek. Het is deze man die het sollicitatiegesprek met Bat voert en hij is het ook die Bat later in de gevangenis gooit. Door deze man ontmoet Bat zijn vriendin Victoria, de spionne, en door deze man leert de lezer Amin en zijn entourage kennen. Generaal Bazooka werpt een interessant licht op het fenomeen van sociale mobiliteit: hij is de verpersoonlijking van de taxichauffeur aan de macht. Door hem krijgt de lezer een glimp te zien van de problema tiek van Oeganda, en misschien zelfs van een groot deel van Afrika.
Wat Isegawa over deze generaal weet te vertellen, grenst aan het absurde. Hij beschrijft de feestjes die de generaal organiseert, want om de spanning van de macht zo nu en dan te breken, hield generaal Bazooka gigantische orgieën. Tijdens deze orgieën werd tijd vrijgemaakt voor duels in kogelvrije vesten, voor een rondje Russische roulette en een wedstrijd vogeltjes afschieten. Soms, als de gasten al helemaal laveloos waren, liepen zij de tuin in om gebroederlijk op de sterren te schieten. 'Andere keren piste iedereen de hele avond in de badkuip, en dan werd er aan het einde van het feest gedobbeld en moest de verliezer zich uitkleden en een bad nemen in de pis.’ Ook waren er keren dat de generaal 'dronken in zijn broek piste en scheet. Dan moest zo'n vrouw die er voor hem was hem uitkleden en de troep opruimen. Terwijl zij zich inspande, keek hij toe en vuurde nu en dan vloekend zijn pistool af. Zijn lijfwachten genoten van de ophef en in aangrenzende kamers was hun gelach te horen.’
ISEGAWA WEET DE lezer onder te dompelen in het regime van Amin door de beweegredenen, achtergrond en statuur van deze generaal volstrekt serieus te nemen. Hij heeft de oorzaak van zijn gemoedsrust doorgrond en laat hem ergens denken, wanneer de generaal vanuit zijn auto enkele burgers voorbij ziet fietsen: 'Ze deden hem denken aan zijn slachtoffers; voor hen had hij ook geen ontzag. Eens was hij net als zij geweest: een machteloos slachtoffer, tot zijn nek in de stront. Kijk wat er met hem was gebeurd! Nu scheet hij anderen onder. Hij wist heel goed dat ze als ze de kans kregen ze hem zouden aandoen wat hij hun aandeed. Oog om oog. Dat gaf hem zijn gemoedsrust.’
Moses Isegawa deed iets anders dan Marc Broere. Hij docu menteerde geen louche vriendschappen maar schreef een roman. En met succes, want nog los van de ontwikkeling van de personages en het relaas van het verhaal geeft deze roman wél een goed beeld van de wereld van Idi Amin. Isegawa toont een terreurbewind waarin niet de ideologische ernst centraal staat, zoals in de meeste communistische dictaturen, maar waarin het feest, de 'goede’ grap en het triomfantelijke de boventoon voeren. Opvallend hierbij is dat Idi Amin op de achtergrond opereert. Hij zit verscholen achter alles wat er in Slangenkuil geschiedt, maar hij is zelden direct op het toneel te ontwaren.
Waar velen niet verder kwamen dan het karikaturiseren van Amin loodst Isegawa ons door een labyrint van onderhoudende vertellingen, op het spoor van een gruwelijk systeem, acht jaar lang geleid door een potentaat met grillige trekken. Marc Broere beschrijft in zijn boek die trekken, maar verschaft geen enkel inzicht in de wezenskenmerken van Amins terreur. Door de wederwaardigheden te schetsen van zoveel verschillende personages laat Isegawa zien hoe de totale structuur van de Oegandese samenleving in korte tijd volledig kon worden afgebroken door een heerser als Idi Amin en zijn analfabete vrienden.
Het gaat Isegawa niet om het 'verlies van menselijke waardigheid’ maar veeleer om de teloorgang van regels waarin het geweten wordt weerspiegeld. Gewetenloosheid blijft volkomen ongestraft, waardoor de voorspelbaarheid van moreel gedrag is weggeslagen. Gecombineerd met ongebreidelde machtszucht van ongeletterde barbaren levert dat een apocalyptische wereld op waarin slechts weinigen zich prettig voelen. Zelfs Generaal Bazooka pleegt uiteindelijk zelfmoord. Hoe zou Broere, met al zijn begrip voor de denkwereld van de daders, zich voelen in het Oeganda van Moses Isegawa?