Van de vier kleine boeken die hij erover schreef zijn er drie vertaald: Een tuin in Duitsland, De afzondering en nu dan de weer in het Frans geschreven novelle Het onderbroken woud. Ik heb niet de indruk dat Goldschmidt hier de waardering krijgt die hij verdient. Het kan aan de titels liggen, of misschien ook aan de stijl, die iets weerbarstigs heeft door de dichtheid van de beelden, de onverwachte sprongen en vooral door het lichamelijke dat soms in groteske wendingen tot uitdrukking komt. Maar mede om die eigenaardige zinsbouw durf ik te zeggen dat hier een bijzonder schrijver aan het woord is, die er ook niet voor terugschrikt telkens hetzelfde verhaal te vertellen, alsof hij die tien jaar moet inhalen en daar al schrijvend minstens evenveel tijd voor nodig heeft.
Het beklemmende aan de verhalen is dat de oudere man erover schrijft als over de dag van gisteren: de schaamte is nog even groot, de vernederingen zijn niet verjaard en de landschappen liggen er nog even onaangedaan bij. Aan een boom is niet af te zien dat er een man aan zijn takken is opgehangen terwijl een SS'er toekijkt; het kan een boom op een oud Vlaams schilderij zijn of een boom die er ook niets aan kan doen dat eronder twee joodse jongetjes afscheid nemen.
Schuldig kun je een landschap moeilijk noemen, eerder staat het voor de vrijheid van een andere dan de door mensen verramponeerde wereld. Alle hoofdstukken van Het onderbroken woud beginnen met een plek of uitzicht, opgemerkt door de verder naamloze hoofdpersoon of waarnemer tijdens wandelingen rond Parijs. ‘Daar spreidt zich voor je ogen een landschap uit, zo weids dat het hele verleden als een snik bovenkomt.’
Het landschap speelde indertijd ook al een belangrijke rol. ‘Hij zag een groene, zonovergoten vallei in zich ontstaan, met donkere hellingen, waar een kar over een weg reed. Zelf zat hij in de kar…’ De fantasie gaat nog verder - dat is nodig ook, zij dient als afleiding: op dat moment wordt de jongen genomen door een surveillant nadat deze hem met de zweep heeft geslagen. Het slaan was een straf voor te laat komen, maar hij was te laat omdat hij tijdens een wandeling door drie medescholieren werd mishandeld en daarna achterop raakte, opgaande in verwondering over het berglandschap en in de herinnering aan een boek dat De Zwitserse Robinsons heette.
Als hij zich ergens schuldig over voelt, dan over zijn instemmingen. En het is waar: hij kiest zelf de twijgen van de hazelaar uit, waarmee ze hem zullen slaan. Hij is niet zomaar een slachtoffer, het straffen komt hem zelfs goed uit, niet alleen omdat het slaan hem een zeker genot verschaft. Het past in zijn strategie: als hij zich iets laat aandoen, is hij daarmee de anderen voor en kan hij de pijn beter verdragen. Op dezelfde manier vergeet hij snel, om het daarna - al is dat vijftig jaar later - opnieuw en dan beter te kunnen zien. En zo dient de lichamelijke pijn om zielepijn als heimwee en gedachten aan de anderen in Duitsland te vergeten. Als geen ander is hij bedreven in het verdringen, maar daarmee houdt hij zichzelf wel in leven, hij overleeft - in zijn concentratiekamp in de Savoie.