Het leven een ziekte

EEN MAN VAN NOG geen zeventig krijgt van een bevriend arts te horen dat hij bloedkanker heeft en hooguit op een jaar respijt kan rekenen. Een chemokuur heeft geen zin meer.

Met die doodsaanzegging begint Paul de Wispelaeres nieuwe roman En de liefste dingen nog verder. De opmerkelijke titel, die op een onvervulbaar verlangen lijkt te duiden, is een dichtregel uit het werk van de onlangs overleden dichter Herman de Coninck. Kennelijk is hij bedoeld als hommage aan deze vriend, aan wie ook het boek is opgedragen.
Het is oktober, maand van rijping en van oogst, de dionysische maand die in het werk van De Wispelaere altijd een prominente rol speelt. Zon en doodstinten kleuren de oktoberdagen en maken ze geschikt voor het ingetogen feest van terugblikken en vooruitkijken. Dat laatste krijgt voor de hoofdpersoon nu een zeer begrensd perspectief. Het gevolg daarvan realiseert hij zich maar al te goed: ‘Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.’
Melancholie en verlangen vloeien in dit jaargetijde moeiteloos in elkaar over. Oktober is, zoals De Wispelaere het ooit elders formuleerde, 'gericht op twee polen en in zichzelf verdeeld’. Dat dualisme herkent hij maar al te goed als een tweede natuur van zichzelf.
De maand legt derhalve het patroon open waarlangs zijn werk en leven steeds weer gestalte krijgen: de ambivalentie. Dat is een eigenschap die hij regelmatig aan zijn protagonisten meegeeft, ook nu weer.
DE NAAMLOZE verteller in deze roman is een schrijver die een loopbaan achter de rug heeft als docent aan een letterenfaculteit. Het is een enerzijds-anderzijdstype, een intellectuele evenwichtzoeker die 'stikt in de dubbelzinnigheid’, iemand die tot op zijn laatste levensmoment worstelt met de keuze tussen engagement en isolement, maatschappijkritiek en aansluiting bij die vermaledijde bourgeoiscultuur.
Die ambivalente houding speelt hem niet minder parten wanneer het tijdens zijn schrijven om de juiste persoonsvorm gaat. Kiezen tussen een hij of een ik betekent in dit geval een keuze maken tussen verschillende literaire genres, het vie romancée of de autobiografie. Een beslissing komt er uiteraard niet, want, zo noteert de verteller: 'De “hij” uit mijn aantekeningen ben ik zelf, maar berust het idee van de identiteit niet op de zekerheid dat morgen de voortzetting van gisteren is?’
Dat mag dan waar zijn, de roman krijgt er iets tweeslachtigs door, hoezeer in het geval van De Wispelaere ook valt te billijken dat hier, in de roman, en in zijn eigen leven het bestaan literair wordt geleefd.
EEN JAAR LANG draait hij zijn leven terug. Allereerst om dat alles nog een keer te herleven, maar niet minder ook om 'de nietige dagelijkse wereld de bekoring van een verhaal’ te geven. Herinneringen lossen actuele gebeurtenissen af. Zo schuiven tijdlagen over elkaar heen en ontstaat stukje bij beetje het verhaal van een leven dat zijn ontplooiing kreeg in de jaren vijftig, 'vervlogen tijd toen Brugge nog een gezellige stad was’, volop genoot van de jaren zestig, 'tijd van algemene opstandigheid’, en verdeeld kan worden in tijdperken die corresponderen met de geliefden die erin opdoken. Een leven ook dat in het teken stond van het boek en dat de wereld in ijltempo zag veranderen. De beschrijving ervan eindigt wanneer hij met zijn laatste minnares Marlies - die inmiddels in Mexico een nieuw leven is begonnen - terugkeert naar de Noord-Franse kust, naar een ongerepte plek die ze van vroeger kenden en die hem nu de overweldigende indruk geeft 'dicht bij het begin van de wereld te staan’.
Oktober is dan weer nabij, zodat de cirkel rond is, alle (levens)seizoenen voor de laatste keer doorlopen zijn en cyclische tijd en lineaire afloop in elkaar grijpen. Dan kan de onverwoestbare romanticus in hem afscheid nemen. Hij doet dat met een vrijwel utopisch beeld waarin hij literaire vruchtbaarheid en onsterfelijkheid met elkaar verbindt: 'In mijn verbeelding organiseer ik een groots boekenfeest. Het hele huis geurt naar bloemen, in alle kamers weerklinkt muziek, deuren en ramen staan open en we roepen de zomer naar binnen. Van heinde en verre komen jonge gegadigden in de rekken en kasten graaien, ze betasten de banden, keuren de bladspiegels, lezen hardop fragmenten voor, pakken lachend en wijsjes fluitend mee wat ze willen, halen uit elkaar en verspreiden, leggen nieuwe verzamelingen aan, die hun eigen lotsbestemming tegemoetgaan. Een bibliotheek die verstuift zoals het zaad van bomen wordt meegenomen en uitgestrooid door vogels en de wind.’
EN DE LIEFSTE dingen nog verder is geschreven in de soepele stijl die we van De Wispelaere kennen, maar dit keer zonder de scherpte van formuleren die Het verkoolde alfabet (1992) tot zo'n bijzondere lectuur maakte. Het relaas heeft uiteraard een open structuur, De Wispelaere houdt niet van strakke composities. Het is gevat in een alternerende reeks anekdoten, overpeinzingen, brieven aan Marlies, kanttekeningen bij maatschappelijke gebeurtenissen of misstanden, reflecties op het eigen schrijfwerk. Met deze fragmentarische werkwijze creëert hij armslag om, waar nodig, het transformatieproces dat schrijven nu eenmaal is, te becommentariëren vanuit de spanning tussen verbeelding en werkelijkheid.
Naast levensloop en tijdsbewustzijn is kanker de derde component die voor samenhang in de roman zorgt. 'Het leven is een ziekte’, noteert de verteller ergens niet zonder pathos. De ziekte waaraan hij hier refereert, symboliseert van oudsher twee uitersten: afbraak en passie. Ze woekerde koortsachtig in alle verliefdheden die hij kende, maar verteerde op den duur ook steeds weer de hartstocht.
De afbraak gaat verder dan die van het eigen lichaam. Breder gezien is er sprake van een 'kanker van de bourgeoismaatschappij’, en van een analogie tussen de 'groei van een kwaadaardige tumor en de groei van de industriecultuur’. Dat is een bekend thema bij De Wispelaere: zijn kritiek op de moderniteit, haar rechtlijnige, puur op de idee van een allesvernietigende vooruitgang gerichte tijdsopvatting. Maar hij deed het ooit allemaal overtuigender, met een grotere inzet en met meer hartstocht. Met als gevolg dat in nogal wat kritische noten die hij meent te moeten kraken, het hoge moppergehalte en de hang naar generalisatie vaak overheersender zijn dan de analyse. Het verhaal over de letterenstudenten uit de jaren zestig die met nul komma nul aan bagage arriveerden en met niet veel méér kennis afstudeerden, is daar slechts een voorbeeld van.
Zo stoot je uiteindelijk op de vraag of het leven met de dood voor ogen onherroepelijk eindigt in een déjà vu. De roman wekt inderdaad die indruk, ook al omdat er te veel uit vroeger werk van De Wispelaere in terugkeert. Dat is jammer. Resteert de sympathie voor de mildheid ervan en het waas van vergankelijkheid dat eroverheen ligt.