Afscheid van de Brenne

Het land van veel te veel meren

Voor Nederlandse begrippen is de natuur in de Franse Brenne nog steeds van een overrompelende schoonheid. Maar Frits van Beusekom is, na jarenlang verblijf, klaar met de Fransen. ‘Het is één en al desinteresse en cynisme.’

DE BRENNE, laat ik maar bij het begin beginnen, is een gebied in het hart van Frankrijk, tussen Indre en Creuse, ten westen van Châteauroux. Het is vrijwel vlak en oogt niet erg spectaculair.
In feite is het een kom die is volgelopen met afbraakmateriaal van het Centraal Massief. De bodem is waterafstotend, en dat veroorzaakt extreme verschillen tussen de seizoenen: ’s winters is het land kletsnat, ’s zomers kurkdroog.
Permanent water vind je alleen in vijvers en meren, maar dat zijn er dan ook duizenden. Deze étangs worden gebruikt om vis te kweken - een bassin dat rijp is voor de oogst laat men eenvoudig leeglopen; de vis ligt dan voor het opscheppen. Watervógels worden uiteraard intensief bejaagd. Verder zijn het vooral koeien die het aanzien van de streek bepalen, vleesvee. Het is allemaal wei- of hooiland. Maar daarbij is dit landschap eerder ruig dan lieflijk. Je voelt overal onder de oppervlakte een zekere spanning, je voelt dat mensen hier hun bestaan hebben moeten afdwingen van een weerbarstige natuur - en dat die zich nooit helemaal gewonnen heeft gegeven.
De Brenne dus. Wij kwamen daar omdat Frits van Beusekom er was gaan wonen. En dit voorjaar zijn we er ongetwijfeld voor het laatst geweest. Frits komt terug naar Nederland.

IN HET BEGIN zei Frits dat hij in de Brenne het landschap van zijn jeugd had teruggevonden. ‘Ik voel me hier meer in Nederland dan in Nederland’, noteerde ik uit zijn mond.
Dat was bij ons eerste bezoek, mei 1994. Toen we na een lange reis de boerderij gevonden hadden, moesten we hem en Vera nog zien te vinden. Ze waren aan het werk in de moestuin en achter hun rug zat een draaihals op een dooie boomtak.
Die avond zaten we eindeloos te praten op de cour. In de buurt riep al even eindeloos een roerdomp, en terwijl de schemering zich tot duisternis verdichtte, zette een gecombineerd koor van nachtegalen en boomkikkers in - die nacht zouden we ervaren hoe het is om wakker te liggen van nachtegalen en boomkikkers.
En laat me één misverstand wegnemen voordat het kan ontstaan: Frits is geen verslagen of verbitterde gesprekspartner. 'We klagen niet’, zei hij me eens, 'we constateren alleen maar.’ Hij is een causeur van jewelste. Hij krijgt graag vragen en is goed in het beantwoorden ervan. Hij heeft gevoel voor taal en detail en humor.
Afijn, de volgende morgen nam hij ons mee zijn land op.

ZIJN JEUGD - Almelo en omstreken, vroege jaren vijftig. De vanzelfsprekende verscheidenheid van vogels en planten. De inbedding van het boerenbedrijf in de natuur. Harmonie. Met harmonie is het net als met de zwaartekracht: je hoeft niet te begrijpen wat het is om het te herkennen. De kwestie is niet dat mensen de aarde niet zouden mogen bewerken, de kwestie is dat we haar niet moeten beschadigen. (Nu ik dit opschrijf, deels in zijn bewoordingen, deels in de mijne, komt er een dichtregel van Esther Jansma bij me op: 'de kern van beschaving is niet morsen maar schenken’.)
Almelo, jaren vijftig. Alles was er, alles ging verloren. Het grote bederf, zoals hij het noemt, had toegeslagen. En dat herhaalde zich begin jaren zeventig in de omgeving van Winterswijk, waar hij na zijn studie was neergestreken met een jong gezin. Vogels, planten, een harmonieus ontwikkeld landschap - dezelfde rijkdommen die je eerst cadeau kreeg en vervolgens één voor één werden afgenomen.
En nu de Brenne.
'Er waren’, zegt hij, 'indertijd al mensen die zeiden dat de Brenne nog veel mooier was geweest. Maar daar had ik geen boodschap aan. Voor mij was het al mooi genoeg. We reden dit gebied binnen en ik was meteen verkocht.’
Frits heeft in een periode van onophoudelijke reorganisaties tien jaar lang deel uitgemaakt van de directie van Staatsbosbeheer. Na een conflict met de top van Landbouw ('kadaverdiscipline; mensen werden afgerekend op hun loyaliteit, niet op hun prestaties’) werd hij met pensioen gestuurd. Hij was 53. Geboren in 1940 - 1993 dus.
Ze zochten een huis in Frankrijk. Om te wonen. Het werd een klassieke, niet al te vervallen hofstee bij het dorp Rosnay. La Carrière heette deze bezitting.
Het waren niet alleen de rust en de ruimte, niet alleen de vogels en de planten, niet alleen de eeuwenoude, rijkelijk met mos begroeide eiken aan de oprijlaan, niet alleen de kevers en de vlinders, niet alleen de smaragdhagedis bij de keukendeur en de adder in de houthoop - het was de som van dit alles, heel de natuur rondom het huis, gaaf, intact.
Dat wonen in Frankrijk werd uitgebreid met werken in Frankrijk lag eigenlijk al in de koop besloten. Daarbij was dertig hectare grond inbegrepen, en wat moet een mens met dertig hectare grond? Frits besloot een eigen veestapel te nemen. Na grondig onderzoek koos hij voor salers, een robuust en toch sierlijk, volstrekt onverstoorbaar brandrood bergras.
'Alleen door zelf te gaan boeren’, zegt hij achteraf, 'heb ik de Brenne echt in de vingers kunnen krijgen.’
Het heeft jaren gekost, maar uiteindelijk is het gelukt van La Carrière een renderend bedrijf te maken. Het staat op twee pijlers. Van die schitterende koeien wordt het vlees aan huis verwerkt en verkocht ('wij hebben klanten tot veertig kilometer in de omtrek’) en daarnaast worden alle mogelijke subsidies voor extensief landgebruik binnengehaald ('wij hebben terreinen met de hoogste natuurwaarden’).
Bij elkaar levert dat genoeg op om een gezin te onderhouden, en dat is dan het gezin van Sébastien Heslouis, de compagnon aan wie Frits de leiding inmiddels heeft overgedragen. Hij heeft er alle vertrouwen in dat zijn beleid wordt voortgezet. Deze boerderij moet en zal een voorbeeld blijven van verantwoord ondernemen binnen de grenzen van het Regionale Natuurpark van de Brenne.
Verder lag het, met zijn achtergrond, voor de hand dat hij zich zou gaan bemoeien met natuurbeheer op een breder plan. Dat Indre Nature, een departementale organisatie, nu op de kaart staat, is toch vooral zíjn verdienste. Daarvoor heeft hij in ieder geval een onderscheiding gekregen van het (Franse) ministerie van Landbouw.
'Dus het is niet zo dat ik niets achterlaat’, zegt hij. 'Ik heb me behoorlijk uitgesloofd en ik mag wel zeggen dat ik hier iets tot stand heb gebracht.’

VOORLOPIG HEEFT HIJ een huisje op de Utrechtse Heuvelrug. Zoals hij toentertijd met tegenzin van Frankrijk naar Nederland reed, zo rijdt hij met tegenzin van Nederland naar Frankrijk. De Brenne, mentaal is hij er klaar mee, zakelijk nog niet. De tijden zijn niet bepaald gunstig voor het afwikkelen van zaken. Maar dat terzijde.
De Brenne takelt af. Voor Nederlandse begrippen is de natuur er nog steeds van een overrompelende schoonheid. Voor ons zitten er hooguit een paar krasjes op de lak. Voor Frits zit er zand in de motor.
Dan gaat het over het geknoei met water. Op grotere étangs drijven voedersilo’s, zoals je die in ons land wel bij varkensstallen ziet staan. De vis wordt vetgemest, ongewenste plantengroei met herbiciden tegengegaan. Kritische vogelsoorten gaan merkbaar achteruit - de doffe, eindeloos herhaalde roep van de roerdomp wordt op die cour niet meer gehoord.
En al even kwalijk als de aantasting van de waterkwaliteit zijn de ingrepen in de waterhuishouding. Het Land van de Duizend Meren telt er intussen zo'n vierduizend. Vroeger ontstonden étangs doordat op bekeken plaatsen dammetjes werden gelegd; het bodemreliëf deed de rest. In recente jaren echter zijn ze gewoon met zwaar materieel uitgegraven, juist in de laagst gelegen delen natuurlijk, juist daar waar de kostelijkste hooilandjes lagen.
'Dit is een zeer kwetsbaar gebied’, zegt Frits, 'en water is er de essentie van. Kom je aan het water, dan raak je de Brenne in haar hart.’
Dan gaat het verder over wegbermen die niet langer worden gemaaid maar geklepeld. De pulp die achterblijft verstikt de plantengroei en verrijkt de bodem - verrijking van de bodem, daar weten we in Nederland alles van, betekent verarming van de flora. Zo worden wegbermen die bezaaid waren met orchideeën tegenwoordig gedomineerd door rietzwenkgras.
Dan gaat het ook over een sluipende intensivering van de veehouderij, terwijl terreinen die door het natuurpark in eigendom worden verkregen aan hun lot worden overgelaten en terstond beginnen te verwilderen.
'Ik ken de tekenen’, zegt Frits. 'Ik hoef niet te wachten hoe dit afloopt, ik wéét hoe dit afloopt.’
Hij wil er niet bij zijn, niet nog een keer.
ACHTERAF KUN je zeggen, zegt hij, dat zij, Vera en hij, een beetje naïef nostalgisch zijn geweest. De vooruitgang kon onmogelijk halt houden voor de Brenne. Maar nu denkt hij dat hij zich toch vooral verkeken heeft op de Fransen zelf, hun volksaard. Dat Latijnse. Dat egocentrische. Er is in die cultuur eigenlijk geen laag waarop je zoiets als liefde voor de natuur zou kunnen enten. De mens staat centraal, de natuur is een gebruiksgoed.
Iemand als Sébastien Heslouis niet te na gesproken, maar Fransen geven niets om de natuur. En ook in de natuurbescherming geldt: organisaties bestaan hier enkel en alleen om het prestige van hun voorzitter te schragen. Problemen worden ontkend en als ontkennen niet meer kan, louter verbaal en/of administratief aangepakt. Evalueren kennen ze niet, en dat is tenminste logisch: er valt niets te evalueren.
'Haantjesgedrag en stammentwisten’, zo luidt het samenvattend. 'Ik heb een kijkje achter de schermen van de Franse politiek kunnen nemen en het is één en al desinteresse en cynisme, op alle niveaus. Ik wil er niets meer mee te maken hebben.’
En zo komen we op het derde bezwaar van wonen en werken in de Brenne, iets wat geen Fransman, goed of fout, kan helpen: de klimaatverandering. Frits heeft een hekel aan hitte, maar er valt wel meer over te zeggen.

GOED, NOG ÉÉN KEER op plantenexcursie met Frits van Beusekom. Op zijn eigen land. Het zou bloedheet worden, verder een willekeurige zondag in mei 2010.
Harlekijnorchis, aangebrande orchis, ijle moerasorchis, groene nachtorchis, bergnachtorchis, tongorchis. Nou vooruit, die zouden we zelf ook nog wel gevonden hebben (behalve de groene nachtorchis dan, die bijna onzichtbaar is). Maar wat te zeggen van spits havikskruid ('erg gevoelig voor bemesting’). Of addertongbladige boterbloem ('superzeldzaam’). Of Hartmans zegge ('een topsoort voor heel West-Europa; zo zeldzaam dat over zijn ecologie hoegenaamd niets bekend is’).
Bij Frits gaat elke plantennaam vergezeld van een kanttekening, doorgaans over een elementaire levensverrichting. Ik moet bekennen dat ik zelf planten in de natuur lang als decoratie heb beschouwd. Je weet dan wel dat zij de basis vormen van al het leven op aarde, maar dat is theorie. Werkelijkheid is dat pas voor me geworden door de omgang met Frits. Voor hem is het bestaan van planten, of in ieder geval het bestaan mét planten, zonder meer een avontuur - en in dit avontuur neemt hij je mee.
Toen kwamen we onder in een kostelijk hooilandje bij de heg langs de D44 (pakweg drie auto’s per uur). En daar manifesteerde de klimaatverandering zich op twee manieren tegelijk.
Om te beginnen lag er een hele troep koeien, jawel salers, te doezelen in de schaduw van een rij eiken. Die mochten daar helemaal niet zijn. Die waren die nacht door de afrastering gebroken en over dat perceel uitgezwermd. En je kon het ze niet kwalijk nemen: ze hadden honger en ze wisten nog ergens prima gras te staan. Maar alles wat ze nu opvraten, ging ten koste van de wintervoorraad. (Sébastien Heslouis vertelde dat de grasproductie op dat moment van het jaar maar de helft was van normaal. Hij zag het somber in. Als het niet gauw en overvloedig ging regenen zou hij voer tegen een ongunstige prijs moeten inkopen, of beesten tegen een ongunstige prijs van de hand moeten doen.)
In de tweede plaats stelde Frits vast dat dat hooilandje ook in botanisch opzicht een bedenkelijke aanblik bood. Hij keek om zich heen en op dat moment, die ochtend, die willekeurige zondagochtend in mei 2010, stelde hij vast dat het van wat hij 'nat weiland’ noemt in 'vochtig weiland’ was veranderd, en dat de flora de overeenkomstige omslag al gemaakt had en zich nu alleen nog verder zou aanpassen.
Hij heeft een kleine twintig jaar in de Brenne doorgebracht. In die tijd is het klimaat onmiskenbaar verhard. De winterneerslag neemt af en de verzengende zomerhitte treedt steeds vroeger in. De lente lijkt te verdampen - en dat is nu juist het seizoen van gras en bloemen.
Zeker, in de natuur bieden nieuwe omstandigheden kansen aan nieuwe soorten, maar in de Brenne krijg je vooralsnog eerder een gevoel van sloop dan van vernieuwing.

NAARMATE FRITS’ OORDEEL over Frankrijk kritischer werd, is dat over Nederland milder geworden. Dat komt goed uit voor iemand die bezig is terug te keren.
Niet dat hij op de lange termijn optimistisch is. Niet dat hij zich nog illusies maakt voor het agrarische cultuurlandschap in ons land. Niet dat je hem ooit nog in Twente of de Achterhoek zult aantreffen - te pijnlijk. Maar er zijn nog plekjes waar het leven draaglijk is.
'De natuur in Nederland is veel armer dan in Frankrijk’, zegt hij, 'maar het beleid is wel vooruitgegaan.’
Dieren en planten die op de nominatie stonden om uit te sterven, zijn behouden gebleven. Hier en daar is zelfs sprake van herstel. De kwaliteit van water en lucht is duidelijk verbeterd.
'De zwavelcomponent is bijna uit de zure regen verdwenen’, zegt hij, 'en de natuur begint daar gunstig op te reageren. Ik heb voor het eerst weer cantharellen gevonden in Nederland.’
En bij de mensen in Nederland ziet hij tekenen van een groeiende verbondenheid met natuur en landschap. Neem de inzet van de vele vrijwilligers voor natuurbeschermingsorganisaties, en de inzet van een toenemend aantal professionals, jongelui veelal, al dan niet voorzien van een eigen bureautje. 'Links en rechts’, zegt hij, 'zijn ze toch leuk aan het werk, met een gewéldige kennis van natuurlijke systemen.’
Hij verwacht nu in Nederland zelfs een 'stimulerende omgeving’ te kunnen vinden. En in geval van nood: 'Ik kan mij heel goed concentreren op kleinigheden - één apart plantje kan mij volstrekt gelukkig maken.’

TOT SLOT moeten we de mogelijkheid nog noemen, of in ieder geval niet uitsluiten, dat persoonlijke omstandigheden ook een rol hebben gespeeld. De leeftijd - hij wordt in augustus zeventig. De liefde - in plaats van Frits en Vera is het nu Frits en Maria, en Maria woont op Kralingen, die krijg je echt niet naar Frankrijk.
Al met al biedt dit afscheid van de Brenne geen eenduidig beeld. Onder het vlechtwerk van motieven en overwegingen gaat echter wel degelijk een patroon schuil, en dat is mij ook uit eigen ondervinding maar al te goed bekend. Ik heb daar een theorie over, de theorie van het onvermijdelijke verlies. Daarbij moet je je een druppel aan een kraan voorstellen.
Je komt op een plek waar je nieuw bent, en omdat je nieuw bent, denk je dat die plek bedoeld is zoals jij haar hebt aangetroffen. Die plek bevalt je, je wilt haar leren kennen. De druppel verschijnt. Nu je haar hebt leren kennen, bevalt die plek je zelfs nog beter, het wordt jouw plek, je raakt eraan gehecht. De druppel zwelt. Dat je eraan gehecht bent geraakt, maakt je gevoelig voor veranderingen van die plek. Dat wil zeggen, voor een ander zijn het, als hij ze al opmerkt, misschien veranderingen - voor jou zijn het amputaties. Je verliest hier wat, je verliest daar wat en op den duur komt die hele plek in het teken van verlies te staan. Dan kan de druppel niet lang meer blijven hangen.
Najaar 1993, vlak voor zijn vertrek naar Frankrijk, maakte ik met Frits een tocht langs bijzondere bomen op de Veluwezoom. Toen ben ik voor het eerst bij de Wodanseiken in Wolfheze geweest. Ik was daar nogal van onder de indruk, maar Frits stond min of meer hoofdschuddend de ondergroei te bekijken. Braam en lijsterbes in plaats van hengel en kamperfoelie.
'Het is een stikstofbos geworden’, zei hij. En even later: 'Het beste kun je maar nergens verstand van hebben en gewoon om je heen kijken en genieten.’
Het is een doem. Bepaalde mensen kunnen niet op een plek wonen zonder dat ze er verstand van krijgen.