Mijn strijd #1

Het leven als strijd

Naar aanleiding van de nieuwe Nederlandse vertaling van Mein Kampf stelt Arnon Grunberg dat het altijd nuttig is om kennis te nemen van Hitlers complottheorieën, omdat we daarin de huidige misschien beter herkennen.

Piet van der Hem voor de Haagsche Post, 1934 © Piet van der Hem / Atlas van Stolk, Rotterdam

‘Ich aber beschloss , Politiker zu werden’, is vermoedelijk de beroemdste zin uit Mein Kampf, waarmee hoofdstuk zeven van het eerste deel wordt afgesloten. ‘Maar ik besloot, politicus te worden’, vertaalde Steven Barends in de Nederlandse uitgave van 1939. En in de nieuwe Nederlandse vertaling van Mario Molegraaf staat er: ‘Maar ik besloot nu politicus te worden.’ Deze vertaling is gebaseerd op de wetenschappelijke Duitse editie die in 2016 verscheen, maar zonder de 3700 voetnoten die als een ‘cordon sanitaire’ om de Duitse tekst zijn gelegd. Wel wordt elk hoofdstuk in de Nederlandse vertaling voorafgegaan door een korte, heldere samenvatting van historicus Willem Melching, die de lezer er ook op wijst waar Hitler historische feiten geweld aandoet. Dat zou afdoende cordon sanitaire moeten zijn, want hoe verleidelijk is deze tekst nog, hoe verleidelijk is deze tekst eigenlijk ooit geweest?

‘Ik herkende meer van mezelf terug dan me lief was’, schreef Ewoud Kieft over zijn leeservaring in Het verboden boek (2017), dat ik van harte aanbeveel als inleiding bij Mein Kampf. Het verboden boek schetst de opkomst van Hitler in het München van na de Eerste Wereldoorlog, het proces tegen Hitler en enkele andere samenzweerders na de mislukte putsch van 1923 (Hitler schreef Mein Kampf tijdens en na zijn gevangenschap), het bestudeert de zwakke plekken van de parlementaire democratie in de Weimarrepubliek én in onze tijd en Kieft reflecteert zoals gezegd op zijn leeservaring. Hitler-biograaf Ian Kershaw zei in een interview van Mark Schaevers in 2016 in Humo: ‘Mein Kampf is een historische tekst die geen enkele relevantie heeft voor onze wereld, ook niet nu we ongelukkig genoeg de xenofobie weer zien toenemen.’

Ik sta in dezen iets meer aan de kant van Kieft dan van Kershaw, hoewel ik niet zeker weet of ik mezelf in Mein Kampf herken.

Het probleem met onze leeservaring is dat wij de gevolgen van Hitlers besluit om politicus te worden kennen. Mein Kampf kan niet worden gelezen zonder aan de holocaust te denken. Het zou daarom een goed idee zijn om eerst Mein Kampf te lezen en dan Claude Lanzmanns documentaire Shoah te bekijken. De enige reden dat wij dit boek namelijk nog willen lezen zijn de gevolgen en hoewel die gevolgen in grote lijnen bekend moeten worden verondersteld – hoewel twee derde van de millennials in Amerika niet schijnt te weten wat Auschwitz was – zou men zich de details van de vernietiging eigen moeten maken wanneer men zich met de details van de propaganda (Mein Kampf) bezighoudt. Daarmee is niet gezegd dat de weg van het boek naar Auschwitz onvermijdelijk was.

Men zou dit juist moeten doen omdat het gif van de tekst op de huidige lezer hier en daar ietwat karikaturaal zal overkomen: ‘Dit op zich steeds meer aan vernegering ten prooi vallend [Franse] volk betekent met zijn verbondenheid met de doelen van de Joodse wereldoverheersing een loerend gevaar voor het voortbestaan van het blanke ras in Europa.’ Aan de andere kant spreken hedendaagse politici teksten uit die een deel van de bevolking karikaturaal en vermoedelijk ook weerzinwekkend in de oren zullen klinken maar die door een ander deel van de bevolking voor waar en moedig worden gehouden. Ook tegenwoordig zijn er weer politici en burgers die menen dat het blanke ras in het Westen gevaar loopt. Wat het tweede probleem van de hedendaagse lezer inleidt: mag je heden met verleden vergelijken? Daar heeft onder anderen Ewoud Kieft zinnige dingen over gezegd. Een verbod is absurd en onterecht – er zijn bepaalde overeenkomsten – maar al te frivole vergelijkingen zijn contraproductief en nemen het verleden niet ernstig.

***

Ons grote probleem met het nazisme is dat we altijd nog niet precies weten hoe betrekkelijk normale burgers ‘gewillige beulen’ werden, om de woorden van historicus Daniel Goldhagen te gebruiken. We zouden Mein Kampf kunnen lezen om na te gaan welke rol propaganda speelt bij de transformatie van burger tot massamoordenaar, we weten namelijk ook dat zij die het handwerk van het doden verrichten dat doorgaans niet één of twee keer maar honderden en duizenden keren deden. Een aantal thema’s die in Mein Kampf voorkomen hebben bij die lezing minder onze interesse: Hitlers autobiografische en veelal gemythologiseerde levensschetsen, zijn interesse voor de kunst, zijn oorlogservaringen, zijn obsessies met de verdragen van Versailles en Locarno oftewel de uitkomst van de Eerste Wereldoorlog en het naspel ervan, iets wat begrijpelijkerwijs veel Duitsers bezighield, zijn opvattingen over Zuid-Tirol, dat van Oostenrijk-Hongarije overging naar Italië, de vraag of het nationaal-socialisme vakbonden moet hebben.

We kunnen ons op de volgende thema’s concentreren die rijkelijk aan bod komen in Mein Kampf: Hitlers opvattingen over natie, staat en volk, zijn weerzin tegen parlementarisme en democratie en daaruit volgend zijn haat tegen vrijwel alle politici én de pers, zijn antisemitisme en zijn haat tegen marxisme en sociaal-democratie, zijn idealisme, zijn opvatting dat alle geschiedenis de geschiedenis is van rassenstrijd.

Nergens is Mein Kampf zo hedendaags als daar waar ras en staat ter sprake komen. Zo schrijft Hitler: ‘Maar het is een nauwelijks voorstelbare denkfout om te menen dat, laten we zeggen, een neger of een Chinees een Germaan wordt omdat hij Duits leert en bereid is voortaan de Duitse taal te spreken en bijvoorbeeld aan een Duitse politieke partij zijn stem te geven. Dat zo’n germanisering in feite altijd een ontgermanisering is, heeft onze burgerlijke nationale wereld nooit ingezien.’

Vergelijk dit met recente uitspraken van minister Blok: ‘Noem mij een voorbeeld, van een multi-etnische of multiculturele samenleving, waar de oorspronkelijke bevolking nog woont (…) en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken het niet.’

Blok is geen Hitler en niet alles wat Hitler heeft geschreven is onwaar, dat zou al te gerieflijk zijn, veel van zijn beweringen over propaganda zijn nog altijd uiterst scherp en accuraat, maar Blok en Hitler beweren hier wel min of meer hetzelfde, wat aangeeft dat er nog steeds of beter gezegd opnieuw gestreden wordt om antwoord op de vragen van wie en voor wie de natiestaat is. Is de natiestaat van de ‘oorspronkelijke bevolking’, aan wie altijd ook bepaalde identieke raciale kenmerken worden toegedicht, of is de natiestaat van alle burgers die op wat voor manier dan ook staatsburger zijn geworden en misschien ook van hen die de iure nog geen staatsburger zijn, maar de facto wel? De scheidslijnen van dit gevecht zoals Hitler het schetst zijn niet ingrijpend veranderd. Aan de ene kant de wereldburger, oftewel de marxist, de kapitalist en de jood – volgens Hitler is er geen wezenlijk verschil tussen marxisme, kapitalisme en jodendom – en aan de andere kant de idealist, die van zijn vaderland houdt en die begrijpt dat natiestaat en etniciteit niet van elkaar gescheiden mogen worden.

Het woord ‘idealisme’ komt geregeld voor in Mein Kampf en in het hoofdstuk ‘Volk en ras’ schrijft Hitler: ‘Het zuiverste idealisme is onbewust het diepste inzicht.’ Het nazisme was een zeer idealistische ideologie, vol oorlogsromantiek, respect voor opofferingsgezindheid en weerzin tegen individualisme en egoïsme.

Hitlers opvatting dat de staat een middel is om een raciaal gedefinieerd volk te dienen draagt bij aan zijn weerzin tegen democratie, die aan de zuiverheid van het volk (de macht van het getal) een einde dreigt te maken, en aan de pers, die de democratie dient. Hitler had het over de ‘Joodse democratenpers’ – tegenwoordig wordt over Lügenpresse gesproken (in AfD-kringen) of gewoon over fake news.

Een andere reden van die weerzin is dat de kiezer volgens Hitler niets begrijpt van het compromis en het gekonkel die nu eenmaal onvermijdelijk bij het parlementaire systeem horen. Als men sommige politici heden ten dage hoort spreken beseft men dat deze weerzin onder de kiezer nog springlevend is.

Hitler had het over de ‘Joodse democratenpers’ – nu wordt over Lügenpresse gesproken of gewoon over fake news

Antisemitisme was aan het begin van de twintigste eeuw wijdverspreid in Europa, of het virulenter was in Duitsland dan in andere Europese landen is iets waarover historici twisten. Zeker is dat Hitler zijn lezers, en zijn gehoor, niet met veel moeite hoefde te overtuigen dat er een ‘Joods probleem’ was. Zo schrijft hij met bewondering over de Weense burgemeester Karl Lueger (1844-1910), die veel voor het antisemitisme heeft gedaan, maar die volgens Hitler daar helaas niet ver genoeg in ging. Hitlers innovatie op antisemitisch gebied was dat hij afzag van meer klassieke antisemitische mythen (de kruisiging van Christus, joden die het bloed van christelijke kinderen zouden gebruiken om matzes te bakken) maar consequent joden, marxisme en kapitalisme gelijkstelde. Marxisme en kapitalisme (globalisering en kosmopolitisme) waren volgens hem joodse uitvindingen om de joodse wereldheerschappij naderbij te brengen. Zo kon hij ook evidente tegenstellingen tussen marxisme en kapitalisme verdoezelen, het doel van beide ideologieën was immers joodse wereldheerschappij. Veel Duitsers hielden dit voor waar, het was in elk geval voor veel Duitsers geen reden om niet op de nsdap te stemmen. Bij de verkiezingen in maart 1933 haalde de nsdap 43,9 procent van de stemmen, wat de kracht van de samenzweringstheorie mag illustreren.

De vergelijkingen die wel eens zijn getrokken met betrekkelijk populaire hedendaagse theorieën over terrorisme, de islam en ‘de moslims’, die Europa zouden willen overnemen, zijn juist. De angst voor het jodendom en de jood uit de jaren twintig is ongeveer net zo rationeel als de angst voor de moslim en de islam van heden.

Maar antisemitisme noch racisme leidt automatisch tot massamoord. En zoals gezegd, het centrale probleem waar het nazisme ons nu nog steeds voor stelt is: hoe te voorkomen dat betrekkelijk fatsoenlijke burgers massamoordenaars worden en gewillige helpers van moordenaars.

Historicus Christopher R. Browning, die onder andere het uitstekende boek Ordinary Men, over reserve-politie-bataljon 101 uit Hamburg, schreef, is sceptisch over de rol van propaganda bij de transformatie van burger tot moordenaar. Ook meent hij dat antisemitisme bij veel Duitsers nauwelijks een rol speelde om nazi te worden, het was eerder zo dat zij antisemiet werden toen zij toetraden tot de nazipartij dan omgekeerd. Daniel Goldhagen, met wie Browning gepolemiseerd heeft, beweerde dat het unieke en virulente Duitse antisemitisme een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de holocaust.

Ik sta in dezen meer aan de kant van Browning, hoewel ideologie beslist een rol zal hebben gespeeld bij de genocide. Zoals Hitler zelf al aangeeft in Mein Kampf – zijn intelligentie moet niet worden onderschat – heb je voor een succesvolle beweging een paar fanatiekelingen nodig, dan komen de meelopers er vanzelf achteraan.

Browning schrijft dat ‘niets de nazi’s zo heeft geholpen een rassenoorlog te voeren als de oorlog zelf’. Dat is ongetwijfeld waar, ook de moord op tussen de zeventig- en tachtigduizend psychiatrische en andere patiënten (Aktion T4) die aan de vernietiging van het Europese jodendom voorafging, kwam pas echt op gang na het begin van de oorlog in 1939.

Wie burgers wil transformeren tot massamoordenaars kan een oorlog goed gebruiken, maar een afdoende verklaring is het niet.

***

Tegenwoordig hoor je geregeld: ‘We weten hoe het begon’, als gesproken wordt over hedendaagse extreem-rechtse bewegingen en politici die flirten met rassentheorieën. Waarmee wordt gesuggereerd dat we dus ook weten hoe het afloopt. Dat is onjuist, de geschiedenis is niet gedetermineerd, tenzij je in een almachtige God of eventueel in Hegels Weltgeist gelooft. Iets kan op dezelfde manier beginnen en anders aflopen.

De politisering van identiteit, de bewering dat bepaalde bevolkingsgroepen absolute vijanden zijn (in tegenstelling tot het benoemen van landen als vijand; in Mein Kampf ziet Hitler in Frankrijk de grote vijand van Duitsland maar tot massamoord op de Fransen heeft dat niet geleid) en een hang naar raszuiverheid of zelfs zuiverheid in het algemeen zorgen ervoor dat menselijke waardigheid met voeten wordt getreden en een minimum aan empathie wordt ondermijnd. Voor deze weinig verrassende maar helaas nog niet vanzelfsprekende inzichten hebben we Mein Kampf vermoedelijk niet nodig, maar dankzij Hitlers drogredeneringen, zijn als zelfverdediging vermomde haat, zijn hallucinerende samenzweringstheorieën kunnen we hedendaagse drogredeneringen, vermomde haat en hallucinaties misschien beter herkennen.

Er is veel voor te zeggen dat het leven inderdaad een strijd is. Het is onzinnig te beweren dat dat niet zo zou zijn omdat mensen ook goed kunnen samenwerken; juist competitie vereist samenwerking. De cruciale vraag is hoe wij die strijd vormgeven, welke spelregels wij daarbij hanteren, opdat fatsoenlijke huisvaders en vriendelijke moeders, met al hun al dan niet weerzinwekkende vooroordelen, geen moordenaars, beulen en handlangers van moordenaars hoeven te worden.


Mijn strijd

Volgende week verschijnt onder de titel Mijn strijd een nieuwe, wetenschappelijk verantwoorde editie van Mein Kampf in het Nederlands. Lange tijd was het beruchte boek van Adolf Hitler hier verboden, maar sinds 2016 zijn de rechten op druk en verspreiding van Mein Kampf vrijgegeven. In 2016 verscheen ook de veelgeprezen Duitse wetenschappelijke editie bij het Institut für Zeitgeschichte. Uitgeverij Prometheus betrok die editie nauw bij haar kritische uitgave, waarbij Mario Molegraaf als vertaler werd aangezocht en dr. Willem Melching, als historicus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van onder meer Joseph Goebbels: Hitlers spindoctor, Hitler en Waarom Duitsland?, de inleiding en de selectie van de noten voor zijn rekening nam.

Mijn strijd, Prometheus, 848 blz., € 49,99