Het land der schilderijen

In april 1879 bereikte het leven van Vincent van Gogh een dieptepunt, letterlijk en figuurlijk. Hij was aanbeland in de Borinage, de mijnstreek rond Mons, Wallonië, om er te prediken onder de mijnwerkers en hun families. Om zich volledig in te leven in hun problematiek daalde hij ook zelf af in een kolenmijn, de Marcasse.

Medium kunst

De omstandigheden beneden waren gruwelijk. Boven was het niet veel beter: ‘Het is een sombere plek en bij t’eerste gezigt heeft alles in den omtrek iets akeligs en doodsch. De arbeiders aldaar zijn meestendeels lieden vermagerd en verbleekt door de koorts en zien er vermoeid en uitgemergeld uit, verweerd en vroegtijdig verouderd, de vrouwen vaal en verlept evenzeer over ’t algemeen.’ Van Gogh, bezeten door het idee predikant te worden, had zich in 1878 verbonden aan een driejarige opleiding in Brussel, waar oude talen en theologie minder belangrijk waren dan ‘de gaaf om gemakkelijk hartelijke en populaire voordragten of toespraken te kunnen houden tot het volk, liever kort en krachtig dan geleerd en lang (…) met ernst en gevoel en zonder stijfheid en gedwongenheid, maar natuurlijk en als door liefde gedrongen. (…) In één woord men moet een volksprediker zijn om ginder te kunnen slagen.’

Op 1 februari 1879 kreeg hij een proefaanstelling. Een volksprediker bleek hij niet. Zijn bezetenheid zat hem dwars, hij beheerste het patois niet, en in plaats van kort en krachtig sprak hij lang en omslachtig, een preek over ‘het mosterdzaadje’ beliep al 27 kantjes. De aanstelling werd niet verlengd. De teleurstelling was compleet, en er was geen uitweg, of misschien toch: ‘Ik heb vaak heimwee naar het land der schilderijen.’

Het debacle in Wallonië is de basis van een mooie tentoonstelling in Mons, dat daarmee zijn regering als Culturele Hoofdstad van Europa aanvangt. Het is een frappante parallel: ook Mons bereikte in de laatste decennia een dieptepunt en probeert zich uit de oude kolenellende op te werken met investeringen in (culturele) infrastructuur: een station ontworpen door Calatrava, een conferentiecentrum van Daniel Libeskind, een nieuw museum voor schone kunsten, een literatuurcentrum, tentoonstellingszalen in een gerenoveerd slachthuis, enzovoort.

‘Van Gogh in de Borinage’ bestaat voor 75 procent uit werk uit Nederlandse collecties, en er zijn minder bekende stukken bij uit Finland en Japan. Het is een curieuze tentoonstelling omdat het de brieven, schetsen en eerste schilderijtjes toont van iemand die au fond niet meer dan een heel matige amateur was, zij het een met een heilige ambitie. De tekenaar Van Gogh heeft een onzekere hand, geen begrip van anatomie, weet niet hoe mensen eigenlijk staan of zitten, laat staan hoe zij spitten, sikkelen of schovenbinden. Dat moest allemaal nog veroverd worden. De tentoonstelling toont die stappen, bijvoorbeeld in drie olieverfschetsen van boerenkoppen uit 1885, die naar De aardappeleters zullen leiden, of in een zaal met alleen schetsen van boeren aan een weefgetouw, waarin de onhandigheid allengs plaatsmaakt voor zelfvertrouwen. Het is ontroerend die totale mislukking te ervaren, en dan die tekenen van opstanding te zien, dat verwoede werk waarmee die man zich hervindt en ontdekt dat juist de expressie van gevoel van belang is, niet de techniek an sich – precies wat hij zich van de prediking voorstelde. De context van dat ooit veronachtzaamde Mons maakt dan meer indruk dan je zou verwachten.


Van Gogh au Borinage. Musée des Beaux-Arts Mons, t/m 17 mei, bam.mons.be


Beeld: Vincent van Gogh, Straat in Auvers-sur-Oise, 1890. Olieverf op doek 73 x 92,5 cm. Van Gogh au Borinage, Beaux Arts (Ateneum Art Museum Finnish National Gallery - Hannu Aaltonen)