Het lange decennium

Duco Hellema, Nederland en de jaren zeventig, € 24,90

Denkend aan de jaren zeventig zie ik talloze beelden over elkaar heen tuimelen. Het zijn levendige en ongetwijfeld subjectieve beelden, aangezien ik aan het begin van dat decennium elf jaar was en gedurende deze periode dus een hoogst impressionabele levensfase doormaakte. De vale spijkerbroeken, de legerjassen en joppers, de lange haren en de coltruien, leren vesten en bakkebaarden waarmee sommige ouderen zich ineens gingen tooien. Scherp doemen de leraren Nederlands op, die alleen nog maar geïnteresseerd leken in het werk van Jan Wolkers en verlekkerd vertelden dat ze met hun ruimdenkende vrouw naar de film Deep Throat waren geweest. Verder zie ik demonstraties tegen de oorlog in Vietnam, maar ook tegen het uit de ether halen van de piratenzenders Veronica en Radio Noordzee. Een langharige Wim Kok, die op een modderig parkeerterreintje in de ‘Rode Zaanstreek’ stakende arbeiders opzette tegen het kabinet-Den Uyl. Politiek nam in deze jaren vaak ook gewelddadige vormen aan, zodat ik op vakantie in Duitsland opsporingsposters met de grofkorrelige koppen van raf-terroristen zag, en thuis voor de buis de beelden van laag overvliegende Starfighters boven de door Molukkers gekaapte trein bij De Punt. Er waren de foto’s van John Travolta in zijn witte pakje in de disco van Saturday Night Fever (naar die film met die kut­muziek van de Bee Gees ging je natuurlijk niet) en de punkers bij het Paradiso-concert van The Stranglers. Niet minder grimmig was de donkere zwart-witfoto van het eerste kabinet-Van Agt op de trappen van paleis Soestdijk, met als bijschrift: ‘Het zijn weer echt tijden om je op Vrij Nederland te abonneren.’

De jaren zeventig waren ook die van het begin van een rechts tegenoffensief dat trachtte de linkse hemelfietserij en maatschappelijke verloedering terug te dringen – plus natuurlijk het gezeur van degenen die tien jaar eerder volwassen waren geworden en maar bleven herhalen dat de jaren zestig toch veel leuker waren geweest, idealistischer vooral en met betere muziek. Tja, het was een verwarrend tijdvak, maar dat geldt natuurlijk voor elke periode. De tijdgenoot ziet immers slechts een deel van de werkelijkheid, en meestal slechts op één plek. Het is dus de taak van de historicus om ontwikkelingen en verbanden te ontwaren, en zodoende dit tijdvak uit te tillen boven de eerder genoemde herinneringen en anekdotes.

In Nederland en de jaren zeventig heeft Duco Hellema, hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit Utrecht, een bewonderenswaardige poging gedaan lijn en structuur aan te brengen in deze chaotische en controversiële periode. Om te beginnen bakent hij het tijdvak goed af, en bepleit hij de bestudering van wat hij ‘de lange jaren zeventig’ noemt. Te vaak is immers gedaan alsof de jaren zeventig niet meer waren dan een somber en zuur aanhangsel van de ‘frisse’ jaren zestig, een periode waarin het oorspronkelijke idealisme verzandde in sektarisch gedoe en soms zelfs terrorisme, wat ertoe bijdroeg dat de rechtse tegenkrachten al snel de wind in de zeilen kregen. Als er al een ‘links’, ‘progressief’ of ‘rood’ tijdvak is geweest, dan strekte dat zich uit van de tweede helft van de jaren zestig tot pakweg 1982-1984. In tegenstelling tot andere auteurs is Hellema van mening dat de liberale en conservatieve tegenbeweging niet al ergens rond 1977 het pleit gewonnen had, maar dat dit pas een feit was met het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers. En zelfs toen was de linkse geest nog niet helemaal terug in de fles.

Een sterk punt van het boek van Hellema is dat hij uitgebreid aandacht schenkt aan de internationale context waarbinnen de Nederlandse ontwikkelingen zich voltrokken. Duidelijk wordt dat de opkomst en neergang van de ‘rode golf’ in Nederland niet sterk afweken van het internationale patroon. Niet alleen in de westerse landen kwam in de jaren zestig een antikapitalistische beweging op – die als gevolg van economische recessie, de onvermijdelijke teleurstelling die op zoveel optimisme wel moest volgen, en een ‘rechts’ tegenoffensief in de loop van de jaren zeventig aan een neergang begon – ook in de zogenoemde Derde Wereld staken allerlei antiwesterse, naar een of andere vorm van socialisme strevende bewegingen de kop op. En ook die kregen in de jaren zeventig met steeds meer problemen te kampen, wat in niet geringe mate te maken had met de economische crisis, de stagnatie in de Sovjet-Unie en het weer opflakkeren van de Koude Oorlog.

Door Hellema’s aanpak wordt duidelijk dat de ontwikkelingen in Nederland in dit turbulente tijdvak – de opkomst van provo en de studentenbeweging, de radicalisering van de sociaal-democratie, de gedeeltelijke acceptatie van linkse thema’s door confessionelen en liberalen, en het extremisme van kleine linkse groeperingen die een revolutie nastreefden – niet uitzonderlijk waren maar in een algemene trend pasten. Hierdoor wordt ook het stuklopen van deze beweging minder een zaak van het falen van individuen, zoals bijvoorbeeld Joop den Uyl of de andere ‘drammers’ van de pvda. Tevens kan Hellema bepaalde algemeen aanvaarde opvattingen nuanceren, zoals het idee dat het in dit door terrorisme geplaagde decennium in Nederland relatief rustig bleef. In werkelijkheid vielen in Nederland in de jaren zeventig 21 doden als gevolg van terroristische acties, wat verhoudingsgewijs aanzienlijk meer was dan in de Bondsrepubliek, waar het optreden van de Rote Armee Fraktion tot een ware massa­psychose leidde. Wel tekent Hellema hierbij aan dat de slachtoffers die op Nederlandse bodem vielen in meerderheid voor rekening van buitenlandse terroristen kwamen. Allerlei Palestijnse groepen, de raf, het Japanse Rode Leger en de ira gebruikten het relatief open en liberale Nederland om aanslagen te plegen, kapingen uit te voeren of onder te duiken.

Door een uitvoerig overzicht te schetsen van de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen tussen 1965 en 1984 is Hellema in staat te laten zien hoe en in welke mate Nederland in deze periode veranderde. Hij ziet dit tijdvak als een ‘scharniermoment’ tussen de naoorlogse wederopbouw en het neoliberalisme, waarin de hoop en verlangens van de mensen die streefden naar een geheel andere, in hun ogen rechtvaardiger maatschappij, tegenkrachten opriepen, onbedoelde effecten hadden (de hang naar zelfontplooiing ontaardde niet zelden in egoïsme), en uiteindelijk stukliepen op de economische realiteit. Hellema schetst dit allemaal nauwgezet en er zijn weinig onderwerpen, groeperingen en gebeurtenissen die aan zijn aandacht ontsnappen. Jammer is alleen dat Hellema’s analyse vooral aan de oppervlakte blijft, dat hij niet echt een ‘beeld’ van de jaren zeventig weet op te roepen. Zo schrijft hij wel dat er bijvoorbeeld in het onderwijs, de gezondheidszorg of het denken over misdaad en straf allerlei nieuwe ideeën opgeld deden, maar gaat hij niet echt in op wat die dan inhielden. Het lijkt wel of hij expres geen aandacht heeft willen besteden aan allerlei malle en soms ronduit waanzinnige denkbeelden die in linkse kringen gehuldigd werden. Je leest bij hem geen idiote citaten uit maoïstische krantjes of artikelen van ‘antipsychiaters’ die van mening waren dat ‘het systeem’ de mensen gek maakte, je hoort niets over oeverloze discussies in communes over de vraag hoe de burgerlijke moraal uitgebannen kon worden, of over krankjoreme opvattingen van leerkrachten die in de klas geen klok ophingen omdat ze de leerlingen wilden vrijwaren van de rigide arbeidsdiscipline die het kapitalisme de mensheid oplegde en die fnuikend zou zijn voor de ontwikkeling van de vrije persoonlijkheid. Het is mogelijk dat hij dit bewust heeft gedaan, omdat dit extreme opvattingen van een minderheid zouden zijn. Hierbij worden dan echter twee dingen over het hoofd gezien: allereerst waren allerlei opvattingen die we nu bespottelijk vinden toen veel meer gemeengoed dan veel mensen willen toegeven. Bovendien gaven dit soort ‘excessen’ volop munitie aan conservatieven die ten strijde trokken tegen de linkse ‘hemelfietserij’ en de ‘verloedering’ van de samenleving.

Ook gaat Hellema niet echt in op de vele paradoxen waardoor de ‘linkse consensus’ van de lange jaren zeventig gekenmerkt werd, en waarvan de echo’s soms nog steeds doorklinken. Ik wil in dit verband slechts wijzen op het feit dat ‘links’ indertijd uitgesproken moralistisch was, en de tegenstanders voortdurend de maat nam, terwijl er tegelijkertijd een voortdurend offensief gaande was tegen iedereen die nog geloofde in een algemeen geldende moraal. Met behulp van Marx, Nietzsche en Freud werden alle oude waarheden en waarden onderuit gehaald, zodat men uiteindelijk niets anders overhield dan een inhouds- en normloos individualisme plus wat postmoderne prietpraat. Om de onvrede die tegenwoordig bij veel mensen leeft te kunnen verklaren, is het noodzakelijk dat er uitgebreider onderzoek wordt gedaan naar de culturele ­revolutie die halverwege de jaren zestig losbarstte, en die niet volledig ongedaan werd gemaakt door de neoliberale ‘Wende’ van de jaren tachtig.

Duco Hellema

Nederland en de jaren zeventig

Boom, 350 blz., € 24,90