De Reconstruction van 2020

Het land bevrijden

Na de Amerikaanse Burgeroorlog verzette het zuiden zich met geweld tegen gelijke burgerrechten voor de zwarte bevolking. Het wit-nationalistische discours en de gewelddadige methodes uit de tijd van de Reconstruction leven 150 jaar later op. Wat leert die periode van toen ons over het Amerika van vandaag?

Een Proud Boy vuurt met een paintballgeweer op deelnemers aan anti-politieprotesten in Portland, Oregon. 22 augustus © Nathan Howard / Getty Images

De Verenigde Staten zijn tot op het bot verdeeld. Een substantieel deel van de witte bevolking verzet zich tegen de toenemende roep om volwaardige rechten door de zwarte bevolking. Steeds vaker resulteert dat in gewelddadige uitbarstingen, waarbij de lokale autoriteiten de greep op de ordehandhaving lijken te verliezen. De partij die zich achter die rechten voor alle burgers schaart, wordt door conservatieve witte activisten weggezet als politiek vehikel voor opportunistische politieke elites. De andere partij werpt zich op als de beschermer van de rechten van de gewone witte man, en schuwt geen middel om tegenstanders het stemmen onmogelijk te maken. In de aanloop naar de verkiezingsdag leidt straatgeweld en intimidatie tot chaotische situaties en in verschillende staten wordt de uitslag van de verkiezingen betwist. Beide kandidaten eisen de overwinning op en een machtsvacuüm, en zelfs een tweede Burgeroorlog, lijkt steeds reëler.

Dit is geen blik op de presidentsverkiezingen van 2020, maar een terugblik op die van 1876. Destijds wist een commissie van wijze mannen een compromis te smeden dat een eind maakte aan de progressieve raciale hervormingspolitiek die volgde op de Amerikaanse Burgeroorlog, de zogeheten Reconstruction-periode tussen 1865 en 1876. In ruil voor politieke stabiliteit en het presidentschap beloofden de Republikeinen – toen de partij die zich hard maakte voor raciale gelijkheid – zich niet meer te bemoeien met de rassenverhoudingen in de zuidelijke staten. Dit luidde het begin in van de segregatiepolitiek waar pas honderd jaar later, met de Burgerrechtenbeweging van de twintigste eeuw, een einde aan zou komen.

Een sprong naar het heden. Eerder deze maand rolde de fbi een rechts-extremistische terreurcel op, met vergevorderde plannen om de Democratische gouverneur van Michigan, Gretchen Whitmer, te kidnappen en ‘berechten’ voor ‘verraad’ – waarschijnlijk haar steun voor de Black Lives Matter-protesten. Het was slechts een van een groeiende reeks al dan niet verijdelde rechts-extremistische geweldsincidenten. President Trump weigert consequent om die te veroordelen en riep de rechts-extremistische Proud Boys-militie zelfs op om ‘terug te treden en klaar te staan’. Ondertussen blijft hij de integriteit van de verkiezingen in twijfel trekken, zijn aanhangers aanmoedigen om burgers in ‘Democratische’ districten het stemmen te belemmeren en twijfel zaaien over de vraag of hij de uitslag accepteert als hij verliest.

De parallellen tussen de twee verkiezingen zijn niet toevallig. Zowel rechts-extremistisch geweld tegen minderheden die gelijke rechten opeisen als het juridisch en procedureel ondermijnen van het kiesrecht van diezelfde minderheden vormen een duistere rode draad door de Amerikaanse geschiedenis. Maar zelden hebben die twee geleid tot een vergelijkbaar giftige cocktail als destijds en als nu, waarbij de institutionele fundamenten van de democratische legitimiteit van het land op het spel staan. Om de huidige situatie te begrijpen, moeten we daarom terug naar die Reconstruction-periode.

Reconstruction betekent zowel verbouwing als restauratie – iets vernieuwen, of iets in oude orde herstellen. Die dubbelzinnigheid weerspiegelt de twee belangrijkste politieke doelstellingen van het zegevierende noorden, na vier jaar bloedige strijd. Enerzijds wilden noordelijke politici het land verzoenen en de nationale eenheid en politieke instituties herstellen. Anderzijds wilden zij – althans sommigen – diezelfde instituties openbreken, om daarin vier miljoen voormalig tot slaaf gemaakte zwarte Amerikanen op te nemen als volwaardige burgers.

Al snel bleken deze doelstellingen onver-enigbaar. Elke poging de burgerrechten van de zwarte bevolking in het zuiden te beschermen, werd beantwoord met gewelddadig verzet door de witte bevolking. Dat stelde het noorden voor een dilemma: om serieus werk te maken van gelijke rechten voor de zwarte bevolking zou het zuiden langdurig militair moeten worden bezet, als een vijandige natie. Dat zou verzoening onmogelijk maken. Het noorden moest dus kiezen: Amerika hervormen of herenigen, maar niet allebei.

Trump dankt zijn politieke succes voor een groot deel aan het kanaliseren van een vergelijkbaar ressentiment van conservatief wit Amerika tegen de steeds luider klinkende eis van minderheden om volledige gelijkwaardigheid. Daarbij speelt hij in op een zelden uitgesproken, maar diepgewortelde wit-nationalistische onderstroom in de Amerikaanse politieke cultuur. Bij ‘Amerika’ denken veel mensen vooral aan een visie van inclusiviteit, civiel nationalisme, gesymboliseerd door de belofte in de onafhankelijkheidsverklaring dat ‘alle mensen als gelijken worden geschapen’ met ‘onvervreemdbare rechten’. Maar een exclusief, wit-nationalistische ideologie heeft altijd een minstens zo grote rol gespeeld. Daarin behoren uitsluitend de nazaten van Europese migranten tot ‘We the people’, die zich in de Amerikaanse grondwet tot natie vormden, met het recht op politieke zelfbeschikking. Witte politici die lonken naar de stemmen van niet-witte kiezers zijn dan in het beste geval opportunistische zakkenvullers, en in het slechtste geval verraders van de ware Amerikaanse natie.

Zolang de meeste niet-witte inwoners van het land in slavernij leefden, was deze visie vooral impliciet. Het wit-nationalisme kreeg daarom pas duidelijk vorm tijdens de Reconstruction, toen de miljoenen bevrijde zwarte inwoners een plaats in de samenleving moesten krijgen. In eerste instantie reageerden conservatieve milities met een golf van openlijke terreur. Maar toen dit leidde tot een ongekend hard ingrijpen van de federale overheid, leerden zij al snel hun racistische motieven te verhullen in retoriek over lokaal zelfbestuur, economische vrijheden en corruptiebestrijding.

Aanhangers van deze ideologie konden en kunnen zich zo presenteren als de ware hoeders van de Amerikaanse idealen van (lokaal) zelfbestuur en vrijheid. Dergelijke retoriek maakte het bovendien makkelijker voor meer gematigde conservatieven om toe te geven aan hun eisen, en daarmee de stabiliteit van het land te waarborgen. Toen puntje bij paaltje kwam, koos het land in 1876 voor verzoening tussen witte Amerikanen, ten koste van de politieke en burgerrechten van zwarte landgenoten. De diepe politieke wonden die toen geslagen werden, zijn nooit geheeld en scheuren, na 150 jaar onderhuids etteren, nu weer open.

Ineens schalde een sirene over de stad, het teken voor zwaarbewapende politie- en brandweermannen om zich bij een groep witte tegendemonstranten te voegen

Aan het eind van de Burgeroorlog heerste onder de zwarte bevolking in het zuiden een jubelstemming. Na generaties slavernij verwachtten zij eindelijk als gelijkwaardige burgers opgenomen te worden in de Amerikaanse natie – de viering hiervan op Juneteenth is voor veel Afro-Amerikanen nog altijd een belangrijkere feestdag dan Fourth of July. Al snel lagen de kaarten anders. De moord op Abraham Lincoln bracht zijn aartsconservatieve vicepresident Andrew Johnson aan de macht. Die zag er geen been in om de politieke macht in de zuidelijke staten terug te geven aan de traditionele witte elites. Die voerden prompt ‘Black Codes’ in, wetten waarmee zij de individuele macht van de eigenaar over zijn slaven eenvoudigweg vervingen door een haast even grote collectieve macht van de witte gemeenschap als geheel over de zwarte gemeenschap als geheel. In het noorden zag men dit met lede ogen aan. Daar hadden zij toch niet vier jaar lang voor gevochten? Maar een oplossing lag niet direct voor de hand. Niet alleen moest de macht van de president worden omzeild, ook lag zo’n verregaande federale inmenging in de autonomie van de deelstaten uitermate gevoelig.

De omslag kwam in de zomer van 1866. In New Orleans waren enkele tientallen zwarte afgevaardigden bijeengekomen, in een uiterste poging zwart stemrecht op te nemen in de grondwet van Louisiana. Buiten trotseerden enkele honderden zwarte medestanders de hitte om hen te ondersteunen met een protestmars. Ineens schalde een sirene over de stad, het teken voor zwaarbewapende politie- en brandweermannen om zich bij een groep witte tegendemonstranten te voegen. De meute stortte zich schreeuwend en tierend op de ongewapende zwarte betogers en opende het vuur. Minstens 34 zwarte activisten en drie van hun witte medestanders bekochten hun politieke betrokkenheid met de dood.

Het bloedbad schokte de noordelijke publieke opinie dusdanig dat er brede steun ontstond voor relatief vergaande maatregelen. De radicale vleugel van de Republikeinen wist een tweederdemeerderheid in het Congres te smeden, en omzeilde daarmee het veto van Johnson. Zij plaatsten de zuidelijke deelstaten onder militaire curatele, die pas zou worden opgeheven als zij zwart stemrecht in hun constituties zouden opnemen.

De witte bevolking liet zich haar sociale, politieke en economische dominantie echter niet zomaar ontnemen. Een belangrijke rol in het ontluikende verzet was weggelegd voor een vriendenclub van veteranen uit Pulaski, Tennessee. Zij hadden zichzelf schertsend de Ku Klux Klan gedoopt en trokken er in carnavaleske kostuums op uit om de lokale zwarte bevolking te terroriseren, vooral diegenen die gebruik wilden maken van hun politieke rechten of economisch onafhankelijk wilden worden van een witte broodheer. Deze uiterst effectieve strategie vond navolging en ‘gekukluxt worden’ was al snel de grote vrees voor zwarte Amerikanen in het zuiden.

De geweldscampagne kwam tot een hoogtepunt tijdens de presidentiële verkiezingscampagne van 1868, toen in enkele maanden tijd meer dan duizend politieke moorden plaatsvonden. Vele duizenden werden bovendien slachtoffer van mishandeling of van economische pressie door de machtige plantage-eigenaren, die niet schroomden om zwarte werknemers zonder uitbetaling weg te sturen als ze het waagden van hun stemrecht gebruik te maken.

Cartoon naar aanleiding van de rassenrellen in New Orleans (New Orleans Massacre) in 1866, waarbij vele Afrikaans-Amerikaanse aanwezigen van de Radical Republicans Convention werden vermoord door politieagenten © Thomas Nast / Library of Congress

De Ku Klux Klan (KKK) profiteerde van het zeer gedecentraliseerde bestuur van de VS in de negentiende eeuw. De federale overheid stond op grote afstand van de burger en had nagenoeg geen mandaat – laat staan capaciteit – voor opsporing en vervolging van misdaden. Zelfs de gouverneurs van de staten hadden beperkte middelen tot hun beschikking. Rechtshandhaving lag van oudsher in handen van de lokale gemeenschap. Een gekozen sheriff was verantwoordelijk voor opsporing en ordehandhaving, bijgestaan door lokale vrijwilligers die hij op de been kon roepen als posse comitatus. Vervolging en berechting lagen in handen van eveneens lokaal verkozen procureurs en rechters en natuurlijk een jury. Overheden waren bovendien afhankelijk van belastinginkomsten uit onroerend goed dat vrijwel allemaal in handen was van een kleine coterie van witte grootgrondbezitters.

Hoe de praktijk was, wordt geïllustreerd door het voorbeeld van Sam Watson. In de provinciestad Shreveport durfde hij als enige zwarte man zijn stem uit te brengen. Diezelfde avond stapten twee witte mannen op zijn appelkraam af en schoten hem door zijn hoofd. Aaron B. Levissee, een idealistische en ambitieuze lokale rechter, liet de daders oppakken. Ondanks dreigementen van de lokale Klan-leider veroordeelde hij hen tot levenslange dwangarbeid, maar bij het verlaten van de rechtszaal liet de sheriff de mannen ontsnappen. Slechts een van hen werd weer opgepakt. Hoewel er alleen al in Louisiana honderden politieke moorden op de zwarte bevolking plaatsvonden tijdens de Reconstruction, blijft dit het enige gedocumenteerde geval waarbij iemand veroordeeld en gestraft is door een lokale rechtbank. Zolang de Klan-leden steun genoten vanuit de lokale witte gemeenschap konden zij hun gang gaan.

Dat is tegenwoordig wel anders. De fbi en andere federale opsporingsinstanties hebben een breed mandaat en welhaast onbeperkte middelen tot hun beschikking voor het aanpakken van terrorisme. En ondanks Trumps min of meer openlijke steun aan rechts-extremistische milities kunnen opsporingsdiensten vooralsnog effectief optreden – gouverneur Whitmer is uiteindelijk niet gekidnapt. Openlijk geweld geniet weinig steun onder de gevestigde elites, zelfs die aan de verre rechterzijde van het politieke spectrum. Dat is nogal een verschil met de Reconstruction, toen prominente politieke en maatschappelijke leiders in het zuiden vaak zelf deelnamen aan het Klan-geweld, of op een andere manier de organisatie steunden in woord en daad. Liever verhullen veel conservatieve witte Amerikanen racistische ideeën in retoriek rond goed bestuur, law and order, economische zelfbeschikking of veronderstelde kiesfraude. De meest in het oog springende parallel met nu is dan ook niet de openlijke terreur van de vroege Reconstruction, maar het slinksere en meer onderhuidse verzet dat een paar jaar later opkwam en er uiteindelijk in slaagde om vrijwel alle verworvenheden voor de zwarte bevolking van na de Burgeroorlog teniet te doen.

Als de verkiezingen in hun ogen ‘gestolen’ zijn, zullen de witte nationalisten alle registers opentrekken om het land te ‘bevrijden’

Ondanks de terreur in het zuiden won de gematigd progressieve oorlogsheld Ulysses S. Grant in 1868 met gemak de presidentsverkiezingen, waarna de rust enigszins leek terug te keren. Het leger kreeg eindelijk greep op de kkk en in het zuiden kalfde de steun voor de Klan geleidelijk af. Met de invoering van het veertiende en vijftiende amendement werden respectievelijk gelijke burgerrechten en het kiesrecht voor de zwarte bevolking in de Amerikaanse grondwet verankerd. Daarmee, zo hoopten velen in het noorden, was het hervormingswerk afgerond en kon de militaire bezetting van het zuiden beëindigd worden. Zwarte Amerikanen zouden nu hun belangen kunnen behartigen via rechtbank en stembus – net als andere Amerikanen. Enkele jaren leek dat ook vrij aardig te lukken. Zuidelijke staten stuurden zelfs zwarte afgevaardigden naar het Congres in Washington en ook in het lokale bestuur en de juryrechtspraak raakten ze steeds meer geïntegreerd.

Maar dat succes bleek van korte duur. Zodra de militaire curatele ten einde kwam, konden traditionele witte elites hun dominantie in de meeste zuidelijke staten via de stembus herstellen. In enkele staten waar een zwarte meerderheid was – met name Louisiana, Mississippi en South Carolina – lag dat ingewikkelder. Daar laaide politiek geweld en intimidatie weer op. Minder theatraal en grootschalig, maar des te effectiever. Organisaties met namen als de White League, Red Shirts of Rifle Club pre-senteerden zich als keurige politieke clubs die zich hard maakten voor bestuurlijke integriteit, lagere belastingen en het herstel van lokale autonomie.

Achter de schermen maakten zij veelvuldig gebruik van intimidatie en gerichte aanslagen tegen zwarte (en in enkele gevallen ook witte) leiders van de Republikeinse Partij. Publiekelijk distantieerden zij zich van het geweld, dat zogenaamd altijd door onbekende buitenstaanders, meestal uit een andere staat, werd gepleegd. Tegelijkertijd legitimeerden zij het geweld als een betreurenswaardig maar begrijpelijk exces, in reactie op wanbestuur door incompetente en opportunistische politici, die misbruik maakten van een ongeschoold en naïef zwart electoraat. Deze retoriek vond in toenemende mate weerklank in het noorden, waar steeds minder animo bestond voor het militair beschermen van zwarte burgers die nu toch immers volledig gelijkwaardige rechten hadden. Een serie politieke schandalen rond de regering van Grant, een diepe economische recessie en een groeiende vraag naar militaire capaciteit om de al eeuwen durende genocide op de inheemse bevolking in het ‘Wilde Westen’ te voltooien, deed de steun voor kostbare militaire inzet aan het begin van de jaren 1870 nog verder afbrokkelen.

Bij de verkiezingen van 1876 maakte, voor het eerst sinds de Burgeroorlog, de Democratische presidentskandidaat, Samuel Tilden, een serieuze kans. Maar dan zou hij wel in alle zuidelijke staten moeten winnen. Op veel plaatsen maakten witte militanten het hun zwarte medeburgers daarom onmogelijk om te stemmen. In antwoord hierop riepen de Republikeinen ondoorzichtige kiescommissies in het leven, met verregaande bevoegdheden om stemmen ongeldig te verklaren. Beschuldigingen van fraude en bedrog vlogen na afloop over en weer. In meerdere staten werd de uitkomst betwist, waardoor geen van beide kandidaten een meerderheid had in het kiescollege.

Er volgden chaotische maanden vol politieke list en bedrog. Een poging om leden van de kiescommissie in Florida om te kopen mislukte alleen omdat de landelijke Democratische Partij hiertoe opdracht gaf aan één lokale fixer, in een geheimcode die was bestemd voor een andere fixer. Steeds openlijker werd er gespeculeerd over een tweede Burgeroorlog. Pas op het laatste moment werd het compromis bereikt dat beide partijen schoorvoetend accepteerden: de Republikein Hayes als president in ruil voor terugtrekking van alle troepen uit het zuiden. De al langer tanende idealistische hervormingsagenda van de Reconstruction kwam zo ten einde.

Bijna 150 jaar later waarschuwen steeds meer binnenlandse en buitenlandse commentatoren voor grootschalig verkiezingsgeweld in de VS, zoals dat sinds het eind van de Reconstruction niet meer is voorgekomen. In tegenstelling tot toen beperkt dergelijk geweld zich allang niet meer tot de zuidelijke staten, maar heeft de wit-nationalistische visie zich over heel Amerika verspreid. Dit is voor een belangrijk deel te danken aan een generatie historici onder leiding van William Archibald Dunning. Zij presenteerden rond 1900 de zuidelijke propaganda van de Reconstruction als historische werkelijkheid. De pogingen om zwarte Amerikanen gelijke rechten te verschaffen was volgens hen een tragische vergissing geweest, waarbij opportunistische en corrupte gelukszoekers uit het noorden de diepgewortelde Amerikaanse traditie van lokaal zelfbestuur met voeten hadden getreden. Zij misbruikten en manipuleerden zogenaamd de naïeve en ongeschoolde zwarte stemmers, die, zo insinueerden zij, inherent ongeschikt waren voor democratie. De zwarte bevolking zou zelf ook gelukkiger zijn aan de leiband van het goedwillende paternalisme van hun witte buren.

Deze ‘Dunning’-interpretatie van de Reconstruction raakte diep verankerd in het Amerikaanse collectieve bewustzijn dankzij het ongekende succes van Birth of a Nation (1915). Deze film schilderde de Ku Klux Klan af als dappere verzetsstrijders die de deugdzame witte gemeenschap ternauwernood redden van corrupte noordelijke bezetters en de hordes zwarte mensen die door hen waren opgehitst. In reactie op de film werd de Ku Klux Klan in hetzelfde jaar nieuw leven ingeblazen. Nu niet als schimmige terreurorganisatie, maar als een trotse club met miljoenen leden (onder wie relatief veel politiemannen) die openlijk ageerden voor het wit-nationalistische gedachtegoed. De Dunning-interpretatie van de Reconstruction bleef tot ver in de jaren zeventig volkomen gangbaar in Amerikaanse schoolboeken, en heeft zo de kijk van Trump en zijn mede-babyboomers op de Amerikaanse geschiedenis grotendeels gevormd.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte het wit-nationalistische gedachtegoed bovendien steeds nauwer verweven met de Republikeinse Partij. In 1964, bijvoorbeeld, organiseerden Republikeinen operatie Eagle Eye, waarbij partijvrijwilligers werden opgeroepen stemlokalen te ‘bewaken’ tegen vermeende fraudeurs. In de praktijk kwam dit neer op verregaande intimidatie van niet-witte kiezers. Dit waren bepaald geen extremistische randfiguren binnen de partij. De succesvolle uitvoering in Arizona stond bijvoorbeeld onder leiding van de jonge advocaat William Rehnquist, die ruim twintig jaar later door Ronald Reagan benoemd zou worden tot opperrechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof. In de aanloop naar de verkiezing van Reagan in 1980 wond de conservatieve ideoloog Paul Weyrich er geen doekjes om: ‘I don’t want everybody to vote. (…) our leverage in the elections quite candidly goes up as the voting populace goes down.’

Zo bezien is er niets schokkends aan Trumps waarschuwing dat voorstellen van Democratische volksvertegenwoordigers om stemprocedures te vereenvoudigen zouden leiden tot ‘levels of voting that if you’d ever agreed to it, you’d never have a Republican elected in this country again’. Hij zegt simpelweg hardop wat de meeste Republikeinse politici al decennia onderling fluisteren. Hij put daarbij uit een diep reservoir van wit ressentiment tegen gelijke rechten voor minderheden en wantrouwen tegen politici die zich hier hard voor maken. Ondertussen weten we uit onderzoek dat zijn campagne in 2016 drieënhalf miljoen zwarte stemmers via digitale propaganda probeerde weg te houden bij de stembus. En ook nu weer probeert hij op alle mogelijke manieren de legitimiteit van de verkiezingen in twijfel te trekken – met name de stemmen van minderheden. Door te weigeren de uitslag van de verkiezingen op voorhand te erkennen; door zonder enig bewijs de geldigheid van briefstemmen in twijfel te trekken; door een ‘leger’ vrijwilligers op te trommelen om de stembussen te ‘bewaken’ tegen vermeende fraude.

Mocht Trump verliezen en dat weigeren te erkennen, dan zal 2020 nog meer lijken op 1876. Veel zal dan afhangen van de steun voor zijn verzet onder Republikeinse Congresleden, maar ook van gouverneurs en deelstaatparlementen die verantwoordelijk zijn voor het afvaardigen van leden van het kiescollege. Als zij hem op grote schaal steunen, zal er namelijk net zo’n patstelling ontstaan als in 1876, waarbij geen van beide kandidaten een onbetwiste meerderheid van de kiesmannen kan claimen. In het veel diversere en ideologisch gepolariseerde Amerika van 2020 is een akkoordje tussen witte elites om de lieve vrede te bewaren ten bate van hun eigen machtspositie nauwelijks denkbaar. Maar als Trumps termijn op 20 januari 2021 afloopt en geen van beide kandidaten zijn verlies heeft erkend, ontstaat een onheldere en gevaarlijke situatie. Het is dan niet ondenkbaar dat wit-nationalisten, die toch al een diep wantrouwen koesteren tegen de federale overheid, in de verleiding komen om op lokaal niveau de macht te grijpen – zoals in 1876.

Maar ook als de Republikeinse Partij Trump laat vallen zal de stabiliteit in het land niet zomaar terugkeren. Trump zal dan ongetwijfeld tweet voor tweet de legitimiteit van zijn opvolger ondermijnen bij de harde, wit-nationalistische kern van zijn aanhang. Als de verkiezingen in hun ogen ‘gestolen’ zijn, zullen zij alle registers opentrekken om het land te ‘bevrijden’, zoals de Klan in hun ogen heeft gedaan in de jaren 1860. Dankzij de Amerikaanse wapenwetgeving beschikken zij bovendien over een groot arsenaal aan schiettuig en velen zijn geharde veteranen van de langdurige oorlogen in Irak en Afghanistan.

Als milities besluiten tot terreur tegen de federale overheid, is die nauwelijks geëquipeerd om daarmee om te gaan. Tegen geïsoleerde terreurincidenten is de fbi uitstekend opgewassen, maar een langdurig en wijdverbreid verzet zal leiden tot intense debatten over de reikwijdte en wenselijkheid van federale interventie, net als tijdens de Reconstruction. Naarmate het geweld langer duurt, zal de roep bovendien toenemen om law and order te herstellen, tegen bijna elke prijs. In de nasleep van de verkiezingen van 1876 scandeerden wit-nationalistische betogers door heel het land de leuze ‘Tilden or War’. Wees niet verbaasd als we over een paar maanden te maken hebben met de trending hashtag #TrumpOrRiot.