Chinese fabrieksmeisjes

Het leven als lopende band

In een schoenenfabriek in Dongguan werken zeventigduizend mensen, meest meisjes onder de dertig. De Nikes en Puma’s moeten ruim voor kerst af zijn.

VOOR HET VERVAARDIGEN van een loopschoen zijn tweehonderd paar handen nodig. Het hele proces begint bij een zogeheten snijder, die onregelmatig gebogen stukken uitsnijdt uit een in ruitjes verdeelde lap kunststof, als een soort kinderlegpuzzel. Daarna komen de stikkers. Zij naaien de stukken samen tot het bovenwerk van de schoen, terwijl ze ondertussen andere onderdelen toevoegen, zoals een plastic logo en oogjes voor de schoenveters. Daarna verhitten de zoolmakers delen van de zool in een infraroodoven om ze samen te smelten. De assembleurs strekken het bovenwerk uit over een plastic vorm, oftewel leest, van een mensenvoet. Ze rijgen het bovenwerk stevig vast, strijken lijm op de zool, en persen het bovenwerk en de zool samen. Met een machine wordt ruim veertig kilo druk op elke schoen gezet. Afwerkers halen de leesten weg, controleren elke schoen op fouten, en leggen bij elkaar passende paren in kartonnen dozen. De dozen worden in kisten gestapeld, tien dozen per kist, en binnen drie dagen over de hele wereld verscheept. Elke schoen heeft een etiketje op de lip: Made in China.
Als je sportschoenen hebt, is de kans groot dat ze zijn gemaakt in de Yue Yuen-fabriek in Dongguan. Deze fabriek van een Taiwanese eigenaar is de grootste leverancier voor Nike, Adidas en Reebok, naast kleinere merken als Puma en Asics, die allemaal al lang geleden zijn gestopt met de eigen fabricage van schoenen en deze hebben uitbesteed aan fabrieken die veel goedkoper kunnen werken.
In de fabriek te Dongguan werken zeventigduizend mensen. Binnen de bakstenen muren van het fabrieksterrein slapen de arbeiders in fabrieksslaapzalen, eten in fabriekskantines en winkelen in fabrieksmagazijnen. Yue Yuen heeft een kleuterschool voor de kinderen van werknemers en een ziekenhuis met honderdvijftig man personeel; het beschikt over een bioscoop en een groep artiesten die voorstellingen op de planken brengt en er worden cursussen Engels georganiseerd. Yue Yuen heeft een eigen energiecentrale en brandweer; soms leent de stad Dongguan van de fabriek de brandweerauto met ladder, de grootste in de regio, om branden te blussen. Yue Yuen bottelt zijn eigen water.
Voor jonge migranten biedt Yue Yuen stabiliteit. Een baan aan de lopende band levert slechts een middelmatig loon op – ongeveer 72 dollar per maand blijft er netto over, wat overeenkomt met het officiële minimumloon dat de stad hanteert –, maar het wordt wel elke maand uitbetaald, en op tijd. Voor het werk geldt een limiet van elf uur per dag en zestig uur per week, met elke zondag vrij: uitzonderlijk voor een industrie waar tot ’s nachts doorwerken geen onbekend verschijnsel is. De werknemers van Yue Yuen slapen met hun tienen in een kamer met metalen stapelbedden, en ook dat is beter dan gemiddeld. Jonge vrouwen betalen vaak honderd yuan aan een bemiddelaar om hier een baan te bemachtigen; mannen betalen daar een veelvoud van. Tachtig procent van de werknemers bij Yue Yuen is vrouw; de meesten zijn in de leeftijd van achttien tot 25.
Een migrant die een baan bij Yue Yuen bemachtigt, werkt misschien nooit meer ergens anders. Door de jaren heen kan ze ontslag nemen en naar huis gaan – om voor een ziek familielid te zorgen of te trouwen met een voor haar gekozen man – en daarna terugkeren naar Yue Yuen. Een werknemer kan een broer of zus, een neef of nicht, of een dorpsgenoot bij de fabriek introduceren, en het bedrijf moedigt dit ook aan; in een bepaald geval werkten tien leden van een uitgebreide familie allemaal in deze fabriek. Het verloop onder het personeel is hoog – vijf procent per maand, wat betekent dat in een jaar tijd meer dan de helft van het personeel wordt vervangen – maar daarbij is geen rekening gehouden met de vele werknemers die vertrekken en later terugkeren.

ZHOU YINFANG KWAM in 1991 bij Yue Yuen werken, toen ze zeventien was. Ze leerde haar echtgenoot kennen in de fabriek en ging een tijdje weg om twee kinderen te baren. Daarna speelde ze het klaar om promotie te krijgen, en nu gaf ze leiding aan vijftienhonderd werknemers als fabriekschef. ‘Ik zou hier graag blijven werken tot mijn pensioen’, vertelde ze me; ze was dertig, maar ze had al de hese stem van een oude vrouw. Alle chefs van Yue Yuen hebben een hese stem, zeggen de arbeiders, na alle jaren dat ze hun orders boven het lawaai van de machines uit hebben geschreeuwd.
Opwaartse mobiliteit is mogelijk; de productie-eisen zijn zo zwaar dat Yue Yuen wel interne promoties moet toepassen. Bijna alle managers van het bedrijf, van toezichthouders op een enkele productielijn tot de directeuren van een hele fabriek, zijn migranten van het platteland die aan de lopende band zijn begonnen. Deze wereld is geordend volgens een ingewikkelde hiërarchie. De managers zijn onderverdeeld in dertien gradaties, van stagiair tot directeur; het is gebruik dat ze elkaar aanspreken bij hun titel en niet bij hun naam. Eén kantine is exclusief gereserveerd voor de chefs van productielijnen, terwijl een andere kantine is bestemd voor toezichthouders, die een treetje hoger staan. Een kind is een statussymbool: alleen chefs van een productielijn en hoger mogen met hun partner binnen de fabriek verblijven als een getrouwd stel met een kind. Gewone arbeiders laten hun kind gewoonlijk thuis in het dorp achter, waar de grootouders de zorg op zich nemen. De fabrieksbevolking is onderverdeeld naar provincie. Arbeiders uit dezelfde provincie blijven bij elkaar en spreken een dialect dat buitenstaanders niet kunnen volgen. De kantines bieden de werknemers keus uit gerechten van de provincies Hunan, Sichuan en Guangdong (Kantonese keuken). Vooroordelen over provincies kunnen de aanstelling van werknemers beïnvloeden, en een chef kan een hele provincie in de ban doen als hij ervan overtuigd is dat honderd miljoen mensen uit een bepaalde regio allemaal een en dezelfde karaktertrek hebben: ‘Mensen uit Henan raken altijd aan het knokken. Mensen uit Anhui werken hard, maar zijn onbetrouwbaar.’
Arbeiders kunnen hun dagen doorbrengen zonder een stap buiten de bewaakte poorten van Yue Yuen te zetten, en voor velen gaat dat inderdaad ook op: zij vinden de wereld buiten luan – chaotisch, gevaarlijk. Maar het leven binnen de muren van Yue Yuen kan ook turbulent zijn. Er wordt veel gestolen; in een poging om deze criminaliteit terug te dringen is er een verbod voor de arbeiders ingesteld om tijdens werktijden op de slaapzalen te komen. Ruzies op de werkvloer worden geregeld voortgezet op de slaapzalen. Bendes tieren welig binnen Yue Yuen. Sommige bendes beroven op betaaldag arbeiders van hun loon, andere richten zich op diefstal van onderdelen van schoenen. Driehoeksverhoudingen en buitenechtelijke relaties komen veel voor, net als buitenechtelijke zwangerschappen en abortussen. Een paar jaar geleden pleegde een jonge vrouw zelfmoord vanwege een stukgelopen liefdesaffaire; een andere baarde een kind in de badkamer van haar slaapzaal en gooide het kindje in het toilet. Het kind overleed en de jonge vrouw werd naar huis gestuurd.
‘We hebben zeventigduizend mensen. Het is een stad’, zegt Luke Lee, een directeur van Yue Yuen die toezicht houdt op gezondheid en veiligheid van de werknemers. ‘Alle problemen die een stad heeft, hebben we in de fabriek ook.’
In het weekend, wanneer de productielijnen stilliggen, verandert de sfeer binnen de muren van Yue Yuen. Meisjes die doordeweeks doelgericht en met een uitgestreken gezicht rondlopen, worden nu traag en loom. Ze kuieren hand in hand met vriendinnen, met hun identiteitskaart van de fabriek aan een koord om hun nek of met een kettinkje vastgemaakt aan hun riem, als Amerikaanse schoolconciërges. Ze praten luidkeels in het dialect van hun streek; ze laten onbedekte huid zien. Ze dragen een topje met een spijkerbroek, of een zwarte avondjurk met hoge hakken; soms paraderen enkele vriendinnen in een identieke outfit rond om hun onderlinge verbondenheid aan de wereld te tonen. Ze eten ijsjes en zitten in groepjes van twee of drie blootsvoets op een grasveldje, waar ze tijdschriften lezen of vertrouwelijkheden uitwisselen. De slaapzalen bieden geen enkele privacy. Meisjes staan er in de deuropening hun pasgewassen haar te kammen bij een handspiegel; meisjes in shorts en op slippers zeulen met emmers water om de vloer van hun slaapzaal te dweilen.

ER WOONDEN TIEN MEISJES bij elkaar op J805, een kamer op de achtste verdieping van ruim achttien vierkante meter met twee rijen metalen stapelbedden. De kamer rook net als overal in Yue Yuen naar vochtig wasgoed. De meisjes hadden ieder een eigen muurkast waarin ze kleren, snacks, make-up en sieraden konden opbergen; ze versierden de binnenkant met foto’s van filmsterren uit tijdschriften, net zoals Amerikaanse meisjes met hun kluisjes op de middelbare school doen. De ruimte onder de stapelbedden was een verzamelplaats voor schoenen: hoge hakken, sneakers, slippers. Kamer J805 kwam uit op een lange gang met identieke kamers en aan beide uiteinden toiletten en douches. Het gebouw bood onderdak aan tweeduizend werknemers.
Thuis op de boerderij was het nu het drukste seizoen van het jaar, de tijd van de zomeroogst en de zomeraanplant. Maar de wereldcyclus van de schoenenproductie schakelde op een langzamer tempo over. De meisjes van J805 werkten in de Yue Yuen-fabriek nummer 8, die schoenen voor Adidas en Salomon fabriceerde. Nu werkten ze slechts tienenhalf uur per dag plus een halve of een hele dag op zaterdag; in de industriewereld van Dongguan werd dat beschouwd als het slappe seizoen. Enkele meisjes waren van plan met verlof naar huis te gaan, maar hun paden scheidden zich naar gelang het onderdeel van de schoen waaraan ze werkten. De meisjes die aan de schoenzolen werkten, konden vertrekken. De snijders en de stikkers moesten nog blijven.
Jia Jimei, een jonge vrouw van 21 jaar uit Henan die op de zolenafdeling werkte, stormde de kamer binnen na een winkeluitje en showde haar aankopen: snacks voor de treinreis en een cassetterecorder voor haar familie. Ze had onlangs toestemming gekregen voor een thuisverlof van een maand. ‘Ik heb al twee nachten niet kunnen slapen’, zei ze. ‘Als je eenmaal weet dat je naar huis gaat, kun je aan niks anders meer denken.’ Ze had een korte, dikke wipneus en brede ogen in een rond gezicht, dat zachter werd als ze glimlachte.
‘Wanneer ik naar huis ga, verveel ik me dood’, zei Qianqian. ‘Ze hebben geen tv en geen cassetterecorder. En bijna iedereen van thuis is weggegaan, zodat ik de hele dag alleen ben.’
‘Mijn oma staat bij zonsopkomst op om het ontbijt klaar te maken’, vervolgde ze, ‘en dan roept ze me om te komen eten, terwijl ik soms nog slaap.’
Zhang Qianqian, een jonge vrouw uit de provincie Anhui die op een kamer verderop woonde en op bezoek was, keek de voorbereidingen voor de thuistocht aan. Zij was stevig gebouwd, met brede schouders en een hard, serieus gezicht; ze droeg een spijkerbroek en had een zwart sporthorloge dat haar een stoere aanblik gaf.
De meisjes hadden een ingewikkelde relatie met hun thuisfront. In de stad waren ze moe en eenzaam en praatten ze er voortdurend over om naar huis te gaan; maar als ze eenmaal thuis waren, verveelden ze zich al snel en wilden ze graag weer weg. Als een meisje besloot de fabriek te verlaten, veroorzaakte dat een golf van ontsteltenis en onzekerheid bij iedereen om haar heen. Migrant zijn hield in dat je voortdurend werd verlaten door de mensen die het dichtst bij je stonden.
Qianqian had al het nodige meegemaakt wat vertrekken en terugkeren betrof. Ze was drie jaar tevoren van huis weggegaan, had anderhalf jaar bij Yue Yuen gewerkt, had ontslag genomen vanwege conflicten met haar baas en was voor een tijdje naar huis gegaan. Toen ze terug was in Dongguan ging ze werken bij een kleine elektronicafabriek, waar de omstandigheden veel slechter waren dan bij Yue Yuen. Ze nam ontslag en ging weer naar huis, ditmaal voor de tachtigste verjaardag van haar oma. Nu vier maanden geleden was ze weer bij Yue Yuen gaan werken.

CHINA ONDERVINDT nu al een kwart eeuw de grootste migratie in de menselijke geschiedenis, en er treedt een verandering op in het type mensen dat verhuist. De mensen die in de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig uit hun landelijke dorpen wegtrokken, gingen op weg naar het onbekende, vaak gedreven door de behoefte aan geld bij hun familie en het verlangen in het dorp een huis te bouwen. Het werd als riskant, zelfs als schandelijk, beschouwd als een alleenstaande vrouw in haar eentje op pad ging. Die vroege migranten vonden over het algemeen seizoensarbeid, en de seizoenen waren die van de boerderij. Wanneer ze genoeg geld hadden verdiend, keerden ze voorgoed terug naar het dorp.
De nieuwe generatie groeide op toen de migratie al een geaccepteerde weg naar een beter leven was. Ze zijn jonger en beter opgeleid dan hun voorgangers en worden minder gedreven door de armoede op het platteland dan door de mogelijkheden van de grote stad. Aan de migratie kleeft geen schande meer. Het is nu een schande als je thuisblijft.
De fabrieksmeisjes van Yue Yuen leren kennen was geen gemakkelijke opgave. Meisjes maakten een afspraak met me en kwamen dan niet opdagen; als ik ze later ergens aantrof, gaven ze geen enkele uitleg of excuus. Ze konden op de ene dag vriendelijk tegen me zijn en koel op de andere. Het bedrijf stond me vrije toegang tot de slaapzalen toe, maar het moeilijkste onderdeel was het vertrouwen winnen van de mensen die daar woonden. In de schaduw van de reusachtige schoenenfabriek fladderden ze als fragiele motten rond, ongrijpbaarder dan ieder ander die ik in de stad had getroffen.
De meisjes waren net zo op hun hoede voor elkaar en gingen overwegend tamelijk oppervlakkig met elkaar om. Meestal wisten ze niets over de mensen met wie ze werkten en met wie ze op een kamer woonden. De meeste meisjes leken één of twee goede vriendinnen te hebben die ver weg woonden, misschien in een andere fabriek, en ze zochten liever hun heil bij hen dan op de vele meisjes dicht in de buurt te vertrouwen. Misschien was dit een vorm van verdediging omdat ze in een kolonie van vreemden moesten wonen. Ze vonden het heel gewoon dat iemand die de ene nacht in een stapelbed naast hen sliep er de volgende nacht niet meer was.
Iedere arbeidsmigrant had wilskracht nodig om verandering in haar situatie te brengen. Maar binnen zo’n immens complex als de Yue Yuen-fabriek ervoer je de druk om je te conformeren nog eens extra sterk. De meisjes beweerden allemaal tegenover elkaar dat ze het niet goedkeurden om een vriend in de grote stad te zoeken, zelfs al hadden velen er al een; ze spraken geringschattend over vervolgonderwijs omdat dat nutteloos zou zijn, terwijl sommigen heimelijk een cursus volgden om zich verder te bekwamen. Yue Yuen was een goede plek om te werken – iedereen die er werkte, zei dat. Maar als je iets anders wilde, vergde het wel bijzonder veel inspanning om je aan de omgeving te ontworstelen.

IN JULI, de warmste maand van het jaar op de landbouwkalender, vertraagde het werk op Yue Yuen tot een slakkengang. Tal van slaapzalen stonden leeg doordat er steeds werknemers met verlof naar huis gingen. Qianqian werd op een zondag pas na tienen wakker, net op het moment dat ik arriveerde voor onze afspraak. Ze gaapte, rekte zich uit en kwam langzaam met een zwaai van het stapelbed naar beneden. Ze trok een groen topje aan, een spijkerbroek met een bloemmotief op een van de pijpen geborduurd, en versleten schoenen met hoge hakken en spitse neuzen.
‘In het hele jaar zijn alleen deze paar maanden iets leuker’, zei ze. Qianqian liep naar beneden, langs de andere slaapgebouwen en de fabriekspoort uit. Buiten op het trottoir was de gloed van de zon zo sterk dat de straat verblindend wit werd, als een overbelichte foto. Qianqian liep een warenhuis in en kwam uiteindelijk terecht bij de rekken met schoenen met hoge hakken die met lovertjes bezaaid waren. Op de cadeauafdeling wees ze naar een fotolijst met namaakrozen; ze had een vriendin er een gegeven voor haar verjaardag. Haar beste vriendin in de stad was iemand die ze had ontmoet toen ze voor het eerst bij Yue Yuen kwam werken. Ze hadden tegelijk de fabriek verlaten, waren ieder naar huis gegaan in hun eigen dorp en hadden afgesproken ook weer samen van huis weg te gaan. Qianqian zocht haar vriendin geregeld op als ze een vrije dag had. De moeite die het kostte om contact te houden verklaarde waarom de fabrieksmeisjes zo weinig goede vrienden hadden. Je verloor het contact met iemand voordat je er erg in had.
Van ver oefenden Qianqians ouders druk op haar uit om ook naar huis te komen, maar ze wilden ook dat ze meer geld stuurde. Ze had hun in haar eerste twee jaar bijna vijfduizend yuan gegeven, maar daarna niets meer. In haar dorp bouwden de ouders volgens de traditie een huis waarin hun zoon kon gaan wonen wanneer hij volwassen werd en trouwde; Qianqians jongere broer was pas veertien, maar haar ouders maakten zich nu al zorgen over de kosten. ‘Alle andere mensen in het dorp hebben een huis gebouwd’, had haar vader tegen haar gezegd. ‘Hoe komt het dat het mijne nog niet is gebouwd?’
‘Ik wilde u net hetzelfde vragen’, riposteerde Qianqian.
Qianqians ouders waren niet eens op de hoogte van haar telefoonnummer in de fabriek – wanneer ze wilde praten, belde zij hen wel op. Ze waren altijd thuis.
In de straten rond de Yue Yuen-fabriek wemelde het van de mogelijkheden om geld uit te geven of jezelf verder te bekwamen. Op de middagen in het weekend puilde het Hopeful Computer Training Center uit van de fabrieksarbeiders die achter computers zaten om Word en Excel te leren. Een winkel verkocht nette witte mannenoverhemden voor twintig yuan, en een fotostudio bood keus uit een reeks geïdealiseerde achtergronden: pastoraal landschap, Corinthische zuilen, villa in buitenwijk. Winkeliers speelden met geografisch georiënteerde aanbiedingen in op de wensen van mensen met heimwee. Sesamcake uit Zhoukou in Henan. Kapper uit Wuhan. Een van de winkels bestond uit een rij kunststof telefooncellen die langs de muur waren geplaatst; zo’n onderneming vond je alleen in migrantensteden. Op de muur ertegenover was een dienstregeling voor treinen naar steden in heel China aangeplakt. Het Shangjiang-gezondheidscentrum adverteerde met zwangerschapstesten van één minuut, remedies voor geslachtsziekten en abortussen. Het ziekenhuis binnen Yue Yuen voerde ook abortussen uit, maar bijna niemand ging daarheen. De klinieken langs de straat boden dezelfde service en dan hoefde niemand ervan te weten.

DE MONDIALE kalender van de schoenenfabricage begint in het voorjaar. De machines voeren de productie op in maart en versnellen verder in april, mei en juni om de schoenen uit te brengen voordat het zomerse koopseizoen in de Verenigde Staten en Europa begint. In juli valt de schoenenindustrie scherp terug. De orders bereiken een laagste punt in augustus, wanneer de productielijnen slechts twintig procent van hun capaciteit benutten. In september en oktober beginnen de zaken weer te lopen en gaan de machines op volle kracht in de aanloop naar de productiepiek die gaat komen. November en de eerste helft van december zijn de periode waarin alles op alles wordt gezet, waarbij iedereen fors overuren maakt om aan de grote vraag voor Kerstmis te voldoen. De meisjes zijn innig vertrouwd met de seizoenen van de schoenenproductie en met het dagelijkse ritme daarvan. Op de gigantische werkvloer van Yue Yuen is het vervaardigen van sneakers een kunde die wordt afgemeten met stopwatches. Op een plastic bordje bij elk station van de lopende band staat hoeveel seconden een arbeider nodig heeft om een bepaalde taak uit te voeren. Aan een lopende band van Yue Yuen is er tien uur nodig om een schoen te vervaardigen, tegenover 25 dagen vier jaar geleden, en het aantal schoenen dat per arbeider wordt geproduceerd is met tien procent gestegen.
Toen Yue Yuen in 1989 de eerste fabriek in China vestigde, werd de wereldmarkt voor sportschoenen gedomineerd door Zuid-Korea. In de eerste tien jaar liet Yue Yuen de werknemers vaak tot middernacht doorwerken en gaf hun per maand slechts één dag vrij. ‘Zolang je de grote merken hun goederen voor een bepaalde prijs leverde, maakte het hun niet uit hoe je de fabrieken runde’, vertelt Allen Lee, het hoofd van de fabricage van Yue Yuen voor Adidas. ‘We praatten er niet over om voor overwerk te betalen, of om voor toiletpapier in de wc’s te zorgen, of hoeveel er bij elkaar op een slaapzaal sliepen. We hanteerden repressieve managementmethoden: dit is je taak en als je daarvoor drie dagen en nachten achter elkaar door moet werken, dan doe je dat.’
De goedkope, gemotiveerde arbeidskrachten waren uitstekend geschikt voor het arbeidsintensieve proces van de schoenenfabricage, en in de jaren negentig nam China op de wereldmarkt de eerste plaats over. Nadat de grote Amerikaanse merken hevige kritiek te verduren hadden gekregen van vakbonden en mensenrechtengroeperingen wegens de onmenselijke omstandigheden in de fabrieken, drongen Nike en Adidas bij hun leveranciers aan op verbetering van de werkomstandigheden. Yue Yuen schakelde over op een werkdag van elf uur en gaf de werknemers elke zondag vrij; veel arbeiders klaagden dat het loon door minder overwerk niet meer genoeg was en namen ontslag. Yue Yuen zette een bedrijfseenheid op om toe te zien op de werkomstandigheden en een adviescentrum waar arbeiders terecht konden voor hulp en voor klachten. Maar terwijl de grote merken de fabrieken ertoe hebben gebracht om hun arbeiders beter te behandelen, dringen ze tevens aan op kostenbesparingen. In 2001 startte Adidas een programma onder de titel ‘Efficiënt produceren’ om bij Yue Yuen de doelmatigheid te vergroten en verspilling tegen te gaan. De arbeiders zeggen dat ze nu weliswaar minder uren werken, maar dat hun tijd aan de lopende band meer stress geeft; de taken worden precies afgemeten en er is vrijwel geen ongebruikte tijd. Ook zijn in het kader van de efficiency de woonomstandigheden veranderd, zodat de werknemers nu bij hun collega’s van de lopende band wonen in plaats van bij hun vrienden.
‘Als we niet onder druk stonden, zouden we niet verbeteren’, zegt Allen Lee. ‘Zoals Darwin al zei: alleen de sterksten overleven.’ Bij een onderzoek van Adidas werd geconstateerd dat de arbeiders aanvankelijk stress ervoeren door het ‘Efficiënt produceren’-programma, maar dat ze er, volgens het onderzoek, na verloop van tijd aan gewend raakten.

‘IK HEB een ontzettende hoofdpijn’, klaagde Qianqian op een ochtend in het begin van augustus. ‘Dit zou het slappe seizoen moeten zijn, maar we hebben enorm veel orders.’ De dag ervoor was ze 22 geworden; ze was van plan geweest haar beste vriendin op te zoeken om het te vieren, maar in plaats daarvan had ze op haar verjaardag moeten overwerken. Verderop in de gang, in kamer J805, was Jia Jimei naar de fabriek teruggekeerd van haar bezoek aan thuis. Ze zat onderin op het stapelbed, lusteloos en zonder een glimlach.
‘Hoe was het thuis?’ vroeg ik haar.
Ze glimlachte kort. ‘Het was goed.’
‘Wat heb je gedaan?’
‘Niks. Ik heb erover gedacht om niet meer terug te komen’, zei ze alsof ze net uit een droom ontwaakte. ‘Maar er is thuis niks te doen.’
Er lag een vervelender verandering in het verschiet: eens per jaar wees de fabriek de werknemers nieuwe slaapzalen toe. Omdat er in de loop van het jaar werknemers waren vertrokken en er nieuwe bij waren gekomen, wilde men aanpassingen doorvoeren zodat de productieteams bij elkaar woonden. Het gevolg was echter dat het leven van iedereen overhoop werd gegooid. In een fabriek ter grootte van Yue Yuen wisten meisjes die elkaar elke dag hadden gezien opeens niet hoe ze hun vrienden terug moesten vinden. Velen raakten voorgoed het contact met elkaar kwijt.

Na de verhuizing was Qianqian verdwenen, en ik zocht haar de hele maand september. Ik bezocht haar nieuwe slaapzaal herhaaldelijk – hij was vier verdiepingen lager dan haar vorige –, maar haar kamergenotes wisten niet waar ze heen was gegaan. Ze vroegen me om nieuws van andere werknemers, met wie zij het contact hadden verloren. Ik belde Qianqians familie in een boerendorp in Anhui; haar vader zei me dat ze nog steeds bij Yue Yuen werkte. Volgens de fabriek stond Zhang Qianqian, werknemer 28103, fabriek 8, gebouw B, tweede groep snijders, nog steeds geregistreerd als werknemer. Op papier woonde ze op de slaapzaal, werkte ze aan de lopende band en sneed ze materiaal voor het bovenwerk van Adidas-schoenen. Maar in werkelijkheid was ze verdwenen: een verdwijning die spotte met de regelmaat van werkroosters en stopwatches die het fabrieksleven zo adequaat leek te ordenen.

FABRIEKSMEISJES
In haar boek Fabrieksmeisjes schetst Leslie T. Chang een beeld van het dagelijks leven van migranten in Chinese fabrieken. China heeft 130 miljoen arbeidsmigranten, afkomstig van het platteland, wat de grootste migratie in de geschiedenis is. Chang, voormalig correspondent voor The Wall Street Journal in Peking, vertelt het verhaal van deze arbeiders aan de hand van het leven van twee jonge vrouwen, die ze gedurende drie jaar volgt terwijl ze proberen op te klimmen van de lopende band in Dongguan, een industriestad in de Parelrivierdelta van China.
Door de vrouwen te volgen schildert Chang een beeld van het migrantenbestaan, een wereld waar bijna iedereen jonger is dan dertig; waar je je vriendje en je vriendinnen kunt kwijtraken doordat je een mobiele telefoon verliest; waar een computercursus of Engelse les je naar een totaal andere sociale klasse kan katapulteren.

Dit is een voorpublicatie uit Fabrieksmeisjes, dat volgende week in het Nederlands verschijnt bij uitgeverij Artemis.