Indonesië: Verborgen verleden

Het leven als rivier

Indonesiërs zijn gewend zich stil te houden over trauma’s. ‘We zijn geen schuldsamenleving, waarin je benoemt wat fout is en sorry zegt.’ Toch worden voorzichtig de eerste stapjes gezet richting verwerking van het gewelddadige verleden.

Medium 3 taok car anonymous

Jakarta – Geen spoor van rancune viel te bespeuren bij Cawi, een negentigjarige weduwe uit het dorp Rawagede op West-Java. Het heden ging grotendeels langs de oude dame heen, maar over de executie van haar echtgenoot door Nederlandse soldaten kon ze nog met veel detail vertellen. Op die vroege ochtend in 1947 was hij vertrokken naar de sawa, toen de Nederlanders kwamen. Cawi hoorde schoten en verstopte zich onder tafel. De volgende ochtend vond ze het lichaam van haar man in de goot, met twee kogelgaten in zijn hoofd.

‘Het is lang geleden, het doet niet meer zo veel pijn om eraan te denken’, zei Cawi in september 2011, een paar uur voordat ze een rechtszaak tegen de Nederlandse staat zou winnen om compensatie te krijgen voor haar verlies. Geduldig vertelde ze die dag alle Nederlandse journalisten hetzelfde verhaal, ‘als een aapje in de dierentuin’. ‘Ik ben helemaal niet boos op Nederland. Het was mijn lot.’

Het is een vraag die veel Nederlanders stellen: voelen Indonesiërs geen wrok tegen ons? Na de politionele acties, na jaren van kolonisatie? Maar Indonesië is al lang niet meer met Nederland bezig. Neem de rechtszaak die negen weduwen en een overlevende uit Rawagede hadden aangespannen, die in Nederland veel losmaakte. In het dorp zelf was dat heel anders.

Het meemaken van de historische uitspraak was een surreële ervaring. De oudste zoon van Cawi was als enige van het dorp goed op de hoogte van de rechtszaak, en hield zijn dorps­genoten in een emotionele toespraak voor dat dit ‘een grote prestatie was voor het land’. Die hadden intussen geen idee wat er was gewonnen, al hoorde je het veelbelovende woord ‘kompensasi’ rondzingen. Hetzelfde gold voor de weduwen, die ooit hun duimafdruk hadden gezet om eiseres te worden in een rechtszaak die was bedacht door een Nederlands steuncomité. Niemand nam die avond de moeite om ze te vertellen dat ze hadden gewonnen.

De zaak-Rawagede maakte overduidelijk: 66 jaar na dato zijn de politionele acties een trauma van Nederland, niet van Indonesië. Het Nederlandse geneuzel op de politieke vierkante millimeter was gênant om te volgen. Parlementariërs die geen bezoek wilden brengen aan Rawagede, maar wel de weduwen urenlang in de auto lieten zitten voor een ‘informele ontmoeting’ in Jakarta. Geen compensatie willen betalen, maar wel ‘ontwikkelingsgeld’ voor het dorp. Wel toegeven dat er oorlogsmisdaden plaatsvonden, maar zich beroepen op verjaring. Geen excuses, maar spijt. En toen toch maar excuses, want dat moest van de rechter.

In Indonesië waren het non-issues. De Agresi Militer, zoals de politionele acties hier worden genoemd, is in het collectief bewustzijn al lang verwerkt. Dat de feiten net zo min bekend zijn als in Nederland maakt niet uit. De jaren rond de onafhankelijkheid draaien om de heroïek van Soekarno en de zijnen; de Nederlanders zijn slechts bijfiguren die als beesten tekeergingen tegen onschuldige rijstboertjes, nadat ze de rijkdommen van het land 350 jaar hadden geplunderd.

Bovendien zijn er talloze binnenlandse tragedies in de decennia daarna die de Nederlandse misdaden hebben verdrongen. Vandaar de verrassende reactie van de Indonesische intelligentsia op de zege van de weduwen. Geen kritiek op Nederland om zijn gruweldaden, geen geschamper over het geschipper rond excuses en spijt. Indonesiërs prezen Nederland juist omdat het verantwoordelijkheid nam voor mensenrechtenschendingen uit vroeger tijden. Excuses en kompensasi: daar zou de Indonesische staat van kunnen leren.

Want Indonesië heeft nogal wat aan eigen onverwerkt verleden. Nooit werd iemand verantwoordelijk gehouden voor de dood van ruim duizend Indonesiërs tijdens de rellen die in 1998 leidden tot de val van autocraat Soeharto. De moordenaars die in de jaren daarna met kapmessen hun dorpsgenoten op Ambon, Centraal-Sulawesi of Borneo in stukjes hakten, lopen nog vrij rond. Net als degenen die duizenden doden in Oost-Timor op hun geweten hebben. Net als de militairen die onder Soeharto studenten en activisten lieten verdwijnen. Niemand is veroordeeld voor de mysterieuze executies onder Soeharto, waarbij duizenden ‘misdadigers’ dood in de goot belandden.

En nooit werd iemand vervolgd voor het grootste bloedbad uit de recente Indonesische geschiedenis: de massamoord op honderd­duizenden communisten rond het jaar 1965.

De vader van de 65-jarige Wardoyo was een van hen. Opgepakt, gevangen, verdwenen: zo vat het lot van zijn vader samen. Op de veranda van zijn huis in Jakarta blijft hij de drie woorden herhalen. Hij was zeventien toen militairen op een ochtend in 1965 hun huis in Centraal-Java binnenvielen en zijn vader in een truck laadden naar het Fort van Ambarawa. Dat zijn vader een held was uit de onafhankelijkheidsoorlog mocht niet baten. Drie maanden later waren hij en 126 medegevangenen verdwenen. De jonge Wardoyo liep alle militaire posten af, zonder hem te vinden. ‘Ik ga er vanuit dat hij gedood is.’

Zo verging het honderdduizenden families. Het was de periode waarin Soeharto de macht greep ten koste van de eerste president Soekarno, in een complot waarvan de ware toedracht waarschijnlijk nooit zal worden opgehelderd. Het begon met een mislukte coup op 30 september 1965 waarbij zes generaals werden vermoord. Het leger gaf de schuld aan de Communistische Partij van Indonesië (pki), die destijds veel macht had. Wat volgde was een politieke genocide waarin leger en jeugdbewegingen samenwerkten om het communisme in Indonesië uit te roeien. Hoeveel doden er vielen weet niemand: de meeste historici gaan uit van een half miljoen.

Onder hen waren ook vele niet-communisten, die door persoonlijke vijanden als communist waren bestempeld. Zo vertelt Wardoyo dat zijn vader niets met de pki te maken had, maar dat het zijn baan was om van mede-oorlogsveteranen te bepalen of ze recht hadden op een pensioen. ‘Misschien heeft iemand hem gerapporteerd omdat hij jaloers of boos was.’

Zal Wardoyo ooit worden gecompenseerd voor zijn verlies? Het is moeilijk te geloven voor wie The Act of Killing heeft gezien: een recente documentaire van de Amerikaanse regisseur Joshua Oppenheimer. Hij raakte gefascineerd door het bloedbad van 1965 en kwam in nauw contact met enkele moordenaars. Eenvoudige straatboeven die destijds via jeugdbeweging Pemuda Pancasila werden ingezet voor de moordmachine van de staat. Oppenheimer wint hun vertrouwen en legt vast hoe de moordenaars een film maken op basis van hun ervaringen van destijds. Het resultaat is verbijsterend.

Op dezelfde plek waar de moordpartijen destijds plaatsvonden, speelt hoofdpersoon Anwar Kongo na hoe hij zijn slachtoffers wurgde met een stuk draad. Efficiënter en minder bloedig dan wanneer je ze doodsloeg, legt de 72-jarige kalmpjes uit. Dat leerde hij uit de Hollywoodfilms waar hij in de jaren zestig zo graag naar keek. Met zijn kornuiten uit die tijd haalt hij herinneringen op. Tijdens het moorden dronken ze en zongen ze liedjes. Het was een vrolijke boel, als hij erop terugkijkt.

Maar de film laat meer zien dan een stel genadeloze beulen zonder spijt. De film onthult vooral hoe de Indonesische samenleving hen niet behandelt als paria’s, maar met respect. Anwar gaat gezellig langs bij de hoofdredacteur van een lokale krant, die destijds een coördinerende rol had bij de massaslachting. Hoge functionarissen uit Jakarta komen langs om de leden van massabeweging Pemuda Pancasila, nog steeds springlevend, te bejubelen als helden die het Indonesische communisme hebben uitgeroeid. Anwar doet in een talkshow onder luid applaus uit de doeken hoe hij de ‘vijanden van de staat’ destijds een kopje kleiner maakte.

Hoe deze perverse situatie kon ontstaan, wordt treffend verwoord door een van de moordenaars die in de film figureren. ‘Oorlogs­misdaden worden gedefinieerd door de winnaars’, zegt hij. ‘En wij hebben gewonnen.’

Het heeft tragische consequenties voor de slachtoffers. In de meest zenuwslopende scène van The Act of Killing vertelt een buurtgenoot aan Anwar Kongo over zijn eigen ervaringen in 1965. Doodnerveus, dwangmatig lachend, vertelt hij hoe zijn stiefvader om drie uur ’s nachts werd afgevoerd en vermoord. Uit angst begroeven hij en zijn familie hem stilletjes langs de kant van de weg, ‘als een geit’. Hij verontschuldigt zich uitgebreid dat hij de moordenaars niet voor het hoofd wil stoten, maar misschien kan zijn geschiedenis ter inspiratie dienen voor Anwars film? Terwijl de man een inzinking krijgt, schuiven de beulen zijn verhaal beleefd terzijde als ‘te ingewikkeld’.

Voor Wardoyo betekende de communistenmoord niet alleen het verlies van zijn vader, maar ook van zijn toekomst. Terwijl hij opklom tot luitenant-kolonel bij de politie moest hij angstvallig verbergen dat zijn vader als ‘communist’ was gedood. Hij loog tegen iedereen dat een ziekte hem fataal was geworden. Tot zijn superieuren er in 1982 achter kwamen. Hij werd ondervraagd en ontslagen; de laatste twintig jaar van zijn carrière sleet hij in een onzinpositie bij een verzekeraar.

Soortgelijke ervaringen hadden de talloze Indonesiërs die vanwege hun communistische banden in de cel belandden, soms voor meer dan tien jaar. Na hun vrijlating stond op hun identiteitskaart dat ze voormalige politieke gevangenen waren. Ze konden geen baan krijgen bij de overheid en trouwden met andere ex-gevangenen, omdat anderen het niet aandurfden. Tot op de dag van vandaag verbergen ze hun verleden voor buren en vrienden, uit angst om als uitschot te worden behandeld. ‘Communist’ is in Indonesië nog steeds een scheldwoord.

De ontluisterende conclusie is dat de massamoord voor de daders zijn doel heeft bereikt. Na de moordpartij was de Communistische Partij van Indonesië als machtsfactor compleet geëlimineerd. Het maakte de weg vrij voor de Nieuwe Orde van Soeharto, die Indonesië ruim dertig jaar zou beheersen. De daders van destijds lopen ongestoord vrij rond; hun slacht­offers zijn gemarginaliseerd.

Soeharto bereikte dit door de bevolking via de media en op school te indoctrineren met anticommunistische propaganda. Elk jaar moesten scholieren een urenlange film bekijken over de coup op 30 september. Ze leerden hoe leden van de communistische vrouwen­beweging Gerwani de heldhaftige generaals castreerden en hun ogen uitstaken, al bleek daar uit hun autopsie niets van te kloppen. ‘Communist’ werd voor veel Indonesiërs synoniem voor goddeloos, wreed en immoreel. Net als de strijd tegen de Nederlanders werd de oorlog tegen het communisme in het collectieve geheugen een noodzakelijk kwaad zonder welke het moderne Indonesië niet had kunnen ontstaan.

Indonesië werd intussen nooit door de internationale gemeenschap gedwongen in de spiegel te kijken. Hier geen tribunalen. Anders dan bij de massaslachtingen in Cambodja onder de Rode Khmer, of de genocide in Rwanda, heeft het Westen zich nooit om de Indonesische massamoord bekommerd. Die vond tenslotte plaats midden in de Koude Oorlog. Of het klopt dat de cia een rol speelde bij het complot rond 30 september, zoals Indonesische historici vermoeden, is nog niet opgehelderd. Feit is dat het Amerika en haar bondgenoten niet slecht uitkwam dat het communisme in een van de grootste landen ter wereld met wortel en tak werd uitgeroeid.

Pas toen Soeharto in 1998 na een volks­opstand het veld moest ruimen, kwam er ruimte voor de slachtoffers van de communistenmoord. Tijdens de reformasi vertelden voormalige politieke gevangenen voor het eerst hun verhaal. Het opende Indonesiërs de ogen: voor velen was het de eerste keer dat ze hun kant van de geschiedenis hoorden.

Nani Nurani was een van de slachtoffers die eindelijk uit de schaduw durfden te treden. De charmante 71-jarige was in haar jonge jaren danseres aan het hof van Soekarno. Genoeg reden om haar zeven jaar gevangen te houden. Na haar vrijlating vertelde ze dat jarenlang aan niemand, uit angst voor de reactie van buurt­genoten. Ook toen ze als ‘ex-communist’ niet naar het buitenland mocht. Ook toen ze zich maandelijks moesten melden, als een crimineel bij de reclassering. ‘Wij Javanen zijn gewend om onze emoties te verbergen’, zegt ze in haar huis in Noord-Jakarta. ‘Maar het kwam als lichamelijke klachten naar buiten. Ik kreeg nachtmerries en hoofdpijn, was boos zonder te weten op wie.’

Toen ze op haar 65ste vanwege haar verleden geen permanente identiteitskaart kreeg, knapte er iets. Soeharto was weg, ze riskeerde geen sancties meer. Nani Nurani ging naar de rechter om te vechten voor haar identiteitskaart en won. Een enorme bevrijding, zegt de vrolijke dame op leeftijd, die nog steeds danst. Iedereen weet nu wie zij is. Maar genoegdoening voor haar leed bleek een brug te ver. Ze spande ook een zaak aan om compensatie te krijgen voor haar gevangenschap. Na een lange juridische strijd werd haar zaak vorig jaar niet ontvankelijk verklaard.

Het is niet de enige poging tot verwerking van het verleden die voortijdig is gesneefd. President Abdurrahman Wahid wilde tijdens zijn bewind van 1999 tot 2001 een waarheids- en verzoeningscommissie instellen. Eindeloos gesteggel over de voorwaarden volgde. De daders gingen alleen akkoord met compensatie voor slacht­offers als zij amnestie zouden krijgen. Uiteindelijk werd het plan onder de huidige president afgeschoten door het Constitutioneel Hof. Ook een onderzoek van de Nationale Mensenrechtencommissie Komnas ham naar het gevangenenkamp op het eiland Buru, waar communisten werden vastgehouden, leidde tot niets.

Een belangrijk struikelblok bij de waarheidsvinding was het gebrek aan documentatie en bewijsmateriaal. Anders dan bijvoorbeeld de Rode Khmer in Cambodja hebben de Indonesische moordenaars hun daden niet vastgelegd. Het aantal slachtoffers kan alleen anekdotisch worden bepaald: schattingen variëren van tachtigduizend tot een miljoen. Laat staan dat kan worden bewezen wie de opdrachtgevers en moordenaars waren. Belangrijker is dat de politieke erfgenamen van de daders van destijds nog altijd veel macht hebben. Toen Soeharto in 1998 werd afgezet, werd niet volledig afgerekend met zijn regime. Zijn vice-president Habibie bleef nog tot 1999 president. Talloze leden van de huidige politieke elite maakten carrière onder Soeharto. Zo ook president en oud-generaal Susilo Bambang Yudhoyono.

Yudhoyono heeft zelfs familiebanden met de daders van het bloedbad. Zijn overleden schoonvader, generaal Sarwo Edhie Wibowo, was destijds als veldcommandant een belangrijke regisseur van het geweld. Zijn zoon, de zwager van de president, is nu de hoogste baas van het leger en een mogelijke presidentskandidaat voor 2014.

De instituten die destijds de moord­partij organiseerden, willen al helemaal niet dat schoon schip wordt gemaakt. Het leger is sinds de val van Soeharto weliswaar veel politieke macht verloren, maar het hoofdstedelijke pluche stikt nog van de oud-generaals. Ook de jeugdbeweging van de islamitische massa­organisatie Nahdlatul Ulama, met tientallen miljoenen leden, weigert dit duistere deel van het eigen verleden te erkennen. Massabeweging Pemuda Pancasila is nog altijd trots dat ze Indonesië van het Rode Gevaar heeft kunnen ‘redden’.

Zij worden tot nu toe niet gedwongen in te binden. Vanuit de samenleving klinkt nauwelijks een roep om gerechtigheid. Voor de gemiddelde Indonesiër zijn mensenrechten uit het verleden een ver-van-het-bed-show die het niet waard is om voor op de barricaden te staan. Slachtoffers zijn hun leven lang al stil en willen hun maatschappelijke positie niet in gevaar brengen door zich als oud-communist te profileren. Om die reden wil Wardoyo niet onder zijn volledige naam over de moord op zijn vader vertellen. ‘Het is nu net allemaal rustig.’

Bovendien werkt de Indonesische cultuur niet mee. ‘We zijn geen schuldsamenleving, waarin je benoemt wat fout is en sorry zegt’, legt sociaal psycholoog Nani Nurrachman van universiteit Atma Jaya uit. Wie schuld bekent, lijdt gezichtsverlies. Nurrachman heeft academische én persoonlijke interesse in de episode rond 1965, want haar vader was een van de generaals die tijdens de mislukte 30 september-coup werden vermoord. Jarenlang kreeg zij te horen dat haar vader een held was, afgeslacht door lafhartige communisten. Tot zij begon te twijfelen: haar vader was een slachtoffer, maar waren de communisten dat niet ook?

Die slachtofferrol is in Indonesië wezenlijk anders dan in westerse landen, ziet Nurrachman. Ze legt uit hoe het leven in de Javaanse cultuur wordt gezien als een rivier, waarin je je met de stroom laat meevoeren. Tragedies worden geaccepteerd zoals ze komen. Het tonen van emotie is daarbij niet gepast. ‘Als ik verdrietig was over mijn vader, zeiden mijn ooms en tantes: niet treurig zijn, hij is nu veilig, hij is in de hemel. Ze vroegen nooit: hoe gaat het met jou?’ Niet voor niets kennen zowel het Indonesisch als het Javaans geen eigen woord voor trauma, merkt ze op.

Die Javaanse mentaliteit heeft Nurrachman geholpen bij het verlies van haar vader, zegt ze zelf. Zo zegt ook Wardoyo dat hij niet meer boos is over de moord op zijn vader en zijn gefnuikte carrière. ‘Ik heb het geaccepteerd en achter me gelaten’, zegt hij. En zie de manier waarop weduwe Cawi het geweld door Nederlandse soldaten accepteert als haar lot. Leed wordt verzwegen en verdrongen, soms ontkend. Maar sociaal psycholoog Nurrachman vreest dat een klein deel van het trauma achterblijft, dat het zich in stilte opstapelt. ‘Als er iets kleins gebeurt, kan het ontvlammen.’

Toch begint Indonesië, na jaren van negeren, wegstoppen en ontkennen, zijn verleden onder ogen te zien. Na de eerdere mislukking heeft de Nationale Mensenrechtencommissie Komnas ham in juli alsnog een onderzoek naar de periode rond 1965 afgerond. Op basis van 350 getuigenverklaringen schreven de onderzoekers een rapport van achthonderd pagina’s, waaruit blijkt dat de gruwelijkheden nog wijder verbreid waren dan men dacht. De conclusie: hier was sprake van grove mensenrechtenschendingen door de staat.

Het vergde een zeldzaam staaltje politieke moed om zo ver te komen. Voor het eerst stelt een staatsinstituut hiermee vast dat de uitroeiing van communisten geen redding was van de Republiek Indonesië, maar een misdaad.

Johny Simanjuntak, die het onderzoek van Komnas ham leidde, schetst de dilemma’s waar de commissie tegenaan liep. Ten eerste het gebrek aan fysiek bewijs, dat de daders gemakkelijk konden aangrijpen om het onderzoek te diskwalificeren. Dat veel betrokkenen al overleden zijn, hielp ook niet.

Maar de politieke druk is het belangrijkst. Het kamp van de daders is machtig en goed georganiseerd. Organisaties als het Forum Antikomunis kwamen onmiddellijk demonstreren toen het onderzoek begon. Ook islamitische massaorganisaties wilden het onderzoek niet hebben. Zelfs binnen de commissie ontstond zo twijfel of het bovenhalen van de waarheid het allemaal wel waard was. Iedereen tevreden houden is tenslotte een van de fundamenten onder de Indonesische samenleving. ‘We willen niet dat Komnas ham een trigger is voor sociale onrust in Indonesië’, zegt Simanjuntak.

Toch is het onderzoek er gekomen. Historicus Asvi Warman Adam, die deze periode onderzocht, verklaart de plotselinge daadkracht doordat een nieuwe generatie de leiding heeft van Komnas ham. Jonge mensen, veelal afkomstig van non-gouvernementele organisaties. Zo was Simanjuntak mensenrechtenadvocaat bij een organisatie voor rechtshulp. ‘Zij zijn niet bang om dit te doen en hebben zelf geen belangen meer in deze zaak.’ Bovendien is Soeharto in 2007 overleden. De bejaarde autocraat had al jaren geen macht meer, maar respect voor ouderen is in Indonesië zo belangrijk dat het zijn politieke afrekening in de weg stond. ‘Indonesiërs kijken met verbazing hoe in het Westen hoogbejaarde nazi’s nog worden vervolgd’, zegt Warman.

Zal het rapport nu dan echt tot een ­afsluiting leiden? Er zijn aanwijzingen dat president ­Yudhoyono het onderzoek wil aangrijpen om een groots gebaar te maken, voor het einde van zijn tweede en laatste termijn in 2014. Volgens een van zijn adviseurs wil hij excuses aanbieden aan de nabestaanden van het bloedbad en de mensen die destijds gevangen zijn gezet. Ondanks zijn familieband met een van de belangrijkste daders. Yudhoyono zou zo zijn politieke ­erfenis als hervormer willen veiligstellen. Excuses ­zouden het bovendien goed doen in de internationale gemeenschap en zijn kans op een mooie baan bij de Verenigde Naties vergroten.

Het zou een revolutionaire daad zijn, van onschatbaar belang voor de honderdduizenden Indonesiërs die in hun dagelijks leven met de nek worden aangekeken vanwege hun communistisch verleden. ‘Ik zou willen dat we niet meer gediscrimineerd en gestigmatiseerd worden. Dat we gelijk zijn aan andere mensen’, zegt Wardoyo. Danseres Nani Nurani zegt dat excuses ‘haar waardigheid zouden teruggeven’. Maar ze is niet optimistisch, omdat Yudhoyono opklom onder Soeharto. ‘Deze regering is nog steeds deel van de Nieuwe Orde.’

‘Ik denk niet dat we er klaar voor zijn om ons verleden te verwerken’, zegt ook historicus Asvi Warman. Hij ziet het onderzoek door Komnas ham als een belangrijke eerste stap, maar vreest dat er uiteindelijk niets mee wordt gedaan.

De eerste reacties op het rapport geven hem gelijk. Zoals van minister en voormalig opper­bevelhebber Djoko Suyanto. Die zei dat de acties van het leger destijds gerechtvaardigd waren, omdat de staat immers gered moest worden van subversieve elementen. Het had geen zin om naar gebeurtenissen uit 1965 te kijken met een 2012-bril, volgens hem. Vervolging van de daders zit er al helemaal niet in, terwijl dat formeel de volgende stap is na een Komnas ham-rapport. Het Indonesische Bureau van Aanklagers heeft het rapport al terzijde geschoven wegens onvoldoende bewijs.

Asvi Warman vestigt zijn hoop op jongeren als Iqbal Mga, een van de studenten die vorig jaar een boekbespreking bijwoonden van Putu Oka Sukanta op de Islamitische Staatsuniversiteit (uin) in Jakarta. De Balinese schrijver van 73 zat tien jaar vast omdat hij lid was van het communistische cultureel instituut Lekra.

Tijdens de Nieuwe Orde was het onmogelijk dat hij op een universiteit zou spreken. Ook nu wilde de rector aanvankelijk geen zaaltje voor hem vrijmaken, uit angst voor problemen. In de zaal luisterde bijna zeker geheime dienst mee. Maar het weerhield ruim honderd enthousiaste studenten er niet van te luisteren en vragen te stellen.

Zo wilde Iqbal weten waarom de schrijver zich destijds aansloot bij Lekra. De jonge student kwam luisteren omdat hij weet dat de regering de geschiedenis uit 1965 altijd heeft verdraaid. Tot de reformasi moest ook hij verplicht kijken naar de film over de coup uit 1965. ‘Ik wil meer weten over communisten’, zei Iqbal. ‘Ik wil weten of ze wel écht zo slecht zijn.’

‘En dat op een islamitische universiteit’, zegt historicus Asvi Warman met enige verbazing, aangezien islamitische organisaties destijds medeplichtig waren aan de moordpartij. Dit soort bijeenkomsten maakt hem optimistisch dat een jongere generatie de spoken uit 1965 alsnog zal bedwingen. Het doet denken aan Nederland en zijn politionele acties: pas als de machthebbers van toen het veld hebben geruimd, kan het verleden worden verwerkt.


De documentaire The Act of Killing heeft op 21 maart zijn Nederlandse première in Den Haag, tijdens het Movies that Matter-festival