Het land van de rijzende crisis

‘HET GEVAARLIJKE van de economische crisis in Japan is dat ze niet diep genoeg is. De man in de straat merkt relatief weinig van de recessie. Daardoor is de roep om politieke verandering niet echt krachtig. De LDP-regering kan haar politiek van pappen en nathouden gemakkelijk volhouden en het misschien uitzingen tot het einde van de crisis. Je zou bijna wensen dat de crisis erger werd, al is die wens niet erg ethisch. Bovendien bestaat het gevaar dat een diepe crisis juist gunstig uitpakt voor de reactionaire krachten in de politiek.’

Volgens Ian Buruma kan de Japanse economische crisis echter ook het startpunt vormen van een grondige democratisering. ‘Er is de afgelopen jaren al het een en ander ten gunste veranderd. De Liberaal Democratische Partij is bijvoorbeeld door de vele afsplitsingen al een flink deel van haar machtsmonopolie kwijtgeraakt.’
De 46-jarige Ian Buruma, Nederlander maar werkzaam in Londen, heeft een grote internationale faam als publicist over Japan, waar hij enige tijd woonde en werkte. In zijn recent vertaalde essaybundel Oosterse arcadiën probeert Buruma te verklaren waarom Japan na de Tweede Wereldoorlog niet die voorbeeldige democratie is geworden waar velen op hoopten. Hij wijst daarbij onder meer op de rol van de Amerikaanse bezettingsmacht en de Koude Oorlog, maar ook op de molensteen van het pacifisme die om de hals van de linkse partijen hangt, en op het eeuwige gescherm met de 'culturele verschillen’ die tussen Japan en de rest van de wereld zouden bestaan. Het wordt volgens Buruma hoog tijd dat we de Japanners met onze eigen ogen gaan zien en niet langer door de gekleurde bril die de Japanners zelf ons daarvoor aanbieden. Dan zal, zo meent hij, blijken dat we heel wat meer met elkaar gemeen hebben dan we gedacht hadden.
U WIJT HET STAGNEREN van de democratie in Japan onder meer aan de Koude Oorlog. Maar die speelde met name in Europa. Toch is West-Duitsland aanzienlijk democratischer geworden dan Japan…
Ian Buruma: 'In West-Duitsland werd de taak van de Amerikanen en de andere geallieerden vergemakkelijkt doordat er een duidelijke vijand was: de nazi’s, die van januari 1933 tot mei 1945 aan de macht waren. In Duitsland konden de “goede” van de “foute” bestuurders vrij gemakkelijk worden onderscheiden op grond van hun lidmaatschap van de NSDAP. Maar in Japan was nooit een fascistische partij aan de macht geweest. Er had geen revolutie of staatsgreep plaatsgevonden. Het land was in de decennia voorafgaand aan de oorlog bijna onmerkbaar naar een militaire dictatuur afgegleden. De ambtenaren die het land tijdens het democratisch bewind van de jaren twintig bestuurden waren dezelfde als de mensen die de oorlogsmachine deden draaien. Dat maakte het voor de Amerikanen veel moeilijker het land naar Duits voorbeeld te “denazificeren”. Het weinige wat ze konden doen was de keizer zijn goddelijke status afnemen en een aantal generaals ter dood veroordelen.
De enige Japanners die geen verantwoordelijkheid droegen voor de oorlog waren de socialisten en de communisten. Met hen werkten de Amerikanen aanvankelijk dan ook samen, tot ze, na de communistische machtsovername in China en het uitbreken van de oorlog in Korea, ongerust raakten over de toenemende macht van links. Vanaf dat moment veranderde de politiek van de bezettingsmacht. Dat zie je bijvoorbeeld aan de censuur. Terwijl de Amerikanen eerst de “filmkus” introduceerden, die door de puriteinse Japanners als een ware bevrijding werd ervaren en met “Banzai!”-kreten werd begroet, verbood de Amerikaanse censuur niet veel later de vertoning van een Japanse documentaire die de schuld van de keizer aan de oorlog aantoonde.’
Een aantal ministers uit het oorlogskabinet keerde ook gewoon terug in de regering.
'Ja, maar in de Duitse regering van de eerste naoorlogse kanselier, Adenauer, zaten ook ex-nazi’s. Daarin verschillen Duitsland en Japan niet. Wat wél verschil uitmaakt is dat er boven Hiroshima een atoombom tot ontploffing is gebracht. Die bom heeft in één flits niet alleen een stad weggevaagd, maar ook het geweten van miljoenen Japanners schoongeveegd. De bloedbaden die zij hebben aangericht in onder meer Korea en de Chinese stad Nanking, vielen in hun ogen in het niet bij wat de Amerikanen in Hiroshima hadden gedaan. Anders dan de Duitsers voelen veel Japanners zich daarom niet schuldig over de agressie van hun land tijdens de oorlog.’
U BEWEERT dat Japans pacifistische grondwet dit gevoel van niet-schuldig-zijn versterkt. Moet Japan de volledige soevereiniteit over zijn defensie terugkrijgen?
'Het streven naar vrede ligt in de huidige grondwet verankerd. Dat is een mooi idee, dat tot fraaie staaltjes van Japan als “gidsland” op de weg naar wereldvrede heeft geleid. Maar het vertroebelt ook de werkelijkheidszin en vermindert het verantwoordelijkheidsgevoel. De verantwoordelijkheid voor Japans veiligheid ligt nu volledig bij de Amerikanen. Het zou goed zijn wanneer de Japanners weer zeggenschap over een eigen leger krijgen. Maar dan wel geleidelijk, anders zouden niet de democratische maar de reactionaire krachten daar misbruik van kunnen maken, wat tot politieke onstabiliteit in de regio leidt.
Er schuilt ook nog een ander gevaar in die pacifistische grondwet. Officieel heeft het land nu geen leger, maar in feite heeft het dat wel, alleen worden de legereenheden eufemistisch “de zelfverdedigingstroepen” genoemd. Door die schimmige situatie staat het militaire apparaat in wezen buiten de wet. Juist daardoor hebben de generaals het land destijds in een militair avontuur kunnen storten.’
U noemt de 'vredescultus’ die de Japanners rond de bom op Hiroshima hebben gecreëerd de 'flitsboemindustrie’. Rechtse patriotten gebruiken de bom om er de Japanse oorlogsmisdaden mee goed te praten. Linkse politici putten er op hun beurt de inspiratie uit voor hun pan-Aziatisch anti-Amerikanisme. Hiroshima lijkt een molensteen om de hals van links.
'Hiroshima en het pacifisme hebben de linkse partijen in Japan inderdaad nodeloos lang in de greep van het dogmatisme gehouden. Dat hielp de Liberaal Democratische Partij om aan de macht te blijven. Maar sinds 1989 is daarin verandering gekomen. De Socialistische Partij is meer sociaal-democratisch geworden en zelfs korte tijd mede aan de macht geweest. Momenteel is het vooral onderlinge verdeeldheid die links parten speelt. DIe verhindert dat links, ondanks de gunstige politieke omstandigheden, aan het bewind komt.’
JAPANSE regeringen weigeren nog altijd de binnenlandse markt te openen voor westerse bedrijven. Zijn het niet vooral de grote Japanse ondernemingen die daarvan profiteren, terwijl de Japanse consument er het slachtoffer van is?
'Door hun handelsmonopolie houden de grote bedrijven in Japan de prijzen van hun producten kunstmatig hoog. Wanneer er eerlijke concurrentie met westerse producten zou bestaan, zouden de prijzen van sommige artikelen met wel vijftig procent kunnen dalen. Een aantal monopolies is politiek geïnspireerd. Rijst bijvoorbeeld is in Japan extra duur omdat de regering de rijstboeren een hoge prijs betaalt. Uit dank voor die verkapte subsidie stemmen al die boeren natuurlijk op de LDP.
Veel Japanners, maar ook veel westerse japanologen, verdedigen deze situatie met het argument dat Japan nu eenmaal een andere cultuur heeft en dat westerlingen niet willen en kunnen begrijpen dat veranderingen maar heel geleidelijk kunnen plaatsvinden. Dat hameren op zogenaamde “cultuurverschillen” is niets anders dan een rookgordijn. Handelsmonopolies hebben niets met cultuur te maken.
Japanners zijn er dol op mythen over henzelf de wereld in te sturen. Bijvoorbeeld die van het arbeidscontract-voor-het-leven dat elk bedrijf zijn werknemers zou bieden. In werkelijkheid heeft slechts een derde van de Japanse arbeiders, namelijk dat deel dat in dienst is van de grote ondernemingen, zo'n contract. De rest werkt als een soort veredelde seizoenarbeiders voor hoofdzakelijk kleine en middelgrote bedrijven en kan net zo makkelijk worden ontslagen als in de Verenigde Staten of Engeland.’
Nog zo'n mythe is Wa, het Japanse gemeenschapsgevoel dat superieur zou zijn aan het westerse individualisme. In uw nogal humoristische essay 'Samoerai van de honkbalknuppel’ blijken de individualistische Amerikaanse honkballers in Japan heel wat meer punten te scoren dan hun Japanse collega’s.
'Japanse honkbaltrainers kijken neer op Amerikaanse spelers. Toch kunnen ze het niet laten ze geregeld voor veel geld te contracteren. Ze worden heel ondankbaar behandeld en krijgen nooit de eer die hun toekomt. Ze krijgen het verwijt dat ze enkel voor het geld spelen en geen deel willen uitmaken van het team. In werkelijkheid worden ze opzettelijk zo veel mogelijk buiten de groep gehouden.
Wat dat Wa betreft: Japanse trainers beulen hun spelers vaak zo af dat ze al uitgeput zijn voor de wedstrijd is begonnen. Daardoor kunnen ze nooit optimaal presteren. Bovendien werkt Wa remmend op de creativiteit en het eigen initiatief. Toch blijven de Japanse trainers zich superieur voelen aan hun Amerikaanse collega’s en weigeren ze hun methoden te veranderen.’
UIT UW ESSAYS BLIJKT dat Japanners, net als andere Aziatische volkeren, tamelijk racistisch kunnen zijn. Er is ook sprake van antisemitisme. Waar komt dat laatste in hemelsnaam vandaan? Want joden hebben er nooit gewoond.
'Het Japanse antisemitisme is een erfenis van de Russisch-Japanse oorlog van 1905. Die oorlog werd weliswaar door de Japanners gewonnen, maar het kostte hun zoveel geld dat het land op de rand van bankroet zweefde. Op dat moment gebeurden er twee dingen. Ten eerste vernamen de Japanners, via krijgsgevangen Russische officieren, over de zogenaamde Protocollen van de Wijzen van Zion, een absurd werk over een vermeende joodse samenzwering om de wereld te overheersen. Die Protocollen werden in het Japans vertaald en ze zijn sindsdien erg populair geweest. Ten tweede werd een staatsbankroet voorkomen door een grote lening van een joodse bankier uit New York, Jacob Schiff. De Japanners combineerden de Protocollen met de lening en concludeerden dat joden zeer machtig waren en een land konden maken en breken.
Vanaf dat moment is de joodse samenzwering een geregeld terugkerend thema geworden in politieke commentaren. De jood Roosevelt bijvoorbeeld zou de aanval op Pearl Harbour hebben uitgelokt om Amerika in de oorlog te betrekken en zo de Europese joden te kunnen helpen. Het zijn trouwens niet alleen Japanners die zich beroepen op een joodse samenzwering. Toen vorig jaar de financiële crisis in Azië uitbrak, beschuldigde de president van Maleisië joodse speculanten als Georges Soros ervan de nationale munt opzettelijk te hebben aangevallen.’
In Amerika bestaat een eigen variant van dit paranoïde denken: het 'Gele Gevaar’. Door Michael Chrichtons anti-Japanse thriller 'Rising Sun’ en Veit Harlans antisemitische film 'Jud Süss’ met elkaar te vergelijken, toont u de overeenkomsten aan tussen beide vormen van racisme. Nog maar enkele jaren geleden was in Amerika 'Japan bashing’, het 'Weg met Japan’, erg populair. Nu is dat weer voorbij. Komt dat doordat het in Amerika nu economisch zo goed gaat en in Japan zo slecht?
'Dat is een van de redenen, ja. Een andere is dat de rol van het “Gele Gevaar” afwisselend door China en door Japan wordt vervuld. Momenteel lijkt het weer de beurt aan China te zijn.
In Chrichtons thriller Rising Sun nemen de Japanners Amerika over door steeds meer bedrijven op te kopen. Alle vooroordelen die in de nazi-propagandafilm Jud Süss op joden worden geprojecteerd, worden door Chrichton op Japanners toegepast: ze doen zich anders voor dan ze werkelijk zijn, ze lijken heel intelligent maar kunnen in werkelijkheid alleen maar anderen kopiëren, ze zijn sensueel en verdorven. De boodschap is in beide gevallen dat de Amerikanen dan wel de Duitsers aan decadentie ten prooi zijn. Ze moeten hoognodig hun oorspronkelijke kracht zien te hervinden willen ze niet aan vreemde overheersing ten onder gaan.
Ik was niet de enige die Michael Chrichton van racisme beschuldigde. Desondanks was Rising Sun een enorme bestseller in de Verenigde Staten. De auteur zelf heeft alle beschuldigingen resoluut van de hand gewezen. Hij is juist een bewonderaar en kenner van apan, zegt hij. Dat kan best, maar het een sluit het ander niet uit. Tenslotte vinden sommige Japanse antisemieten ook dat de Japanners van de joden kunnen leren hoe ze hun ras viriel en zuiver moeten houden.’