Kloof tussen leger en politiek

Het leger vertrouwt zijn opperbevelhebber niet meer

De houding van de regering in het debat over de burgerslachtoffers door een Nederlandse F-16-aanval in Irak is slecht gevallen bij militairen en veteranen. ‘We willen een regering die voor de militairen opkomt.’

Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert bezoekt Nederlandse militairen in Mali. Februari 2017 © Evert-Jan Daniels / ANP

Marco maakt met twee vingers een draaiende beweging langs zijn slaap, alsof hij een film afdraait. ‘Klik-klik’, zegt hij. ‘Associëren, klik-klik, steeds een stapje verder denken. Dat doen veteranen nu eenmaal. Deed je in het veld ook. Daar beschermde het je. Maar thuis moet je het niet doen. Dat deed ik wel, en dat is fout.’

Marco Boerendonk werd uitgezonden naar Bosnië, Irak en drie keer naar Afghanistan. We spreken elkaar in de Thuishaven, een grote boerderij in de bossen naast de start- en landingsbaan van vliegveld Eelde, in het noordelijke puntje van Drenthe. Aan het begin van het toegangspad staat een nagebouwd wachthuisje met een slagboom; er wappert een Nederlandse vlag. Hier kunnen veteranen met een post-traumatische stressstoornis beschermd wonen.

Ik heb Marco opgezocht om het te hebben over de verhouding tussen politici en militairen. Hij laat zijn diepe stem luid klinken, zijn opvallende ogen staan fel, als hij z’n visie samenvat. ‘Nederlandse militairen komen voor Nederland op. We willen een premier die óók voor Nederland opkomt, en voor de militair. Wij willen die steun nu terug krijgen.’

Aanleiding is het debat over de burgerdoden die onbedoeld vielen toen een Nederlandse F-16 een bommenfabriek van Islamitische Staat bombardeerde in de Iraakse stad Hawija. Dat gebeurde op 3 juni 2015. Er bleek veel meer springstof in het gebouw te liggen dan was ingeschat. De zeer hevige secundaire explosie verwoeste een complete woonwijk. In de periode daarna meldde toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert (vvd) tweemaal aan de Tweede Kamer dat er geen burgerslachtoffers waren gevallen door de inzet van F-16’s boven Irak, terwijl ze waarschijnlijk wel wist dat die er waren. Vorige maand publiceerden nos en nrc bewijs dat bij de aanval minstens zeventig burgerdoden vielen.

De huidige minister van Defensie, Ank Bijleveld (cda), meent dat haar voorgangster de Kamer verkeerd heeft geïnformeerd. Bovendien zouden destijds via de Stuurgroep Missies en Operaties ook de ministeries van Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken op de hoogte zijn gebracht. Premier Rutte liet de afgelopen weken herhaaldelijk weten zich dat niet te kunnen herinneren. Dat wordt hem door veel militairen kwalijk genomen.

Daarbovenop kwam nog eens een uitlating van DENK-parlementariër Selçuk Öztürk. Hij repte van ‘moorden die worden verzwegen’. ‘Ik lag er wakker van’, zegt Michael Ruperti. ‘Ik kon niet begrijpen dat hij weigerde zijn woorden in te trekken en excuses te maken.’ Ruperti, als advocaat gespecialiseerd in militaire zaken, was diep gekwetst. Hij was acht jaar als jurist werkzaam bij Defensie en werd uitgezonden naar Bosnië. ‘Alles wat militair is, is solidair aan elkaar. De volksvertegenwoordigers sturen ons op pad om de rechtsstaat te beschermen. Dan mogen we niet toestaan dat een van hen ons moordenaars noemt.’

Om zeven uur ’s ochtends, na een nacht met nauwelijks slaap, wist hij wat hem te doen stond. Hij besloot een aanklacht tegen Öztürk voor te bereiden wegens smaad en laster. Via sociale media maakte Ruperti zijn voornemen bekend. Al na een dag hadden zich ruim zeshonderd militairen, oud-militairen en veteranen (militairen die Nederland hebben gediend in oorlogsomstandigheden of vredesmissies) gemeld. Een week later, nadat hij op tv was geweest, aan tafel bij Jeroen Pauw, schoot de teller door de drieduizend heen. ‘Elke twee minuten krijg ik een aanmelding’, zegt hij aan de telefoon. Hij vertrouwt erop dat hij er in zal slagen om de parlementaire onschendbaarheid van Öztürk ‘te tackelen’, zegt hij.

De massale onderschrijving van de aanklacht is een nette manier van Nederlandse militairen om in verzet te komen tegen Den Haag. Dat gebeurt niet vaak. De krijgsmacht heeft de politiek als opdrachtgever en is gewend en getraind om die te volgen, desnoods knarsetandend.

De krijgsmacht volgt de politiek, denoods knarsetandend

Veel democratieën hebben een militaire opperbevelhebber benoemd die verantwoording moet afleggen aan de politiek. Nederland niet. Bij ons is het opperbevel in handen van de regering. De krijgsmacht voert uit wat de politiek opdraagt. De Commandant der Strijdkrachten (cds) dient de regering en is haar hoogste militaire adviseur. Onder hem ressorteren de commandanten van de krijgsmachtdelen. Als alles goed gaat, sluiten de werelden van de krijgsmacht en de politiek aardig op elkaar aan, maar tegenwoordig gaapt tussen Den Haag en de militairen een kloof die steeds wijder wordt.

De kwalificatie ‘moord’ maar vooral het ‘politieke gedraai’ rond de Iraakse burgerslachtoffers, toont die kloof in optima forma. Ik sprak met acht militairen, zowel dienend als afgezwaaid, sommigen anoniem, om zicht te krijgen op de afstand tussen hen en de politiek. Zij verwachten van hun opdrachtgever eerlijkheid. Een helder beleid. Geen politieke spelletjes.

Vrijwel alle militairen die ik sprak menen dat Den Haag al in een vroeg stadium van de burgerdoden geweten moet hebben. Ook minister Hennis. Zo zijn nu eenmaal de procedures. Een van de geïnterviewden, die wegens zijn functie anoniem wil blijven, is goed bekend met de controles rond luchtaanvallen door Nederlandse vliegers. Hij beschrijft de lange reeks van checks voordat een doel gebombardeerd kan worden. Zo bevindt zich in de controlelijn een zogeheten ‘5 Bravo’. Dat is een officier die gespecialiseerd is in secundaire explosies – zoals bij het Hawija-bombardement wegvaagde. De krachtige camera van de F-16 maakt beelden van de aanval voor een ‘collateral damage assesment’ die onmiddellijk worden doorgestuurd en dan gaat de 5B rapporteren.

Met rapporteren heeft luitenant-generaal b.d. Mart de Kruif veel ervaring. Volgens hem is het ‘een raadsel waarom het fout lijkt te zijn gegaan’. Vanaf eind 2008 was hij een jaar lang commandant van het Regional Command South in Afghanistan van de Navo-troepenmacht Isaf. Hij voerde het bevel over 45.000 man, waaronder Amerikaanse, Canadese, Britse en Nederlandse eenheden. ‘Bij zoveel burgerdoden gaan aan militaire kant meteen alle alarmbellen rinkelen’, zegt De Kruif. Hij maakte herhaaldelijk mee dat Navo-acties het leven hadden gekost van burgers. ‘Er waren directe lijnen vanaf ons centrale commando naar alle betrokken landen. Als zoiets vreselijks gebeurde, werd het direct gemeld’, zegt hij. Dan kwam het via de Directeur Operaties uiteindelijk bij de minister terecht. Wat hij eveneens ‘raadselachtig’ vindt, is dat nu juist minister Hennis erg streng was. ‘Ze eiste steeds absolute duidelijkheid en transparantie.’

Generaal Mart de Kruif brengt een veldbezoek aan de Nederlandse troepen in provincie Helmand in Afghanistan. Augustus 2009 © Cynthia Boll / De Beeldunie

Het gebrek aan openheid is een belangrijk pijnpunt voor de militairen. Hoewel de Nederlandse krijgsmacht de afgelopen decennia veel gevechtservaring heeft opgedaan, ontbreekt het nog steeds aan openheid over de pijnlijke kanten van oorlogsvoering. Veel militairen betreuren dat. Ook majoor Ivor Wiltenburg. ‘Ik verwacht van mijn politieke opdrachtgever dat die wéét dat de Nederlandse krijgsmacht niet zomaar bommen gooit. Ik zou willen dat Den Haag dat meer uitdroeg.’ Als er burgerslachtoffers vallen, is er iets bijzonders aan de hand. ‘Dat kunnen we uitleggen. We hoeven het niet te verzwijgen.’

Wiltenburg weet waarover hij praat. In Uruzgan maakte hij als luitenant deel uit van een Operational Mentoring and Liaison Team dat Afghaanse militairen een praktijkopleiding gaf in het veld onder het motto: Train them while you fight. De omlt’s in Uruzgan leverden een reeks zware gevechten, soms man tegen man. Geregeld vroegen ze om luchtsteun. ‘De politiek geeft de indruk dat het niet mag, en niet kan dat er af en toe burgerslachtoffers vallen. Alsof wij militairen geen verantwoording afleggen over waarom iets is gebeurd.’ Soms zijn burgerslachtoffers onvermijdelijk als een militair doel echt uitgeschakeld moet worden, om nóg meer slachtoffers te voorkomen. Wiltenburg: ‘Het oorlogsrecht biedt daartoe mogelijkheden. Elke militair weet dat, al is het elke keer weer treurig als burgers dan de dupe worden. Oorlog is een vies spelletje. Besef dat, verbloem het niet.’

Majoor b.d. Niels Roelen is het daarmee eens. ‘Ze zeggen vaak dat de waarheid het eerste is wat tijdens een oorlog sneuvelt. Dat klopt niet. Het eerste wat sneuvelt is de leugen. De leugen die de politiek verspreidt over de missie.’ Afgelopen zomer verliet hij de krijgsmacht om zich toe te leggen op zijn schrijfwerk. Hij publiceert regelmatig in de NRC en schreef Soldaat in Uruzgan en Leven na Uruzgan, twee romans gebaseerd op zijn ervaringen als plaatsvervangend commandant van een verkennerseenheid in Uruzgan.

‘Over burgerslachtoffers moeten we niet zwijgen’, zegt majoor Wiltenburg

Dat je met precisiewapens een schone oorlog kunt voeren, is volgens hem zo’n leugen. ‘Je kunt inderdaad een bom precies op jouw hoofd laten vallen, maar ze zeggen er niet bij dat door de explosie ook de directe omgeving wordt weggevaagd.’ Ook Roelen vindt dat je daarover maar beter eerlijk kunt zijn. ‘De politiek is bang dat als er burgerslachtoffers vallen de steun voor militaire missies verdampt. Maar mensen snappen best dat het oorlog is, en dat daar slachtoffers bij vallen. Het is juist het gelieg en gedraai daarover waardoor de kloof tussen de politiek en de krijgsmacht zich verdiept. Daardoor voelen we ons niet serieus genomen en niet gesteund.’

Het is haast een wonder dat de krijgsmacht de politiek steeds braaf heeft gevolgd. Al ruim 25 jaar wordt er bezuinigd op defensie, en al jarenlang blijkt uit enquêtes van de militaire vakbonden dat militairen nauwelijks vertrouwen hebben in hun minister en de hoogste militaire leiding (de cds).

Tijdens de zwaarste missies in Afghanistan (2006-2010) hoefde weinig te worden ingeleverd, maar de Uruzgan-missie eindigde in de ogen van veel militairen rampzalig. Net toen de Nederlandse acties zich begonnen uit te betalen, werd de discussie over het verlengen van de missie in 2010 ‘gebruikt als excuus om het kabinet-Balkenende IV te laten vallen’, zegt Roelen. ‘En dat terwijl Nederlandse militairen keihard hadden gevochten. We voelden ons genaaid. Dat is bij veel militairen niet meer goed gekomen.’

Kort daarop, in 2011, ging het weer los met de bezuinigingen. Een flink deel van het personeel, een deel van de F-16’s en alle tanks werden geschrapt. ‘Operaties in het hoogste geweldsspectrum blijven mogelijk’, verkondigde premier Rutte echter.

De Kruif was in 2011 aangetreden als hoogste commandant van de Koninklijke Landmacht. In 2013 stelde hij een grens: hij weigerde de bezuinigingen uit te voeren zoals ze waren ingevuld door de politiek, en dreigde met ontslag. Hij accepteerde het besluit, maar wenste zelf over de invulling van het bedrag te gaan, om de Landmacht nog enige slagkracht te laten behouden. ‘Voor mezelf had ik besloten mijn functie ter beschikking te stellen als mijn verzoek niet werd gehonoreerd’, laat hij weten. Minister Hennis gaf hem gedeeltelijk zijn zin, wat hij ‘moedig’ vond. ‘Militair zijn is een vak. Ik ga toch ook niet een chirurg vertellen hoe hij moet opereren’, zegt De Kruif, terugkijkend. ‘De massale bezuinigingen hebben het geraamte van de krijgsmacht volledig uitgehold. Dat heeft geleid tot enorme risico’s op veiligheidsgebied.’

Dat bleek in 2014 toen Nederland besloot vierhonderd militairen naar Mali te sturen. De missie trok een zware wissel op de krijgsmacht, zelfs na een afgeslankte verlenging met tweehonderdvijftig man. Volgens de Algemene Rekenkamer was er gebrek aan materieel, onderdelen en medische ondersteuning en kon onvoldoende worden getraind. De geïnterviewde militairen noemden ‘Mali’ herhaaldelijk om aan te tonen hoe diep de kloof tussen het leger en Den Haag was. Want uiteindelijk bleek de missie vooral bedoeld om een tijdelijke zetel in de Veiligheidsraad van de VN te bemachtigen. En daarvoor zijn wij niet, vinden de militairen.

Volgens Wiltenburg laat dit goed zien hoe beperkt het Nederlandse militair-strategische denken is. Met een collega schreef hij het artikel Small State Strategic Thinking: The Case of The Netherlands voor het tijdschrift Strategy Bridge. ‘Ons strategische doel is meedoen met de Navo, de EU, de VN, de VS. Voor politici is dat doel al zo ongeveer bereikt zodra we voet aan de grond hebben gezet. Maar wij, Nederlandse militairen, blijven natuurlijk niet stilletjes achter de hekken zitten.’

Hoezeer de bezuinigingen de krijgsmacht hadden aangetast bleek op dramatische wijze in 2016. Eerst vond een commando de dood toen hij met zijn eenheid een antiterreur-oefening deed in een schietruimte van de politie, met flinterdunne wandjes. Er was geen geld voor een eigen, beter beveiligde ruimte. Vervolgens explodeerde in Mali een mortiergranaat bij het afvuren, met twee doden en een zwaargewonde als gevolg. De granaat behoorde tot een oude, ondeugdelijk opgeslagen partij. Voor nieuwe, veilige munitie was, opnieuw, geen geld. En Nederland maar lachen omdat militairen ‘pang-pang’ moesten roepen tijdens oefeningen wegens munitiegebrek, zeggen de geïnterviewde militairen. ‘Mali’ leidde uiteindelijk tot het aftreden van minister Hennis en cds Tom Middendorp.

Majoor Roelen: ‘Plat gezegd zitten militairen in the business of killing’

Wat bepaald niet helpt bij het bruggen bouwen tussen militairen en politici is het idee dat vechten Nederlanders nu eenmaal niet zo ligt. Militair-historicus Christ Klep onderzocht dit hardnekkige misverstand voor zijn dit jaar verschenen boek Van wereldmacht tot ‘braafste jongetje’: Onze militaire identiteit door de eeuwen heen. Nederland heeft een krijgshaftige, soms wrede militaire geschiedenis, die echter niet heeft geleid tot een strijdlustige traditie. Volgens Klep heeft Nederland, net als andere democratieën, zijn ‘gewelddadige kant verbannen naar een gespecialiseerde klasse op het slagveld’.

‘Plat gezegd zitten militairen in the business of killing’, zegt Roelen. ‘Alles wat je leert, is uiteindelijk bedoeld om zo effectief mogelijk te kunnen vechten.’ Maar als hij dat openlijk zei, werd hij vreemd aangekeken. Ook Wiltenburg ziet veel verhulling bij defensie. ‘Een oorlogsschip dat in Nederland een fregat heet, en in de VS een destroyer. Minister Hennis die iets wolligs zegt over ‘eenheden die zich kunnen handhaven op het hoogste geweldsniveau’, en haar Amerikaanse evenknie Mattis die gewoon zegt: ‘We gaan de strijdkrachten dodelijker maken’.

Mart de Kruif memoreert hoe jaarlijks op 11 november de Britten een hele dag hun militaire gevallenen eren, terwijl bij ons tijdens de korte herdenking op de Dam, waarbij alle oorlogsslachtoffers worden herdacht – ook de burgers – de cds als achtste een krans mag leggen. ‘Na de koopvaardijsector en de burgemeester van Amsterdam. Maar je zult de militairen er niet openlijk over horen klagen’, zegt De Kruif.

Het zijn twee werelden apart, Den Haag en de krijgsmacht, en waarschijnlijk verandert dat niet snel. Zelfs niet nu het wereldwijd onrustig is en steeds meer mensen inzien dat Nederland zijn militairen nodig heeft. Op papier heeft de krijgsmacht er deze kabinetsperiode geld bij gekregen. Sinds het begrotingsdieptepunt van 2014 heeft ze in 2020 drie miljard extra. ‘Het budget van Defensie komt daarmee op 11,035 miljard euro’, aldus Defensie zelf. Maar het zal lang duren voordat de krijgsmacht weer net zo ervaren is als tijdens de Afghanistan-missies. Door de jarenlange bezuinigingen kampen de strijdkrachten nog steeds over de hele line met materieeltekorten en een uittocht van ervaren mensen. Eenheden die je wegsnijdt, kun je niet zomaar weer terugzetten. ‘Je kunt niet even een bataljon kopen als het nodig is, je bouwt een krijgsmacht langzaam op van binnenuit’, zegt generaal De Kruif. Geen van de geïnterviewde militairen durft er vanuit te gaan dat Den Haag in de toekomst niet opnieuw gaat bezuinigen. ‘Als de politiek maar inziet dat je dan ook gewoon “nee” moet verkopen als de Amerikanen vragen om een militaire bijdrage. Anders vallen er misschien opnieuw onnodige doden’, klinkt het.

Minister van Defensie Ank Bijleveld op Vliegbasis Eindhoven. De laatste militaire eenheid keert terug uit Mali. 17 mei © Rob Engelaar / ANP

Een keurig rijtjeshuis in Emmen. De voordeur gaat open, een vrolijke, lange man op blote voeten steekt zijn hand uit. In de lichte huiskamer staat zachte, meditatieve muziek op. ‘SRAY, The Spa’, meldt de home-stereo via het tv-scherm.

Arjan Hofsteenge zit grijnzend op de bank. Hij werd verschillende keren uitgezonden. Ik ken hem uit Uruzgan, waar hij sergeant was op de vooruitgeschoven post ‘Volendam’. In zijn gebied werd in de zomer van 2007 hard gevochten.

De missie veranderde hem. Hij scheidde van zijn vrouw en kreeg een burn-out, omdat hij de ‘opdracht’ , die heilig is voor militairen, aan de onderofficieren moest verkopen terwijl hij wist dat door de bezuinigingen de middelen ontoereikend waren. ‘Ik kon mijn mensen niet meer recht in de ogen kijken.’ Tijdens zijn ziekteverlof raakte hij op een ander pad. Het ‘gevoel’ kwam terug in zijn leven. Ooit was hij opleidings-sergeant bij de Luchtmobiele Brigade. ‘Ken je de film Full Metal Jacket? Een beetje dat werk.’ Hij erkent nog steeds het belang van drills, het automatisch uitvoeren van gevechtshandelingen, voor het overleven in oorlogssituaties. ‘Maar wij leerden die jongens zo dik in hun ego te zitten, dat ze hun gevoel uitschakelden. En juist ruimte geven aan gevoel op een moment dat het kan, voorkomt trauma’s.’

Bij het afscheid krijg ik een omhelzing. ‘Dit voelt goed’, zegt de veteraan

Inmiddels is hij sergeant-majoor en werkt hij als mentor van een compagnie van de Nationale Reserve. Hij coacht militairen van hoog tot laag, ook degenen met trauma’s. Bij veteranen ziet hij het te vaak misgaan. ‘Wij hebben een can do-mentaliteit. Zelfs als we niks hebben, gaan we als MacGyver aan de slag om te zorgen dat het lukt. Ik zie veteranen die dat gedaan hebben, precies zoals de politiek het wilde. Bij terugkomst gaat het mis, en dan zegt Defensie: dat komt niet door de missie, maar omdat jij vroeger als jongetje werd gepest.’ Hoofdschuddend. ‘Dat vind ik zo schrijnend.’

Naast zijn mentorfunctie is hij yogaleraar op twee kazernes, opgeleid op kosten van defensie. ‘Kijk, dat kan dus óók bij ons. Misschien is er hoop.’

Hoe hij denkt dat de kloof met de politiek gedicht kan worden? ‘Dat kan alleen als we elkaar leren te vertrouwen’, zegt hij. Hij spreekt het woord nadrukkelijk uit. Zwijgt even, kijkt weg. Als hij weer begint te spreken is hij geëmotioneerd. ‘De regering vertrouwt er niet op dat als er iets fout gaat wij ons uiterste best hebben gedaan om dat te voorkomen. Men begrijpt in Den Haag gewoon niet hoe belangrijk dat vertrouwen is. Tijdens al mijn uitzendingen heb ik steeds het gevoel gehad dat als er iets zou gebeuren wat politieke gevolgen had, ik uiteindelijk de lul zou zijn. Shit flows down. Ik voel mij niet beschermd.’

Bij het afscheid krijg ik een omhelzing. ‘Dit voelt goed’, zegt hij.

Ik rijd in veertig minuten naar de Thuisbasis, waar Marco Boerendonk verblijft. Onderweg passeer ik legervoertuigen. Die zie je al lang niet meer in de Randstad. De krijgsmacht is verbannen naar de periferie.

Marco ken ik net als Arjan uit Uruzgan. Toen in september 2007 zo’n duizend Talibanstrijders gecoördineerde aanvallen uitvoerden op Afghaanse politieposten en Nederlandse patrouilles, reisde ik mee in zijn Patria-pantserwagen. Marco was medic en zijn Patria zat tjokvol levensreddende spullen. Maar de medics waren wel bewapend. ‘Ik schoot pas als ik zelf werd aangevallen, zeker als dat gebeurde terwijl ik een gewonde aan het behandelen was.’ Tijdens latere gevechten, waar ik niet bij was, redde hij kort na elkaar met zijn collega’s de levens van twee militairen – een Amerikaan die in zijn hoofd was geschoten en een Nederlandse boordschutter die een zware bermbom ternauwernood had overleefd.

Marco is op de weg naar boven. Hij deed mee aan een tv-serie waarin Beau van Erven Dorens met een groep veteranen naar Noorwegen reisde. Nu is hij beroemd, en wordt hij veel gevraagd om veteranen toe te spreken over hoe hij uit het dal is geklommen. Hij heeft een eigen kamer op de Thuisbasis, zodat hij alvast kan wennen aan zijn nieuwe leven in de burgermaatschappij. Hij hoopt in aanmerking te komen voor een militair invaliditeitspensioen. Tegenwoordig erkent defensie bij ptss’ers nog slechts een invaliditeit van maximaal dertig procent. Marco zeurt daar niet over waar het hemzelf betreft. Maar het is wel zuur voor die jongens die echt niets meer kunnen door hun uitzending. Je zou willen dat Defensie beter voor zijn mensen zorgde.’

Ook hier bij het afscheid een omhelzing – dit is echt een andere wereld dan de politiek. Marco kijkt me na als ik wegloop, over het donkere pad van de Thuisbasis, langs het wachthuisje en de slagboom. Hopelijk is zijn hoofd nu wat rustiger. In mijn eigen hoofd gonst een cijfer, het getal vijfentwintig. Dat komt door het einde van ons gesprek, dat me maar niet los laat.

Nadat Marco in stilte opnieuw een reeks mentale klikjes had gemaakt, zei hij: ‘Weet je wat het óók is, bij ons veteranen? Als de premier zegt dat hij zich die burgerdoden niet kan herinneren, dan denken wij meteen een paar stapjes verder. Dan vragen wij ons af of hij misschien ook andere dingen niet meer weet. Misschien moet iemand in de Tweede Kamer eens checken of hij zich nog kan herinneren hoeveel van ons in Afghanistan zijn gesneuveld.’