Het leven is waar

Simon Vinkenoog
Zonneklaar: Gedichten in het nieuwe millennium
Passage, 88 blz., € 16,-

‘Ik ben er een van vroeger & nu’, schrijft Simon Vinkenoog (1928) op zijn website, en daarmee typeert hij zichzelf treffend. Als literator heeft hij een loopbaan van maar liefst zestig jaar achter de rug, en als het aan hem ligt gaat hij nog vele decennia door met het prediken van liefde, spirituele openheid en de wereldrevolutie die de verbeelding aan de macht moet helpen. In 1950 richtte hij het eenmanstijdschrift Blurb op (in te zien op zijn website), in hetzelfde jaar debuteerde hij met de bundel Wondkoorts, in 1951 bracht hij de roemruchte bloemlezing Atonaal uit, die alom beschouwd wordt als een mijlpaal in de Nederlandse literatuurgeschiedenis, en in 1966 organiseerde hij de grote poëziemanifestatie in Carré. Maar Vinkenoog is er de man niet naar om in het verleden te blijven hangen. In 2004 fungeerde hij officieus als Dichter des Vaderlands, hij is enthousiast over hedendaagse verschijnselen als poetry slam, die hem herinneren aan de dichters van de beat generation, en hij omarmt de nieuwe media als geestverruimende middelen. Wie zou zijn oude dag niet zo willen doorbrengen?

Het dichterschap van Vinkenoog berust evenwel op een misverstand. Zijn nieuwe bundel staat vol ronkende lyriek, die in haar moralisme, hulpeloze beeldspraak en behoefte alles, maar dan ook alles te expliciteren nog het meest doet denken aan de cantates van J.J.L. ten Kate en de lierzangen van Nicolaas Beets. Met dit verschil dat de negentiende-eeuwse dominees hun loze kreten tenminste nog welluidend wisten te formuleren. Bij Vinkenoog gaat het echter zo: ‘Blijf bij de les:/ bij de talloze naamloze onbekenden/ bij de helden die vrees kennen/ bij de vrouwen die in pijnen baren/ bij de hongerige scharen/ bij de ziektes uit te bannen/ de oorlog te ontmannen’.

De poëzie van Vinkenoog is die van schoolkranten en parochieblaadjes. ‘Ach, lieve wereld,/ Die mij zoveel te bieden heeft!’ En: ‘Ik zie ik zie wat jij ook ziet/ heel veel pijn heel veel verdriet/ teren op herinneringen/ de goede en de slechte dingen’. Soms is hij allemachtig experimenteel en internationaal: ‘Son & Lumiëre/ Donner und Blitzen/ Himmelhochjauchzend/ Zum Tode Betrübt –// Wees gegroet, Wereld!’ De bundel getuigt ook van peilloze diepzinnigheid: ‘Het kostbaar moment/ herkend – het leven is/ Waar’.

Hoe is het mogelijk dat een man die bevriend was met Lucebert en Kouwenaar, die zoveel goede poëzie gelezen moet hebben en die zich een leven lang in alle rust heeft kunnen toeleggen op zijn ambacht, zo’n verbijsterend gebrek aan zelfkritiek tentoonspreidt? Heeft al dat blowen misschien zijn brein aangetast?