Het langzame, denkende schrijven

Cultuurpessimisten zien in de opkomst van de weblogs en de verminderde leesinteresse bij jongeren een bedreiging voor het essay. Is dit terecht? Naar aanleiding van Joost Zwagermans bloemlezing schrijven vier deskundigen over hun ‘essay-DNA’.

Het zijnde in zijn zijn

HET ESSAY-DNA VAN ROEL BENTZ VAN DEN BERG

TOEN IK IN 1972 filosofie begon te studeren, kreeg ik voor het vak ‘existentiefilosofie’ een docent die Heideggers definitie van het begrip ‘Dasein’ op een manier uitsprak die achteraf, denk ik, bepalend is geweest voor mijn essay-DNA. Die definitie van het ‘Dasein’, als aanduiding van – zou je kunnen zeggen, al mag het van de puristen niet – de specifiek menselijke manier van in-de-wereld-staan, luidt als volgt: het ‘Dasein’ is het zijnde dat in zijn zijn om dat zijn zelf gaat. Maar zo vlak als die woorden hier nu staan zei hij ze niet, die docent, een enigszins gedrongen jongeman met tot over zijn ogen naar voren gekamd haar en een enorme neus, geen knappe man op het eerste gezicht, maar toch aantrekkelijk vanwege zijn intensiteit – hij zei ze eigenlijk helemaal niet, hij zong ze: het zijnde dat in zijn zijn om dat zijn zelf gaat. Hij liet ze zweven, al die verschillende ‘zijns’, als ragfijne sluiers die, gedragen door de wind, met elkaar een dans aangaan.
Ik zou graag willen dat u die dansende woorden even heel goed in u opneemt en ze een paar keer stil voor uzelf herhaalt, zoals je dat doet bij een mantra of kort gebed. Misschien wel in combinatie met ‘Namu Amida Butsu’, de boeddhistische uitdrukking voor hetzelfde soort ‘niet-tweeheid’ als waar Heidegger het over heeft. One more time for the broken-hearted: het zijnde dat in zijn zijn om dat zijn zelf gaat.
Voelt u dat er iets gebeurt, dat er iets losgetrild wordt van binnen wanneer u uzelf dat zo hoort zingzeggen? Iets moois, iets waars, iets vreemd ontroerends. Iets droevig makends misschien zelfs wel, maar ook iets opstandigs, iets wat tegelijk getuigt van een groot verlangen als van het gevoel dat je je op de rand van een openbaring bevindt, iets dat je leven kan veranderen.
Wel, wat daar losgetrild wordt, en hoe en waardoor – dáár is het mij in eerste en laatste instantie om begonnen wanneer ik begin te schrijven. Dode waarheden zijn dode letters. Iets warms en levends, iets wat beweegt in zijn beweging proberen te vatten, dát is de kunst: het zijnde in zijn zijn. Ik weet het, daar moet je lenig voor zijn, en snel – denk daarbij aan de zeeotter, een dier dat zo ruim in zijn vacht zit dat hij zich razendsnel in die vacht om kan draaien, wat heel gevaarlijk kan zijn als je denkt hem van achteren in de houdgreep te hebben – zo snel moet je zijn, om iets te pakken te krijgen wat altijd net over de rand van het denken ligt. En dan heb je opeens verdomd weinig meer aan de klassieke vorm van redeneren, met een stelling hier of een hypothese daar, die je in de loop van je verhaal betogenderwijs probeert te bewijzen, al was het maar omdat je in de meeste gevallen helemaal niet kunt weten waar je uit gaat komen.
De bewijzen die ik zoek, en ook graag bij anderen vind, moeten altijd eerst nog helemaal uit het ongerijmde komen, of in ieder geval: het nog niet gerijmde. Alleen wanneer het me op de een of andere manier is gelukt om in taal teweeg te brengen wat datgene waarover ik schrijf bij mij teweeg kan brengen, kan ik zeggen: Q.E.D. En om iets uit het ongerijmde te kunnen bewijzen moet je er je hele hebben en houden tegenover zetten, en ook stilistisch en vormtechnisch moet alles uit de kast, alle middelen die onze verbeelding ter beschikking staan: fictie, feit, poëzie, experiment, autobiografie, zang en dans.

Wezenlijk voor mijn persoonlijke essay-DNA is de vraag: waarom raakt mij dit zo? Het is ooit begonnen met een bepaald soort muziek, die ik graag in taal wilde vangen: van de existentiële rillerigheid van de rock-’n-roll tot aan de punkjazz van het zijnde in zijn zijn. Maar al snel bleek er ook buiten de muziek om sprake te zijn van een ondergronds ritme dat alles met alles verbindt, een ‘unchained melody’ die overal begint en nergens eindigt. Bij een tros gekleurde ballonnen bijvoorbeeld zoals ik die bij een trouwpartij op de gracht de lucht in zag gaan en waarbij ik moest denken aan de schilderijen van Karel Appel die toen net was overleden, en aan de twee mensen bij wie ik een paar van die schilderijen thuis aan de muur had zien hangen, de een rijk en een warm bad, de ander rijk en een afgrond, maar het kan ook een passage uit een boek zijn of een beeld uit een film of een moreel dilemma waar iemand je voor stelt, of, zoals laatst, een envelop die ik in de bus kreeg met daarin weer een kleinere envelop, die van een liefdesbrief bleek te zijn die ik veertig jaar geleden stuurde aan een meisje dat inmiddels, zo bleek uit het begeleidende briefje, in een klooster bleek te zitten.
Maar om terug te komen op die vraag ‘waarom raakt mij dit zo?’ – en zoals iemand eens heeft gezegd: ware onschuld is niet kwetsen en niet gekwetst kunnen worden, zo zeg ik: van binnen dood zijn is niet raken en niet geraakt kunnen worden – die vraag is de steen die je door de ruit van je geest moet gooien, of, andere metafoor, in de vijver van je gemoed, om dan te kijken wat dat teweegbrengt, wat er allemaal meeklinkt in de echo ervan, dan wel hoe ver de kringen in het water zullen reiken: thematisch, maar ook persoonlijk, of filosofisch, of psychologisch, of maatschappelijk.
Waar het ook begint, het is altijd middenin.
En dat uitwaaieren is vervolgens geen willekeurig proces, er blijkt een innerlijke logica aan ten grondslag te liggen, een ‘inner rhythm’, op dezelfde manier als een muzikant die improviseert op een thema, dat thema in alle bochten waarin hij zich wringt kan laten dóórklinken, terwijl hij ondertussen langzamerhand of juist heel snel omhoog en omlaag spiraalt naar allerlei verschillende niveaus. In die zin is het essay niet alleen de meest vrije vorm van schrijven denkbaar, maar wat mij betreft ook, juist dóór die vrijheid, het literaire genre dat als geen ander iets kan bewerkstelligen dat de directe ervaring tot op een haar na kan benaderen.
En daar moet het toch allemaal om begonnen zijn, vind ik, de even vluchtige als desolate als lyrische waarheid van de directe ervaring, het voortdurend uit elkaar halen en in dezelfde beweging weer in elkaar zetten van de werkelijkheid, het zijnde in zijn zijn: chocola maken van de wereld, of, ander woord voor chocola: soul.
……………………………………………………………………………………………………..

Schrijf-denken

HET ESSAY-DNA VAN H.J.A. HOFLAND

IN HET BEGIN is alles toevallig. Ik doe een ontdekking, klein, groot, onbenullig, niet gering, misschien wel van wereldbetekenis, dat blijkt pas later. De ontdekking moet zich in mijn hersens vestigen, als een larf met klauwtjes. Gebeurt dat niet, dan is deze ontdekking niet de moeite waard. We gaan ervan uit dat deze ontdekking levensvatbaar is. De larf groeit, mag zich verheugen in de vertroeteling van mijn aandacht. En zoals dat dan een gezonde larf overkomt: hij ondergaat een metamorfose. In de stilte onder mijn hersenpan verandert de ontdekking in een idee.
Daarmee is dit karwei in een nieuwe fase gekomen. Er zijn drie soorten van denken: het denk-denken, het praat-denken en het schrijf-denken. Het denk-denken stel ik me voor als een geluidloos, rusteloos, kris-kras-kres-kros-krus bewegen in het stikdonker van mijn hersens. Ver terug in de vorige eeuw is dat het mooist opgeschreven door Piet Grijs in Vrij Nederland. Ik heb dat stukje toen uitgeknipt en bewaard, maar ergens op de weg van mijn bestaan is het verloren gegaan. I lost it somehow, somewhere along the way, zoals Johnny Cash zingt. Zoals u nu misschien gemerkt hebt, verloopt het denk-denken in chaotische associaties.
Dat verandert als er een idee is ontstaan. Uit de natuurkundeles herinnert u zich wat er gebeurt als je een magneet onder een velletje papier met ijzervijlsel houdt. Onmiddellijk wordt de ordeloze bende in twee harmonieuze patronen getrokken. Zo ongeveer werkt het idee in de hersens. Er ontstaat een begin van orde. Wat overbodig is wordt afgestoten. Er groeit een lijn van associaties. Deze lijn hoeft niet recht te zijn, kan een bocht maken, zich desnoods splitsen. Maar het moet wel een ordelijke lijn zijn.
Daarna kan ik dit uitdijende idee op zijn bruikbaarheid toetsen door er met een vertrouwd persoon, een geestverwant over te praten. Dan komen we in de fase van het praat-denken. Dat is een gecoördineerd, gefilterd, tot begrijpelijkheid georganiseerd denken. Mijn gesprekspartner levert weerwerk. Het idee wordt blootgesteld aan het klassieke proces van these-antithese-synthese. Noodzakelijk is het niet. Ik kan het praat-denken ook overslaan en direct met het schrijf-denken beginnen. Met mijzelf gaan praat-denken is niet mogelijk.

Uit het idee is intussen een plan ontstaan. Het wordt tijd voor het schrijf-denken. Daarmee komt onmiddellijk het probleem van de eerste zin. Er zijn mensen die beweren dat de eerste zin beslissend is voor het geheel dat straks op papier zal staan. Ze denken dat de eerste zin een deur is die toegang geeft tot een kamer waaraan in beginsel niets kan worden veranderd. Dat geloof ik niet. De eerste zin moet de toon zetten, misschien de kwaliteit van een röntgenstraal hebben, een eigenschap die in de fenomenologie Wesensschau wordt genoemd.
Met het schrijven van de eerste zin ben ik begonnen aan de uitvoering van mijn plan. Daarvoor heb ik trouwens al voorbereidingen getroffen, dingen opgezocht, aantekeningen gemaakt. En nu laat de wet van het plan zich gelden. Het plan is een voorstelling van het voltooide werk. Maar als het laatste woord geschreven is, zal vaak blijken dat wat je je aan het begin van het schrijven hebt voorgesteld niet meer dan een geringe gelijkenis met het resultaat vertoont.
Dit komt doordat het schrijven een vorm van bouwen is. Al doende merk je dat sommige onderdelen niet op of bij elkaar passen, dat er andere oplossingen moeten worden gevonden. Je krijgt nieuwe sub-ideeën die je beter vindt en die weer toegang geven tot nieuwe constructies waaraan je niet had gedacht toen je met je werk begon. Ik maak een vergelijking met de constructies van Theo Jansen, die in de loop der jaren een complete nieuwe schepping heeft geconstrueerd, van bewegende wezens die door hem zijn bedacht. De strandbeesten. Hij heeft ervaring op ervaring gestapeld. Anders was het niet mogelijk geweest. Een idee wordt tot plan en bij de uitvoering daarvan ontstaan nieuwe ideeën. Zo ongeveer is uit de amoebe via het varken en de aap de mens ontstaan.
Ik kan niet schrijven zonder idee. Columns, artikelen, verhalen, romans, welke teksten dan ook – er moet eerst een idee zijn waarvan ik ieder ogenblik ervaar dat het de motor van mijn werken is. Ik heb zes romans geschreven. Vijf daarvan zijn bemande essays. De helden zijn de dragers van de gedachtegang. Eén criticus, Tim Krabbé, had dat gemerkt. Hij schreef dat hij medelijden had met mijn verhaalkoelies. Hij had het begrepen en deze opmerking beschouw ik tot op de dag van vandaag als een compliment.
Ten slotte: het laatste raadsel van het essay-DNA ligt in de stijl. De stijl verraadt op duizend manieren de verhouding van de schrijver tot de wereld. Dat is te ingewikkeld om hier uit te leggen, maar eenvoudig samen te vatten.
Voor mij, denk ik, is het een over het algemeen welwillend wantrouwen, tenzij iemand me dwingt me te verweren.
……………………………………………………………………………………………………..

Vergeefs

HET ESSAY-DNA VAN GERRIT KOMRIJ

VAN DE MEESTE ESSAYS val ik in slaap. Dat kan aan mijn slaapzucht liggen en niet aan de essays, maar dat geloof ik niet. Iemand die zijn schrijversleven ziet als één lange getuigenis, met de bijbehorende behoefte van zich af te bijten en, in steeds sterkere mate, zichzelf kritisch te bekijken, heeft geen gebrek aan stof. Maar om dat nu essayistiek te noemen, nee.
Een schrijver is voor mij iemand die, met de grootste eerbied voor de ivoren toren, niet te beroerd is voor de actualiteit, niet te beroerd voor straatrumoer, niet te beroerd voor kranten, niet te beroerd voor deadlines, niet te beroerd voor het oefenveldje tussen de schuifdeuren. Alles wat hij schrijft zijn delen van een biecht, bouwstenen van een gebouw in wording. ‘Het verhaal van een leven.’ Het ene fragment wordt gestut door het andere – of onderuitgehaald. Maar er is samenhang. Soms klinkt hij lyrisch, soms klinkt hij nadenkend, soms klinkt hij frivool, soms klinkt hij obstinaat – maar het instrument blijft hetzelfde.
Er is, ongetwijfeld geholpen door het systeem van de forse en publicitair aantrekkelijke prijzen die elk jaar door enkele groothandelketens worden uitgereikt, met de daaraan voorafgaande nominaties, het beeld ontstaan van de schrijver die van boek naar boek hobbelt. Jaren duikt hij onder om, geheel bijtijds voor een volgende nominatie, weer op te duiken met een nieuwe pil – een behaagzieke pil liefst. Van de meeste schrijvers verneem je in de tussenperioden niets.
Het maakt de literatuur tot een literatuur van incidenten. Het maakt de schrijver tot een puntenwinner en recordbreker. Het is niet bevorderlijk voor een literatuur van ‘oeuvres’ (ik spring altijd in de houding bij dat woord, tenminste als ik zit) – enfin, voor een literatuur die je tot richtsnoer zou kunnen dienen en tot vertrouwd gezelschap. Het betekent de genadeklap voor de schrijver als notulist van de tijdgeest. Als exponent van de tijdgeest. En meer van dat moois.
De schrijvers zijn sterren geworden, maar de literatuur ligt op haar gat.
Dit fenomeen verlengt op kunstmatige wijze de levensduur van het essay. Het rekt zijn status nog een beetje op. Want alleen in het essay lijkt de stilte tussen twee nominabele pillen doorbroken te kunnen worden, en alleen in het essay schijnt de schrijver nog een maatschappelijk of filosofisch deuntje te kunnen meeblazen.
Als je daar dus niet bij in slaap valt.
De ergste doodzonde voor een schrijver is tot de slaapverwekkende soort te behoren.
Essayisten vormen de hardcore van de slaapverwekkende soort.
’t Is jammer dat het essay als genre nog moet blijven bestaan. Het essay had er als genre nooit mogen zijn. Sinds mijn eerste stappen in de literatuur heb ik die genres idioot gevonden. Poëzie, proza, essay, met allerlei ondervertakkingen. ’t Was iets uit schoolboekjes. ’t Was uitgevonden door anderen, maar niet door mij. ’t Waren misschien takken aan één stam, maar geen verschillende bomen.
Je schreef of je hield op met schrijven, je kreeg de geest of je kreeg die niet, je haalde je hersens overhoop of je ergerde je aan de maatschappij, maar je dacht nooit: aan welk genre zet ik mij vandaag? Behandel ik dit of dat genre niet te stiefmoederlijk? Zijn er genres die mij niet zien zitten? Hou ik de genres wel goed uit elkaar? Bak ik vandaag geen lelijke genre-omelet?
Als ik me kwaad maakte over iets, redelijk of onredelijk – als ik in een vervloekte bui van goedhartigheid het kruis op mijn rug nam en mijn lotgenoten iets probeerde uit te leggen, geduldig of ongeduldig – dan hoorde ik plotseling beweren dat ik een essay had geschreven. Ik was me van geen kwaad bewust. In een bui van kriegeligheid, maar geheel naar waarheid, riep ik een keer dat ik ‘nooit van mijn leven’ een essay had geschreven. Die uitspraak wordt nog geciteerd in de inleiding van het corpus delicti, de bloemlezing van Joost Zwagerman. Vervolgens neemt de geachte samensteller ik weet niet hoeveel pagina’s van mijn hand op in voornoemde essay-bloemlezing.
Er rest mij geen enkele andere conclusie dan dat mijn leven vergeefs is geweest.
……………………………………………………………………………………………………..

Haalt het essay de 22ste eeuw?
HET ESSAY-DNA VAN THOMAS VAESSENS

HAALT HET ESSAY de 22ste eeuw? Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk: ja en nee.
Is er nog toekomst voor het essay? Haalt het gedrukte woord de volgende eeuw? Zal de poëzie overleven? Zullen we over honderd jaar nog boeken lezen? Dit soort retorische vragen roept terecht altijd wrevel op. Toch zijn ze opvallend populair, zeker in de literatuur. Het debat over literatuur van de afgelopen honderd jaar wordt door apocalyptische metadiscoursen overheerst. In 1925 vreesde Ortega y Gasset de ondergang van de roman. In de jaren zestig was zelfs sprake van ‘the death of the novel’. In 1967 verkondigde Roland Barthes ‘de dood van de auteur’. En in 1992 meende Alvin Kernan het einde van de literatuur te kunnen vaststellen. Daar kan in 2008 de dood van het essay ook nog wel bij, zou je zeggen.
Maar zou de afkondiging van de dood van het essay ook hout snijden? Wat zouden de argumenten ervoor zijn? In de eerste plaats is er natuurlijk het bekende riedeltje van de cultuurpessimisten. De mensen lezen niet meer. De aandachtsboog wordt steeds korter. Jonge mensen zijn al in de netten van de massacultuur verstrikt voordat ze überhaupt kunnen lezen… Dat is allemaal gekkenpraat van vervroegd uitgetreden babyboomers. Een halve dag meelopen op een school, een universiteit of een willekeurig kennisintensief bedrijf zou zelfs de meest verstokte aanhanger van het ‘vroeger was het beter’-adagium doen genezen. We worden niet dommer, we worden niet ongeïnteresseerder en we worden vooral niet luier. Integendeel.
Meer hout snijdt een ander punt dat als argument voor het nee-antwoord zou kunnen worden aangedragen. Dat punt is dat de ontwikkeling van genres vaak een parallel vertoont met de ontwikkeling van het bijbehorende medium. Het bekendste voorbeeld is dat van de roman, die tot bloei kwam met de ontwikkeling van de boekdrukkunst. Er zijn mensen die denken dat de roman niet zal overleven nu de computer het gedrukte boek almaar verder terugdringt.
Hoe zit dat met het essay? Je kunt je de vraag stellen hoe het essay zich verhoudt tot de huidige blog-cultuur. Is een posting op een blog echte essayistiek? Behoren de lange betogende teksten van essayisten als Marc Reugebrink of Rutger Cornets de Groot op hun weblog tot hun essayproductie of is dat toch veeleer spielerei? Komen deze en andere fanatiek bloggende essayisten nog wel aan het ‘echte’ werk toe?
Ik ben geneigd deze laatste drie vragen met ‘nee’ te beantwoorden. Juist bij de enorme vlucht die de blogosfeer momenteel neemt, groeit de behoefte aan het langzaam gecomponeerde essay. Aan essays waarvan de ogenschijnlijke speelsheid het paradoxale, maar schitterende effect is van de nauwkeurige tekstcompositie.
We moesten dus maar eens gaan kijken naar het andere antwoord op de vraag of het essay de 22ste eeuw haalt, het ja-antwoord. Voor dat antwoord is het makkelijker argumenten vinden. Ik beperk me hier tot één van die argumenten, dat ik ontleen aan de wereld van de roman.
Telkens als in de geschiedenis van de moderne literatuur de roman in crisis verkeert, tendeert de roman naar het essay. Multatuli gebruikte in 1860 in zijn Max Havelaar de fictie, maar worstelde er ook mee. Uiteindelijk volstaat in de roman het verhaal niet en neemt de auteur zijn toevlucht tot het betoog. Wanneer hij aan het eind van de roman zijn personages in koffie laat stikken, gaat de fictie resoluut van tafel, waarna de ernst van het essay het overneemt.
In de jaren dertig vragen schrijvers zich af of ze in tijden van crisis en totalitaire dreiging nog romans kunnen schrijven. Een van de beroemde Nederlandse antwoorden op die vraag is E. du Perrons Het land van herkomst, een essayistische roman. Ten tijde van de Vietnamoorlog zweert Mulisch de roman zelfs helemaal af. Als hij er een paar jaar later weer mee begint, betreft dat romans die een sterk essayistische inslag hebben. En nu, na het einde van de literatuur, essayeren postmoderne auteurs als Atte Jongstra, Marjolijn Februari en Charlotte Mutsaers er lustig op los in hun romans.
Als de roman in crisis is, zien we steeds hetzelfde: het genre wordt minder mimetisch en meer diëgetisch, minder tonend, meer redenerend, discursief. Op zichzelf is dat logisch: wanneer het niet goed gaat met een genre, wordt zo’n genre zelfreflexief. Maar er is ook een andere verklaring. En die luidt dat een genre in tijden van crisis wel gedwongen is de blik naar buiten te richten. En juist dat is kenmerkend voor het essay.
De romanwereld is een gesloten wereld. Die geslotenheid van de romanwereld verwerd in de twintigste eeuw tot een literaire ideologie: de ideologie van de ‘autonomie’. Achter die autonomie kan de romanschrijver zich altijd verschuilen. Hij kan zich verschuilen achter de fictie en achter de personages, wier uitspraken volgens de geldende ideologie nimmer aan de auteur mogen worden toegeschreven.
Voor de essayist is die mogelijkheid er niet. Waar de roman principieel gesloten is en daardoor altijd enigszins in zichzelf gekeerd, daar staat het essay juist principieel open. Het staat open voor de buitenwereld, niet alleen omdat het op die buitenwereld reflecteert, maar ook omdat de essayist zich bij het schrijven door die buitenwereld laat sturen. Een essay heeft een interne logica, maar die wordt steeds gevoed en bijgestuurd door impulsen, en dan nog liefst onverwachte impulsen, van buitenaf. Dat maakt het essay volgens mij onverwoestbaar. Dat willen we ook in de 22ste eeuw lezen.
Het antwoord op de vraag luidt dus: ja, het essay haalt met gemak de volgende eeuw.
……………………………………………………………………………………………………..

Deze teksten zijn uitgesproken tijdens een avond georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA).
Roel Bentz van den Berg is schrijver en essayist. Zijn laatste essaybundel is Zapdansen (Augustus 2005). Gerrit Komrij kreeg in 1993 de P.C. Hooftprijs voor zijn essays. Thomas Vaessens is hoogleraar moderne letterkunde aan de UvA

……………………………………………………………………………………………………..