Het land kreunt

Constant Permeke maakte graag donkere schilderijen. Ook wanneer hij de zomer verbeeldde. Daar zien we vele soorten geel, van bleek citroengeel tot geelbruin. Geel dat stug en aards is, als de kunstenaar zelf.

Het zwoele, gele schilderij heet Zomer. Constant Permeke was, net als Van Gogh, een schilder van de seizoenen. In zijn geval in West-Vlaanderen waar hij het grootste deel van zijn leven woonde, in het dorp Jabbeke, op het platteland nabij Oostende, waar hij zich eind jaren twintig vestigde in een ruim, modern ogend huis dat een bevriende architect voor hem ontworpen had. Daar had hij ver uitzicht over het boerse land. Zijn betrokkenheid bij dat landschap werd uit­gedrukt in de klinkende naam die hij zijn huis gaf: De Vier Winden. Van het lage land veranderden de kleuren bij het veranderende weer van de opeenvolgende seizoenen. Dat spektakel wilde hij niet missen – en aan de zware manier waarop Zomer geschilderd is, kun je dat ook zien.

Het lijkt alsof de verf erop gemetseld is. We zien een korenveld en daarachter, in wat bruiner geel zoiets als schoven of een soort hopen. Daartussen, bijna niet te zien, een summier getekende boer aan het werk. Dan, boven een brokkelige horizon (de rand misschien van een dorp en wat bomen), drijft een compacte, lage lucht met alleen verder bovenin sporen van blauw dat er daar, tussen het geel, groenig uitziet. Tegen een vriend, de dichter Karel van de Woestijne, heeft Permeke ooit gezegd dat hij niet zozeer schildert wat hij ziet maar wat hij denkt te zien. Je kunt je dus voorstellen wat de schilder ongeveer gezien heeft, een zwoegende boer, bijvoorbeeld, op zijn korenveld bezig met maaien. Zoals het in augustus zijn kan was het ook broeierig heet met onweer in de lucht. Dat was niets bijzonders. Toen de schilder later van zijn wandeling terug was in het atelier, begonnen in zijn hoofd (toen hij wilde gaan schilderen) verschillende indrukken samen te vallen. De hitte van de middag die de lucht deed trillen, de kleine wolken stil hangend in de lucht want het was vooralsnog windstil – maar wat vooral in zijn hoofd zat was het overweldigende, kolkende geel dat alles zo leek te bepalen dat het zelfs een gele gloed van het land op de wolken weerkaatste.

Dat is Permeke gaan schilderen. Daarbij gold al zijn concentratie het kleine doek op de ezel voor hem, daar moest de kleur compact worden opgebracht. De details van wat hij (misschien) gezien had raakten daarbij steeds verder op de achtergrond. Het schilderij werd een geel landschap; het begon zozeer over warm, zwaar, zomers geel te gaan dat die details er niet meer toe deden. Het was zeker een weelderig landschap in de buurt van Jabbeke in West-Vlaanderen. In het expressionisme, dat toen nieuw was en opwindend, zijn de schilders de motieven en de kleuren hevig gaan manipuleren – en zo werd dit schilderij een waar spektakel van geel. Natuurlijk had Permeke korenvelden van Van Gogh gezien. Maar in dit schilderij zien we een stugger, aardser geel. Het zijn verschillende soorten geel, varianten van bleek citroengeel tot warm eiergeel (bijna oranje) met daartussen passages van geelbruin. De streken zijn niet sierlijk neergezet. De kleur, heb ik al gezegd, is eerder met kortaffe bewegingen gemetseld, stug zoals de boer in de zware aarde werkt. Het vreemde is dat, anders dan bij Van Gogh, het geel niet gaat gloeien. Het blijft zwaar (zelfs de wolken) en doorheen het hele schilderij neigt het geel naar donker en zelfs zwart.

Ik geloof dat Permeke liever donkere schilderijen maakte dan zomerse, zo was zijn aardse karakter. In het karakteristieke doek De zaaier is de gebogen, zwarte vorm van die landman ook nauwelijks te zien in het donker van de zwarte akker. Maar die gestalte moest, net als de boer in Zomer, verborgen blijven, want het schilderij gaat over een brede verbeelding van een der seizoenen. We zijn in de herfst, als het land kaal en kleurloos wordt. Grote, donkere wolken hangen zwaar boven het land en nemen het licht weg. In door wind gemaakte openingen in die zwarte wolken gloort een witgrijs licht. Het hangt ook net boven de horizon die we anders niet zouden zien – en dat moet een schilder in de gaten houden. We zien de vlakke verte. Het is een vaal, koud licht zoals dat, in de late herfst, nat door de wolken breekt na regenbuien.

Een sterk schilderij maakt zichtbaar (en maakt pakkender) wat nog niet eerder zo gezien was – en telkens als ik op het platteland dat scherpe witte licht door donkere wolken zie breken, zie ik voor me dit schilderij van Permeke: die koude winderige wolken en het land dat kreunt.


PS Tot begin januari is er in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten een retrospectief van Permeke te zien. Mocht u in West-Vlaanderen in de buurt komen van Jabbeke: in zijn huis De Vier Winden zit nu een aan Permeke gewijd museum