Het letterkundig manifest

FRIEDRICH ENGELS in gesprek met Karl Marx, op 31 januari 1848, in de reconstructie van Theun de Vries, precies honderd jaar na de publicatie van het Communistisch manifest.

’“Een groot deel van de Duitse arbeiders is onmogelijk”, constateerde Engels. “Begrijpen ook hun plichten als arbeiders niet. Slaapmutsen die elkaar geen enkele penning gunnen. Als zij niet verkalkt zijn in hun oude ideeën van ‘harmonie en vrijheid’, laten ze zich verpesten door Proudhon en consorten. Of ze proberen zo snel mogelijk op te klimmen tot kleine bourgeois… wat overigens ook een vorm van verkalking is.” Hij maakte een kwaadaardige beweging met de gebalde vuist. “Zou je ons niet een kop sterke koffie…?” begon Marx, sprekend in de richting van zijn echtgenote. De heren kwamen ter zake. Hoe stond het met het Manifest, dat Marx beloofd had op korte termijn te zullen schrijven? Zwijgend overhandigde Marx zijn vriend de brandbrief van de Communistenbond. Engels begon te lezen. “Fffft… Dat is niet mis”, verzuchtte hij. “Ze willen maatregelen tegen je nemen, als ze het ontwerp niet voor 1 februari ontvangen… Lelijk, lelijk.” Marx stelde hem gerust. “De kluit is al verteerd”, zei hij. Het Manifest was reeds lang en breed op weg naar Londen, de voorlopige standplaats van de jonge Communistenbond. “Overigens hebben ze in Londen gelijk dat ze haast vragen”, zei Engels. “Het is onrustig in het oude werelddeel, en als er wat gebeurt moeten we er met ons standpunt bij zijn.”’ DE VOORNOEMDE brandbrief ('In het geval dat K. Marx in gebreke blijft verlangt het Centraal Comité onmiddellijke retournering van de hem ter beschikking gestelde documenten’) heeft die typisch Pruisische snauwtoon die vele communisten in spe - vaak Duitse, min of meer intellectuele, emigranten - had doen besluiten hun vaderland te verlaten. Het document valt te bezichtigen in het Karl Marx-museum in Trier, gevestigd in de burgermanswoning waar de latere socialistenleider de eerste zeventien jaar van zijn leven doorbracht. Het museum is een ideologisch curiosum, een paar vierkante meter klassenstrijd te midden van een conservatieve, grotendeels katholieke gemeente. Eerst stond het huis onder protectie van de sociaal-democraten. Daarna werd het demonstratief door de nazi’s ingepikt als bewijs dat men Marx definitief mores had geleerd. Na de oorlog ontfermden andermaal de sociaal-democraten zich over het monument, al bekoelde de belangstelling naarmate de Sovjetunie zich steeds meer ging misdragen. Even leek de peetvader van de moderne arbeidersbeweging aan een comeback bezig te zijn, toen de Generatie van Achtenzestig hem herontdekte en annexeerde. Maar de jonge revolutionairen werden al snel oud voor hun tijd - bovendien was er aan die zogenaamde volksdemocratieën aan de andere kant van het IJzeren Gordijn weinig plezier te beleven - en de proletariërs aller communistische landen werden in toenemende mate aan de ultieme Verelendung onderworpen, waarna het communisme werd afgeschaft en de definitieve triomf van het kapitalisme werd uitgeroepen. De echo’s van de diverse wereldschokkende gebeurtenissen dreunen nog na tussen de muren van het Karl Marx-museum. Je ziet er nog wel eens groepjes geestdriftige Chinezen ronddwalen, of een enkele westerse getrouwe. Maar inmiddels hebben de meeste toeristen méér belangstelling voor de Trierse, inderdaad alleszins passabele wijnen dan voor Marx’ Communistisch manifest. Of zoals een kenner van de plaatselijke zeden en gewoonten zegt: 'Honderdduizend alcoholisten kunnen zich onmogelijk vergissen.’ Daar ligt het dan, in de vitrines, veelkleurig en veeltalig: het Communistisch manifest. Plus de eerste en enig bewaarde bladzijde van het manuscript. Het moet een replica zijn, gezien het stempel IISG aan de bovenzijde. Deze afkorting staat voor Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, het befaamde Amsterdamse archief en documentatiecentrum aan de oevers van het Amsterdamse IJ. De historicus Werner Sombart noemde het Communistisch manifest 'het geniaalste pamflet van de negentiende eeuw’. Zijn communistische collega Boris Nikolajevski noemde het zelfs, met enige marxistisch-leninistische overdrijving, 'het geniaalste pamflet uit de gehele wereldliteratuur’. De communistenleider Vladimir Iljitsj Lenin constateerde: 'Dit kleine boekje weegt op tegen complete bibliotheken.’ Zijn opvolger, de letterlievende Josef Stalin, sprak poëtisch over 'het lied aller liederen van het marxisme’. Ja, er waarde door het Europa van de jonge Marx een spook, het spook van het communisme in de gestalte van de arbeiders die niets anders dan hun ketenen hadden te verliezen. De drukinkt van het Communistisch manifest was nauwelijks droog of wederom werd de revolutie uitgeroepen, in Parijs natuurlijk, dat na de woelingen van 1789 en 1830 waarachtig plezier in het handwerk begon te krijgen. 'De heren van de bourgeoisie begonnen te sidderen’, reconstrueerde het marxistische tijdschrift Die Neue Gesellschaft (1953). 'Op 22 februari 1848 schalt La Marseillaise door de straten van Parijs. Arbeiders, handwerkers en studenten kwamen tegen de Franse bourgeoisie in opstand. De stormklokken van de Notre Dame luidden het revolutiejaar 1848 in. Het proletariaat betrad ten eersten male het strijdperk als zelfstandige kracht met zijn eigen eisen. Het Communistisch manifest heeft hun de weg gewezen.’ Is het niet prachtig? Jammer, dat het niet waar is. Het Communistisch manifest heeft geen enkele invloed op deze revolutie gehad. Het geschrift was op dat moment nog niet in het Frans voorhanden. En ook de vele vertalingen die volgden in het Engels, in het Nederlands, in het Italiaans, in het Deens en in het Pools 'hadden geen enkele invloed’, zoals Friedrich Engels zelf veertig jaar later vaststelde, toen het Communistisch manifest eindelijk werd herdrukt. Was de door Marx voorspelde revolutie dan niet op z'n minst een prognose geweest, die van veel politiek inzicht getuigde? Helaas, zelfs deze vorm van krediet zij de auteur niet vergund. Het was niet zozeer een prognose als wel een toevalstreffer, waarbij wij bovendien niet moeten vergeten dat al die loslopende revolutionairen van die tijd, zowel de autochtone als de gevluchte, in hun blaadjes en pamfletten aan de lopende band de revolutie voorspelden, vaak met dezelfde argumenten en dezelfde formuleringen. DAT KARL MARX in die dagen grotendeels voor dovemansoren sprak, laat de verdiensten van zijn tien-puntenplan, het programmatische hart van het Communistisch manifest, onverlet. Hij pleitte voor: 1. onteigening van de grond; 2. sterk progressieve belastingen; 3. afschaffing van het erfrecht; 4. verbeurdverklaring van het eigendom van emigranten en rebellen; 5. centralisatie van de kredietverschaffing door middel van een nationale bank; 6. nationalisering van het verkeer en transport; 7. uitbreiding van het aantal staatsondernemingen; 8. algemene arbeidsplicht; 9. samenvoeging van landbouw en industrie, mede om het verschil tussen stad en platteland op te heffen; 10. afschaffing van de kinderarbeid, te vervangen door een kosteloos opvoedingsprogramma. Dat klonk voor die tijd revolutionair en ook ons, laat-twintigste-eeuwers, klinkt het nog in de oren als een staatkundig concept dat alleszins de moeite van het overdenken waard is. De vraag is wél wat er nu zo communistisch is aan dit manifest. De schrijver had voor hetzelfde geld een radicale sociaal-democraat kunnen zijn. Beide begrippen liepen in zijn tijd vaak dwars door elkaar heen. En ook later waren er sociaal-democraten die zich de erfenis der vaderen niet door de stalinisten lieten afnemen. Een bedachtzaam en belezen man als Willem Drees Sr. bijvoorbeeld, is zich zijn leven lang marxist blijven noemen, een marxist als Kautsky, Bebel, Bernstein en Jaurès, die hij hogelijk bewonderde en wiens borstbeeld hij op zijn bureau ministre had staan. De Nederlandse staatsman prees het Communistisch manifest om zijn 'grootse conceptie’ en 'veruitziende visie’, waarvoor hij zelf in het Nederland van de noodgedwongen compromissen en coalitie-politieke strategieën nooit een voet aan de grond heeft kunnen krijgen. Het is dan ook een diep ingeslepen misverstand dat Drees in de woelige jaren zestig zijn Partij van de Arbeid heeft verlaten omdat deze onder aanvuring van veranderingsgezinde partijgenoten te links zou zijn geworden. Hij vond de partij veeleer te rechts en bleef een voorstander van het nationaliseren van de levensverzekeringsmaatschappijen en van typisch gemeenschapsbezit als de IJsselmeergronden. PARTIJPROGRAMMA’S zijn beginselverklaringen die zelden invloed hebben op de politieke praktijk. Zo ook Marx’ Communistisch manifest. Maar als het Communistisch manifest geen directe invloed heeft gehad en bovendien door de latere generaties te utopisch voor gebruik is bevonden, waaraan heeft het dan zijn wereldwijde roem te danken? Aan zijn stijl, veronderstel ik, aan dat vuurwerk van apodictische formuleringen, aperçu’s en visionair ogende voorspellingen. De Marx-haters, de socialistenvreter Leopold Schwarzschild op kop, hebben inmiddels uitgevonden dat al die gevleugelde woorden uit het Communistisch manifest - van de arbeiders die geen vaderland zouden hebben tot en met de proletariërs aller landen die zich dringend dienden te verenigen - één revolutionair stadium eerder door andere revolutionairen zijn verzonnen. Niettemin was het Marx die ze beroemd heeft gemaakt. In die jaren was het trouwens volstrekt gebruikelijk, gebruikelijker dan thans, dat men zich zonder bronvermelding door elkaar liet inspireren. Er bestaat zelfs reden om aan te nemen dat ook dat andere beroemde Marx-aperçu, over de dwarsverbindingen tussen opium en volk, niet door hemzelf is bedacht. Men oordele zelf. Marx deed deze bewering in zijn Kritiek op de hegeliaanse rechtsfilosofie (1843). Hij was bevriend met de stervenszieke morfinist Heinrich Heine, die even eerder - in 1840, in zijn strijdschrift tegen Ludwig Börne - de godsdienst 'het edict van de lijdende mensheid’ noemde, 'geestelijk opium, een paar druppels liefde, hoop en geloof’. Zoals Heine zelf, ironisch genoeg, bij het formuleren van deze woorden dicht heeft aangeleund tegen een vergelijkbare frase van diezelfde Börne, die in 1835, in een recensie van Heines De l'Allemagne, het christendom óók al 'le medicin’ van de lijdende mensheid noemde. Wij willen best het politieke effect van Marx’ fameuze pamflet relativeren, want de waarheid is ons heilig. Maar een plagiator was hij niet. Hij was hoogstens een kind van zijn tijd, waarin de letterkundigen elkaar op het scherp van de snede bevochten, ondertussen zonder scrupules gebruik makend van elkanders grappen, vondsten, metaforen en filosofische bevliegingen. MISSCHIEN WAS MARX niet zozeer een politicus als wel een schrijver, zij het een schrijver die voor een kunstenaar tamelijk veel verstand van politiek had. Ach, al die vruchteloze, energievretende polemieken waar hij een half leven mee vulde, polemieken tegen Bakoenin, Freiligrath, 'de ijzeren leeuwerik’ Georg Herwegh, Herzen, Weitling, 'het joodje’ Lassalle, Proudhon, de gebroeders Bauer en 'de communisten-rabbijn’ Mozes Hess… En wat te denken van Das Kapital, het meest machteloze boek uit de geschiedenis van de menselijke beschaving, waarvan een Britse vakbondsleider, door Marx naar zijn mening gevraagd, verzuchtte dat hij het gevoel had 'een olifant cadeau te hebben gekregen’? Geen wonder dat allerwegen, door communisten en niet-communisten, de voorkeur aan het héél wat consumabeler Communistisch manifest wordt gegeven. De eminente Marx-specialist Isaiah Berlin is opvallend zwijgzaam over de politieke lading van het geschrift. Zijn waardering voor het geschrevene is niettemin groot. 'Het is een document van wonderbaarlijke dramatische kracht’, constateert Berlin. 'Naar de vorm is het een constructie van stoutmoedige, opmerkelijke historische generalisaties, uitlopend op een aanklacht aan het adres van de bestaande orde namens de wrekende krachten van de toekomst, grotendeels geschreven in een proza dat de lyrische kwaliteiten bezit van een groot revolutionair hymne.’ Hetgeen dus grotendeels een letterkundig waardeoordeel is over het jeugdwerk van een schrijver, die tussen het politiseren door aan een (overigens tragisch mislukte) roman werkte en bovenal verzen schreef. Verzen als: Nimmer kann ich ruhig treiben, Was die Seele stark erfasst, Nimmer still behaglich bleiben, Und ich stürme ohne Rast. Alles möcht’ ich mir erringen, Jede schönste Göttergunst, Und im Wissen wagend dringen, Und erfassen Sang und Kunst. Nou, dan weet je het wel. Hij was inderdaad onmiskenbaar goed in vorm, de jonge auteur van het Communistisch manifest! Neem die passage over privé-eigendom. 'Men heeft beweerd dat met de afschaffing van het privé-eigendom een algehele luiheid in zou treden’, schreef Marx. 'Zou dit wáár zijn, dan was de burgerlijke maatschappij allang aan traagheid ten onder gegaan, want zij die in deze burgerlijke maatschappij werken verdienen niets en zij die verdienen werken niet.’ DRIEKWART EEUW later volgde op de theorie de praktijk, in de gecollectiviseerde Sovjetunie; een halve eeuw later nagevolgd in menige sovjetsatelliet. Het was in alle opzichten een tragedie. De oudere Kremlin- en Pankow-watchers plegen graag te vertellen wat je overkwam als je probeerde een kop koffie te bestellen in de Karl Kautsky Konditorei aan de Marx-Engels-Platz te Berlijn, hoofdstad der Duitse Democratische Republiek. Dat werd, mits voorradig, drie kwartier na aankomst, mét voetbad, door een verveelde kelner op je slecht gereinigde tafeltje gekwakt. Want waarom zou hij zich uitsloven? Die twee stuivers winst gingen immers niet naar hem, maar naar het Centraal Comité van de Eerste Arbeiders- en Boerenstaat. Met andere woorden, als Marx al een visionair is geweest, heeft hij niet zozeer de schaduwzijden van het kapitalisme voorspeld als wel die van het communisme, en had zijn Communistisch manifest beter het Anticommunistisch manifest kunnen heten. Zijn theorieën waren gericht op 'de meest ontwikkelde landen’, niet op onontwikkelde naties als Cuba of Albanië, laat staan op het half-Aziatische, in een despotische traditie staand land als Rusland. Het was uitgerekend dit Rusland dat zijn leer in 1918 tot een 'marxisme à la tartare’ perverteerde, het Rusland dat hij haatte op een wijze die aan Russen-fobie grensde. Dit verschrikkelijke, terroristisch bestuurde tsarenrijk, liet Marx weten, zou zich eerdaags, als het niet in de teugels werd gehouden, uitstrekken van Stettin tot Triëst. En zélfs de Afghanen mochten wel oppassen dat zij niet door het vraatzuchtige Rusland werden opgevreten. Ha! Eindelijk een voorspelling die is uitgekomen! HET TELEFOONBOEK van de Marx-stad Trier telt enkele tientallen Marxen. Zij hebben niets met de schrijver van het Communistisch manifest te maken; de naam Marx is een afgeleide van het katholieke Marcus. De familie van Karl Marx was een importproduct. Vader Heinrich was een rabbijnenzoon uit het Saarland. Moeder Henriëtte was een rabbijnendochter uit Nijmegen. De jonge Karl zou, zoals bekend, na vele omzwervingen aan de leestafel van het British Museum belanden om daar, te midden der folianten, tot de onafwendbare conclusie te komen dat de middenstand gedoemd was ten onder te gaan, mede omdat de paupers bezig waren in een snel tempo verder te verpauperen. 'Verschaft de loonarbeid, de arbeid van de proletariër, hun eigendom? Geenszins!’ constateerde Marx. Vanachter de ramen van het Karl Marx-museum kijk ik de late middag in en zie hoe het volk, gekromd onder de kerstcadeaus, over de trottoirs schuifelt. In de richting van hun goed verlichte en goed verwarmde woningen. De soep staat op het vuur, een smakelijk stukje vlees zal er ook wel ingaan en straks, met een glas in de hand onder de kerstboom, tellen zij hun zegeningen.