PIET GERBRANDY

Het leven is vreseluk

De landweg

De landweg gevoederd met stof (de brandstof
van de landweg) schudt zijn vossenstaart, schuw:
Voor jij piepen kon droeg ik het rad al,
roodkoperbeslagen wiel van de liefde!

Zegt hij en draagt een roekoeënde duif, zegt
hij ‘Arcadia’…fluistert. Adellijk
ontzwom ik een charter (1313)
en besta nog, eens een machtige heerbaan.

Nu leid ik karren rond, als gids van duister,
langs de hut van de gek waar de kaarsvlam woedt.
Gras snoert mijn strot, een zeer eenzaam
voerman.

Mijn steniging op handen, ik Stefanus…
mijn salamanderstaart zal knakken, ik zal
stil uitzien aan ’t kruis van de snelweg.

'Erger nog’. Mochten lezers bij het openslaan van de nieuwe bundel van H.H. ter Balkt al vermoed hebben dat de wereld er niet best voor staat, de titel van het eerste gedicht valt met de deur in huis: het is nog erger dan gedacht. Maar er is hoop, want het slotgedicht eindigt met de troostrijke regel 'septemberregen wist straks vredig het zicht uit’. Zo beweegt deze bescheiden bundel zich tussen woede en berusting, tussen felle satire en milde weemoed. Te midden van de misstanden die ons tijdsgewricht kenmerken, is er ruimte voor warmte en schoonheid.
Wat is er allemaal zo erg? Het openingsgedicht begint met een citaat:

'Erger nog, Nederland begint zijn kracht
te verliezen,’ karmiakt een manifest uit
Nul 4; koude wind over de water-zuivering
aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm.

Hoewel ik geen idee heb wat het werkwoord 'karmiakken’ betekent, ligt het voor de hand dat de dichter het 'manifest’ niet voor zijn rekening wenst te nemen, gezien de kille atmosfeer waarin de uitspraak geplaatst wordt. De derde en vierde regel suggereren dat er inderdaad iets mis is met de staat van ons land, maar de politicus of bankier uit wiens mond het citaat komt, heeft daar een andere visie op dan de dichter. Het manifest behelst vermoedelijk een oproep de al vigerende doodsheid nog een extra impuls te geven. Er is kracht genoeg in Nederland, maar het is de verkeerde.
De tweede strofe laat zien dat men in Engeland heel anders met kracht omgaat. Weliswaar deugen ook daar de politici niet, maar men weet er zijn helden met fraaie monumenten te eren. Dat was althans in het verleden het geval, getuige de tombe van de vijftiende-eeuwse aartsbisschop Chichele in Canterbury. In de laatste strofe trekt een maanvis van zee naar zee om uiteindelijk bij Katwijk te stranden, maar zijn oog 'dat niet langer leefde bleef, wijdgeopend/ nog altijd menselijk en bijna levend kijken’. De kou en de dood zijn misschien onvermijdelijk, maar dat is nog iets anders dan het leven zelf ijzig en onmenselijk te maken. En wie écht heeft geleefd blijft ook na zijn dood een vitale aanwezigheid behouden.
Het leven wordt hier kunstig nagebootst, zo constateert Heinrich Heine in De trekschuit. De wolken aan de hemel bestaan uit rook, reizigers zijn van ketelsteen gemaakt en de god van Nederland heet november:

Druppelende boomtakken zingen
hun psalmen; zeelten met mutsen
en hoeden slurpen zuurstof

uit de mist…

In een land met 'trijpen vagijnen’ en 'zinkkleurige lucht’ kan het nooit iets worden. Desondanks lijkt Ter Balkt gehecht te zijn aan het land dat hem zo tegenstaat. Geen dichter formuleert zijn haat met zoveel liefde.
Vernietigend is zijn kritiek op het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling van Hannover in het jaar 2000. Het ging om een veertig meter hoge 'landschappenstapel’, een flat waarin zich onder meer een bos en een chrysantenkwekerij bevonden. Honend typeert Ter Balkt het project als 'brille, toegejuicht door duizend kelen’. Vervolgens contrasteert hij dit toonbeeld van wansmaak, ijdelheid en winstbejag met een zilveren munt uit het oude Athene en met de vuurtoren en de bibliotheek van Alexandrië. Maar paradoxaal genoeg houd je aan het gedicht de indruk over dat ook dit moderne monument, hoe belachelijk het ook lijkt, een grootse schepping is. Die ambivalentie is kenmerkend voor alles wat Ter Balkt schrijft.
Ofschoon grauwe bekrompenheid de Nederlander zit ingebakken, draagt het twintigste-eeuwse modernisme een speciale verantwoordelijkheid voor de kilte van ons cultureel klimaat. Ter Balkt heeft in het verleden vaak de staf gebroken over dichters als Mallarmé en Kouwenaar, die de poëzie van al haar leven en wijsheid beroofd zouden hebben. 'Aardedonkere wagens staan stil/ Halverwege de eeuw van schreeuwen’, verzucht Ter Balkt: 'taal, geen vlam verlicht jou nog’.
In een van de gedichten is Remco Campert de gebeten hond. De herhaalde kreet 'wa vreseluk’ verwijst naar het boekje dat Nederland in 2011 schijnt te moeten lezen. Wat de Vijftigers teweeggebracht hebben is niet gering: 'Kunst werd de beschildering van ’t lege mengvat/ dat altijd leegte mengde met leugens en slaap’, met als resultaat een literatuur waarin 'bijna Niemand sprak en die sprak niet’. Met ontzetting constateert Ter Balkt dat we zolang 'de tuinen verhakselden en de koekoek ridderden/ met de Orde van de Echo en de Makakentong’. Als dat waar is, is het niet best.
Gelukkig is er altijd een keerzijde. Een van de laatste gedichten is opgedragen aan de Hodge Podge Stompers, de New Orleans jazz-formatie waarin Ter Balkt een halve eeuw geleden piano speelde, 'toen de koeien nog horens hadden’. Als een alter ego van de dichter komt de Cynische Filosoof Diogenes aan het woord: 'Hoofdpijn, rotsduif, klimt als een zon boven/ de zoete lucht, zegt hij, van ’t hooiland’. De ton waarin hij woont is een mistig oord geworden, en 'vuil is de wereld als oom Hendriks/ voetzool’, maar luister:

opeens voert de wind muziek,
die droefenis om de wereld is, aan.

Van die muziek wordt men niet vrolijk misschien, maar mooi is ze wel.

H.H. TER BALKT
VLIEGTUIGMAGNEET
De Bezige Bij, 48 blz., € 15,-