Heideggers kinderen: Hannah Arendt, Karl Löwith, Hans Jonas en Herbert Marcuse

Het lege denken

Dat Heidegger in 1933 openlijk zijn liefde voor het nationaal-socialisme beleed, was voor zijn oud-studenten, onder wie Hannah Arendt, een enorme schok. Toch keerden niet allen zich ondubbelzinnig tegen hem.

Misschien kwam het doordat we net twee dagen eerder de dodenherdenking hadden gehad, maar op de eerste sterfdag van Pim Fortuyn leek het wel of de vorig jaar vermoorde held van het volk een halve heilige, of op z’n minst een groot politicus was geweest. Hij had immers toch maar mooi gezegd waar het op stond, een steen in de troebele poel van de Hofvijver gegooid, de «man in de straat» weer een stem gegeven, de kaasstolp van de «oude politiek» aan diggelen geslagen, en ga zo maar door. In alle treurnis over het feit dat deze man er niet meer was klonk ook steeds bewondering door, ook bij mensen die politiek ver van hem af hadden gestaan. Hij was zo «on-Hollands» geweest, een brutale dandy, een man met stijl en smaak en gevoel voor theater, die het hart van de mensen had weten te raken.
Dat zijn «oplossingen» voor reële politieke problemen ongehoord simplistisch waren, dat hij niet tegen kritiek kon en voortdurend bewierookt en aanbeden wilde worden, dat hij messiaanse trekjes had die in de Nederlandse politiek sinds Domela Nieuwenhuis niet meer waren voorgekomen, dat zijn met prullaria en kitscherige portretten van zichzelf vol gestouwde nep-paleisje met «stijl» en «smaak» even veel te maken had als de Efteling met architectuur, dat alles werd kennelijk weinig relevant geacht.
Blijkbaar voelen nog altijd veel mensen zich aangetrokken tot wat men zou kunnen omschrijven als «esthetische politiek». Bij dit soort politiek gaat het niet in de eerste plaats om concrete problemen, die dus onvermijdelijk om utilitaristische en prozaïsche oplossingen vragen, maar draait het primair om de esthetische en theatrale kwaliteiten van de politicus, die door middel van spreken en optreden in het openbaar hun «authenticiteit» bewijzen. We betreden hier de zone waarin voortdurend wordt gesmeekt om het afschuwelijke germanisme «daadkracht», het domein van het grote gebaar, de radicale oplossing, de klare lijn, het ondubbelzinnige contrast. Hier wordt politiek niet primair beschouwd als middel tot goed bestuur, maar als existentiële zelfbevestiging.

Hoewel Fortuyn, zijn vele boekjes ten spijt, geen serieus te nemen intellectueel was — wat niet wil zeggen dat hij als demagoog niet serieus genomen moest worden — stond hij zonder het te weten wel in een intellectuele traditie. Het bovenstaande begrip esthetische politiek is namelijk ontleend aan hetgeen de filosoof Richard Wollin in zijn laatste boek schrijft over Hannah Arendt. Deze Amerikaanse filosofe van joods-Duitse afkomst geniet in intellectuele kringen nog altijd veel krediet, al komen de meeste mensen, gevraagd naar de betekenis van haar werk, niet veel verder dan het begrip «de banaliteit van het kwaad», terwijl een enkeling weet dat zij een boek heeft geschreven met als titel The Origins of Totalitarianism. De laatste jaren wordt er echter regelmatig verwezen naar haar ideeën over politiek, die een antwoord zouden vormen op de postmoderne verwarring die is ingetreden na het einde van de Koude Oorlog. Gebaseerd op een wel erg geïdealiseerde visie op de Griekse polis ontwierp Arendt een politieke theorie waarin het handelen centraal stond, en waarin voor medelijden en goede bedoelingen geen plaats was. Hoewel medelijden dikwijls de poorten opent voor ongebreidelde rancune, en onder het mom van allerlei «goede bedoelingen» in de twintigste eeuw peilloos diepe bloedbaden zijn aangericht, maakt de esthetische politiek van Arendt een nogal kille, harteloze en vooral ondemocratische indruk.
Echt verbazingwekkend is dat niet, als men weet dat Arendt een student van Martin Heidegger is geweest. Wollin behandelt haar dan ook in zijn boek Heideggers kinderen, waartoe hij ook Karl Löwith, Hans Jonas en Herbert Marcuse rekent. Een opmerkelijk rijtje met denkers die op het eerste gezicht, buiten hun gemeenschappelijke leraar, niet zo heel veel met elkaar te maken hebben. Het feit dat zij allen joods waren maakt hun relatie met Heidegger echter bijzonder, aangezien van deze door velen vereerde filosoof inmiddels wel bekend is dat hij een overtuigde antisemiet was. Hoewel sommige heideggerianen nog altijd volhouden dat hun meester in 1933 het nationaal-socialisme om louter opportunistische redenen omhelsde, en dat hij eigenlijk nauwelijks een idee had waar deze beweging voor stond, protesteerde hij reeds in de jaren twintig tegen de Verjudung van het Duitse geestelijk leven. Tal van serieuze onderzoekers, en Wollin sluit zich bij hen aan, hebben inmiddels aangetoond dat er een onloochenbare relatie bestond tussen Heideggers filosofie van het Zijn en het nazisme.

Hoe was het dan mogelijk dat enkele van zijn meest briljante studenten joods waren? Viel het dan toch wel mee met dat antisemitisme van Heidegger, of waren die studenten ook weer niet zo briljant? Volgens Wollin valt het antwoord te vinden in het eenvoudige feit dat Arendt, Löwith, Jonas en Marcuse zich in de jaren twintig zelf in het geheel niet als jood beschouwden. Evenals andere joden uit het Duitse Bildungsbürgertum waren zij volkomen geassimileerd en beschouwden zij zich niet als nazaten van Mozes en de profeten, maar van Schiller en Goethe. Ook Heidegger zag hen niet als joden, omdat hij het biologische antisemitisme van de nazi’s niet deelde en zijn afkeer van joden was gebaseerd op traditionele, culturele opvattingen.
Dat Heidegger in het voorjaar van 1933 openlijk zijn liefde voor het nationaal-socialisme beleed, en actief meehielp met het «van vreemde smetten vrij» maken van de universiteit, kwam voor zijn oud-studenten als een enorme schok. Dat hun band met de onbetwiste koning van de Duitse filosofie ineens radicaal werd doorgesneden, veroorzaakte een pijn die nooit helemaal zou overgaan. Het sterkst gold dat voor Hannah Arendt, maar zij was dan ook niet alleen Heideggers oud-studente, maar tevens zijn voormalige maîtresse. Manifesteerde zij zich in de jaren dertig en veertig als een van de felste critici van Heidegger, wiens ontologie niet meer zou zijn dan een achterhaald en «rigide functionalisme», na hun verzoening in 1950 ontpopte zij zich als een van zijn meest fanatieke verdedigers. De hoogst verfijnde denker had ineens niets meer met het uit het riool afkomstige nazisme te maken gehad, en zijn onder het Derde Rijk gegeven colleges zouden een vorm van «spiritueel verzet» zijn geweest.
Hoe Arendt tot deze stuitende zelfverloochening kwam, weet Wollin niet geheel te verklaren, al wijst hij er meermalen op dat Heidegger een extreem charismatische persoonlijkheid was. Dat charisma beperkte zich niet alleen tot het persoonlijk contact, maar kenmerkte ook zijn filosofie. In zijn Heidegger-biografie heeft Safranski beschreven hoe mensen dit denken worden «binnen gezogen», en hoe sommigen zich na enige tijd de ogen uitwrijven en afvragen wat het nu eigenlijk allemaal te betekenen heeft. In dit verband citeerde hij Karl Jaspers, de collega en voormalige vriend van Heidegger, die over hem schreef: «Van de tijdgenoten de meest prikkelende denker, gebiedend, dwingend, geheimzinnig — maar je vervolgens leeg achterlatend.»

Arendt mocht haar kritiek op Heidegger dan intrekken, en tevergeefs hunkeren naar een woord van waardering van de meester voor haar eigen werk, haar intellectuele «halfbroers» uitten zich heel wat minder vleiend over hun voormalige leraar. Dat neemt echter niet weg, zo stelt Wollin, dat alle vier net als Heidegger hun leven lang behept bleven met het vooroordeel tegen de moderniteit. Maar misschien was dit ook niet zo verwonderlijk, aangezien deze afkeer van de moderne maatschappij onder intellectuelen in het Duitsland van de jaren twintig en dertig zeer wijd verbreid was. De moderne samenleving werd afgewezen omdat deze een product was van het rationalisme en de Verlichting, en gekenmerkt werd door materialisme, kosmopolitisme, mensenrechtenpolitiek en constitutionalisme. Door de verheerlijking van economische doelmatigheid en het geloof in de democratie was een massamaatschappij ontstaan waar de terreur van de middelmaat heerste en de aristocratie van de geest het onderspit dreigde te delven.
Deze haat tegen de moderniteit was geen exclusief «rechts» verschijnsel. Niet alleen vertegenwoordigers van de konservative Revolution als Oswald Spengler, Arthur Moeller van den Bruck, Hans Freyer, Carl Schmitt en Ernst Jünger keerden zich heftig tegen de erfenis van de Verlichting en het politieke liberalisme, ook van links kwam er felle kritiek. De tot het communisme bekeerde Georg Lukács vroeg zich af: «Wie zal ons redden van de westerse beschaving?» De westerse beschaving was de geesteloze, platvloerse wereld van de in naam geciviliseerde maar slechts op materieel gewin beluste burgerij. Vandaar dat de socialistische filosofiestudent Marcuse zich in de collegebanken van Heidegger helemaal niet zo ontheemd voelde.
De in de jaren zestig en zeventig door de revolterende en naar democratisering snakkende studenten vereerde Marcuse was een uitgesproken elitair denker, die in navolging van Plato en Rousseau pleitte voor «een opvoedende dictatuur (…), uitgeoefend door degenen van wie aangenomen kan worden dat ze kennis van het waarachtig Goede hebben verworven». Uiteraard was deze voorganger van de Frankfurter Schule wel voor «echte» democratie, maar dat was toch heel wat anders dan de parlementaire democratie die in West-Europa en de VS voorkwam. In feite dacht hij daar precies zo over als die andere coryfee van de «generatie van ’68», Jean-Paul Sartre. Deze eveneens door Heidegger beïnvloede denker kwam in 1973 met het «stemadvies»: «Verkiezingen? Een jan lul die erin stinkt!»
Ook de tegenwoordig vooral als milieufilosoof bekend staande Hans Jonas hield er uitgesproken elitaire en ondemocratische denkbeelden op na en vatte in zijn boek The Imperative of Responsibility (1984) zijn politieke denkbeelden samen in een hoofdstuk met als titel: «Het voordeel van absolute staatsmacht». Tegenover het hedonisme van de kapitalistische consumptiemaatschappij vormde de, van bovenaf opgelegde, «socialistische discipline» een goede remedie. Kort voor zijn dood in 1993 vroeg hij zich nog af of de moderniteit — «de combinatie van wetenschappelijk-technische vooruitgang en vergroting van individuele vrijheden» — niet één grote vergissing is geweest, een fout die gecorrigeerd moet worden.
Deze verwantschap met Heidegger heeft Jonas niet belet om zeer fundamentele kritiek op zijn vroegere leermeester te uiten. Terwijl Marcuse Heideggers keuze voor het nationaal-socialisme nog zag als «intellectueel zelfbedrog», concludeerde Jonas dat er in diens filosofie elementen zaten die hem in de richting van het nationaal-socialisme konden drijven. Van cruciaal belang hierbij was volgens Jonas het begrip Entschlossenheit (vastberadenheid), dat vooral zo problematisch was omdat het geen enkele inhoud bezat. Het bevond zich, in Wollins woorden, «in een normatief vacuüm en bood geen enkele intrinsieke maatstaf waarmee ethische van onethische politieke betrokkenheid kon worden onderscheiden». Niet de inhoud van een keuze is belangrijk, alleen de radicaliteit waarmee gekozen wordt, en de hardnekkigheid waarmee men voortgaat op de ingeslagen weg. Dit existentieel radicalisme is verwant aan het «decisionisme» van Carl Schmitt, of het «heroïsch-realisme» van Ernst Jünger: «Niet waarvoor we vechten is het wezenlijke, maar hoe we vechten.»
Door het «inhoudloze» karakter van deze houding is men dus min of meer overgeleverd aan de genade van de actuele historische ontwikkelingen. Het zijn de omstandigheden die bepalen welke keuze men maakt, maar dat het een radicale keuze is, en dat men zonder om te zien voortjakkert op de ingeslagen weg, ongeacht de slachtoffers die worden gemaakt, dat staat eigenlijk van te voren vast. In de reeds door Jaspers geconstateerde «leegte» die het denken van Heidegger creëerde was alles mogelijk.
Op deze manier betreedt men de politieke arena zoals een kunstenaar zijn atelier binnengaat. Daarbinnen is alles mogelijk. Welke kleuren worden gebruikt, welke voorstelling wordt gemaakt, wat de betekenis van het werk ook is, als het maar getuigt van de Entschlossenheit van de kunstenaar. Ondanks het antimodernisme van Heidegger doet dit sterk denken aan veel moderne kunst. Ook hier lijkt de inhoud van het werk vaak volkomen ondergeschikt aan de daad van het maken. Of het kunstwerk zelf in staat is de toeschouwer te overtuigen, doet er niet toe. Als de kunstenaar er maar in gelooft, als maar duidelijk is dat hij «er helemaal voor gaat». De esthetiek heeft niet langer betrekking op het kunstwerk, alleen nog op de kunstenaar.
Levert deze houding in de kunst weinig op dat de moeite van het bekijken waard is, op het gebied van de politiek is zij levensgevaarlijk. In tijden die, alle geschreeuw over «puinhopen» en «de verweesde samenleving» ten spijt, relatief rustig en geordend zijn, kan deze esthetische politiek niet zoveel kwaad. In 1933 kon het wel kwaad. Toen Jaspers Heidegger in de zomer van dat jaar vroeg waarom hij dacht dat een onbeschaafd man als Hitler geschikt zou zijn om Duitsland te regeren, antwoordde de denker uit het Zwarte Woud: «Het gaat niet om beschaving! Kijk eens naar zijn mooie handen!» Het lijkt enigszins op de reactie die je vaak tegenkomt als er kritiek wordt geleverd op de denkbeelden van Pim Fortuyn: ach, politieke bekwaamheid? Hij droeg zulke mooie dassen!

Richard Wollin
Heideggers kinderen: Hannah Arendt, Karl Löwith, Hans Jonas en Herbert Marcuse
Uitg. Atlas, 351 blz., € 24,90

_____________________

Geert Warnar
Ruusbroec

Of de mystiek van Jan van Ruusbroec (1293-1381) «echt» was, dat wil zeggen rechtstreeks door de Allerhoogste ingefluisterd, daarover wordt al sinds het eind van de veertiende eeuw gestreden. De volgelingen van deze prior van het nabij Brussel gelegen klooster Groenendaal waren overtuigd van ’s mans heiligheid, maar de kerkelijke autoriteiten, die in zijn geschriften weliswaar niets aantroffen dat strijdig was met de katholieke leerstellingen, vroegen zich af of hij toch niet gewoon een geleerde was. Canonisatie bleef daarom uit, al werd hij in 1908 «alvast» wel zalig verklaard. Belangrijker lijkt tegenwoordig het feit dat hij voor de Lage Landen hetzelfde deed als Dante voor Italië. Als eerste schreef hij over religieuze en geleerde zaken in de volkstaal, waarmee hij die dus mede vorm gaf. Warnar schreef over hem een voorbeeldige en fraaie biografie.
Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep,
398 blz., € 34,95

Roland Willemyns & Wim Daniëls
Het verhaal van het Vlaams

Ruusbroec was niet de enige die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de taal van de Zuidelijke Nederlanden. In dit boek wordt de geschiedenis van het Vlaams gevolgd van de Middeleeuwen tot de nog altijd niet volledig uitgevochten taalstrijd in België. Het is een spannend verhaal, want in tegenstelling tot Nederland, waar de taal uitgevonden lijkt te zijn door en voor ambtenaren, heeft die taal in Vlaanderen vaak voor veel politieke beroering gezorgd. Bovendien heeft dat Vlaams ook grote invloed gehad op de taal boven de Moerdijk, en is het geen toeval dat de grootste Nederlandstalige schrijvers van de twintigste eeuw Elsschot, Boon en Claus heten.
Uitg. Standaarduitgeverij / Het Spectrum,
399 blz., € 26,95

J. de Bruijn & C.B. Wels (red.)
Met man en macht

In Duitsland hangt er tegenwoordig een luchtje aan, maar in Engeland is krijgshistoricus een gerespecteerd beroep. Nog altijd worden er kasten vol geschreven over de ontelbare gewapende conflicten waarbij deze ogenschijnlijk zo flegmatieke en vriendelijke eilandbewoners betrokken zijn geweest. In Nederland treft men, behoudens wat tenenkrommende gedenkboeken, in diezelfde kasten weinig aan dat de moeite waard is. Dit overzichtswerk, dat de militaire geschiedenis van Nederland te land, ter zee en in de lucht beschrijft tussen 1550 en 2000 is dan ook zeer welkom. Het laat zich niet allemaal met rode oortjes lezen, maar als naslagwerk zal dit boek zijn nut bewijzen.
Uitg. Balans, 460 blz., € 35,-

Joseph-Marie de Maistre
De avonden in Sint-Petersburg

Onder de Verlichtingsfilosofen had je lieden met een gouden pennetje, maar geen van hen kon tippen aan deze vurige en ongehoord meeslepend schrijvende bestrijder van de Verlichting, die leefde van 1753 tot 1821. Waar de ironie van Voltaires Filosofisch woordenboek soms gaat vervelen en zijn raak geformuleerde inzichten op ons dikwijls de indruk maken van een open deur, is Maistres lofzang op de van God gegeven orde en zijn aanval op rationalisme, materialisme en revolutie, ronduit fascinerend en huiveringwekkend. Beroemd is zijn beschrijving van de beul. «En toch berust alle grootsheid, alle macht, alle gehoorzaamheid op de scherprechter: hij is de gruwel die de mensen bindt. Stuur dit onnaspeurlijk personage de laan uit, en orde wijkt voor chaos, tronen vallen om en de samenleving desintegreert.» Mooi vertaald en van een informatief en sympathiserend voorwoord voorzien door Robert Lemm.
Uitg. Klement / Pelckmans, 191 blz., € 17,90

Heinrich Heine
Reistaferelen

Maistre was nog maar drie jaar dood toen Heine vanuit Göttingen vertrok voor een voetreis door de Harz. Hoewel hij geldt als een romantisch dichter en de Romantiek dikwijls wordt beschouwd als reactie op de Verlichting, heeft Heine niets te maken met een Verlichtingshater als Maistre. Al meteen op de eerste bladzijde, in zijn beschrijving van de stad waar hij studeerde, weerklinkt de ironie van Voltaire: «De stad zelf is fraai en bevalt het meest als men er met zijn rug naartoe staat.» Behalve Die Harzreise heeft Wilfred Oranje ook alle andere reisverhalen en -gedichten vertaald. Natuurlyriek en maatschappijkritiek wisselen elkaar af. «Wat moeten de papen wanneer de koningen inzien dat een beetje zalfolie geen mensenhoofd guillotinebestendig kan maken, net zoals het volk dagelijks meer en meer inziet dat hosties de buik niet vullen?»
Uitg. Atlas, 729 blz., e 39,90

Leo Molenaar
De rok van het universum

Dat grote gaven op het gebied van de wetenschap, en een hart op de goede plaats, niet altijd leiden tot groot politiek inzicht, blijkt weer eens uit deze biografie van de astronoom Marcel Minnaert (1893-1970). De in Brugge geboren Minnaert was een briljant leerling, was in 1909 de beste scholier van België en promoveerde in 1914 cum laude als bioloog. Als overtuigd flamingant koos hij voor het zogenaamde activisme, dus voor samenwerking met de Duitse bezetter. Als docent aan de vervlaamste Universiteit van Gent gold hij na de oorlog in België als collaborateur en moest hij naar Nederland vluchten. Uiteindelijk werd hij hoogleraar sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, en ontpopte hij zich tijdens de Koude Oorlog als fellowtraveller. Een fraaie biografie, waarin leven, wetenschap en politiek kundig met elkaar verweven zijn.
Uitg. Balans, 602 blz., € 35,-

Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel
Kamp Amersfoort

Uiteraard is het niet helemaal het kamp dat bij ons thuis boven de eettafel zweefde en dat als niet gedefinieerd «ijkpunt» fungeerde, maar dit boek biedt wel een wetenschappelijk verantwoorde beschrijving van het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort. De verschillende fases in de geschiedenis van het kamp, de verschillende categorieën gevangenen en de structuur en organisatie worden helder uiteengezet, waarbij de auteur oog heeft voor de wisselwerking tussen het leven achter het prikkeldraad en ontwikkelingen daarbuiten.
Uitg. Mets & Schilt, 267 blz., € 25,-

John Gray
Strohonden

Van de buitengewoon productieve en invloedrijke politiek filosoof John Gray was bij mijn weten nog geen boek vertaald. Met deze «gedachten over mensen en andere dieren» lijkt hierin verandering te komen. Hoewel hij blijkens de ondertitel geen reden ziet de mensen boven de andere dieren te plaatsen, is dit geen pleidooi voor het invoeren van «dierenrechten», zoals dat is gehouden door onder meer Peter Singer en Paul Cliteur. Gray is op zoek naar een filosofie die het humanisme overstijgt zonder in nihilisme te vervallen. Het cliché «prikkelend» is zonder meer van toepassing.
Uitg. Ambo, 208 blz., € 20,-