Plinius, De wereld: Naturalis historia

Het leven is: wakker zijn

Lees iedere avond één hoofdstukje van de encyclopedie van Plinius, en je bent jaren verzekerd van een goede nachtrust.

Plinius

De wereld: Naturalis historia

Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters

Athe naeum- Polak & Van Gennep, 900 blz., € 49,95 tot 1 januari, daarna € 54,95

Deze wereld omvat veel feiten, dingen en details. Zo zijn er sterren en stenen, mensen en dieren, planten en boeken, moskeeën en sigaren, gitaren en gedichten, slachtmessen en gezwellen, om niet te spreken van de glimlach, de lichtval, de belastingdruk en de klompvoet van Balkenende. Hoe orde aan te brengen in deze baaierd van verschijnselen? Eens in de zoveel tijd verschijnt er een boek waarin dit alles een plaats vindt en op zo’n manier is gerangschikt dat er een geruststellende indruk van overzichtelijkheid wordt gewekt, alsof de systematiek die aan de wereld wordt opgedrongen geen mentale constructie is, maar de weergave van een metafysische realiteit. Er zijn mensen die menen dat de bijbel, de koran of Moby Dick zo’n boek is, maar zij zullen toch moeten toegeven dat de auteurs van deze werken, hoeveel systeem ze ook bieden, op vele vragen geen antwoord geven. Ook de Encyclo paedia Britannica en het Wereldwijde Web voldoen niet, omdat ze weliswaar op elke vraag een antwoord hebben, maar niet laten zien hoe de feiten zich tot elkaar verhouden. Helder opgezette werken die een beschrijving van Alles geven zijn zeldzaam. Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung komt een eind in de buurt, nog vollediger is The Anatomy of Melancholy van Robert Burton, maar het ultieme boek over de wereld is de Naturalis Historia van de Romeinse beroepsmilitair, provincie bestuurder, advocaat en historicus Plinius (23-79). Om hem te onderscheiden van zijn neef, die hij per testament adopteerde, wordt hij Plinius Maior (de oudere) genoemd. Plinius Minor vertelt in een brief aan de historiograaf Tacitus hoe zijn oom bij de uitbarsting van de Vesuvius omkwam doordat hij enerzijds mensen ging redden, anderzijds graag eens zo’n natuurverschijnsel van dichtbij wilde zien: weetlust tot de dood erop volgt.

Plinius was, ondanks een glansrijke carrière onder de keizers Claudius, Nero en Vespasianus, ongehoord productief als schrijver van de meest uiteenlopende werken. Zo schreef hij boeken over de Romeinse oorlogen van de laatste anderhalve eeuw, een biografie van een van zijn vrienden, een boek over welsprekendheid, maar vooral – het enige werk dat bewaard is gebleven – de 37 boekrollen Naturalis Historia, door de vertalers terecht weergegeven als De wereld. Plinius sliep bijna nooit, liet zich zelfs tijdens het eten, in bad, in de draagstoel voorlezen en dicteerde wat hem inviel of wat hij van de lectuur wilde onthouden aan een secretaris. Hij wenste geen minuut te verliezen: «vita vigilia est» (het leven is: wakker zijn). Hij ordende zijn aantekeningen op zo’n manier dat hij altijd precies kon terugvinden waar hij wat gelezen had. Uiteindelijk legde hij zijn overrompelende feitenkennis neer in een helder gestructureerd encyclopedisch geheel. Zowel in zijn inleiding als aan het slot constateert hij met trots dat hij de eerste is die zo’n project heeft ondernomen. Bovendien is hij een van de weinige auteurs uit de oudheid die aan het begin van zijn werk niet alleen precies aankondigt in welk deel welk onderwerp wordt behandeld, maar ook nauwkeurig zijn bronnen opgeeft – de enige andere geleerde van wie ik mij zo’n bibliografie herinner, is Plinius’ grote voorbeeld Marcus Teren tius Varro (eerste eeuw voor Christus).

In een soms wat onhandig, soms al te bloemrijk Latijn legt Plinius uit wat hij gaat doen: «Het gaat over dorre materie, namelijk de natuur, dat wil zeggen: het leven.» Alles wat Plinius vertelt staat in verband met de mens; feitenkennis zonder relevantie voor het leven acht hij zinloos. Hij is geen filosoof die kennis vergaart om de kennis. Vandaar dat een groot deel van zijn beschrijving van planten en dieren in het teken van de landbouw en de geneeskunde staat. Plinius benadert zijn bronnen kritisch, zonder evenwel zelfstandig onderzoek naar de verschijnselen te doen. Hij is noch een empiricus die uit een grote verzameling data hypothesen opstelt, noch een zoeker naar diepliggende oorzaken van wat dan ook. Metafysica, natuur- en wiskunde zijn niet aan hem besteed, laat staan dat hij zich ooit een methodologische vraag stelt.

Zijn theoretische zwakte is tegelijkertijd zijn kracht. Met vaart en humor vuurt Plinius – naar eigen zeggen – twintigduizend feiten op de lezer af (in werkelijkheid zijn het er veel meer). Eerst krijgen we een beschrijving van de kosmos, van de vier elementen en van de drie werelddelen. Daarna worden mensen, dieren en planten behandeld, vervolgens alles wat met de geneeskunde te maken heeft. De laatste vijf boeken zijn gewijd aan delfstoffen, en in dat verband wordt ook een overzicht gegeven van de schilderkunst, de beeldhouwkunst en de architectuur.

Zelden krijg je een boek in handen waarvan je zo vrolijk wordt. Je zou willen blijven citeren. «Als enig levend wezen is aan de mens verdriet gegeven, alleen aan hem genotzucht.» «Gapen tijdens de bevalling is zeker dodelijk, net zoals niezen na de gemeenschap een miskraam opwekt.» «De beet van de mens wordt als een van de gevaarlijkste beschouwd. Men behandelt hem met oorsmeer.» «De vriendelijke bomen, die ons op een meer menselijke manier van dienst zijn met hun vruchten, andere gaven of dienstvaardige schaduw, noemt men niet ten onrechte beschaafd.»

Als alle Romeinse schrijvers is Plinius een moralist. Zijn tirades tegen overdreven luxe klinken vertrouwd in de oren, interessanter is zijn conceptie van de natuur als een organisch geheel dat je moet respecteren en niet mag uitputten. In goden van vlees en bloed gelooft hij niet: «Ik denk dat het een bewijs van menselijke zwakte is een afbeelding en een gestalte van god te zoeken.»

De uitgever heeft het niet aangedurfd de complete Plinius op de markt te brengen. Zo komt het dat ons onthouden wordt dat melk van koeien of geiten een probaat middel tegen ontstoken amandelen is, en dat de mens het enige wezen is dat zijn oren niet kan bewegen. Daar staat zo veel leesgenot tegenover dat we de vertalers niet anders dan innig dankbaar mogen zijn. Lees iedere avond in bed één hoofdstukje en je bent jaren verzekerd van een goede nachtrust. Werkt dat niet, bedenk dan: vita vigilia est.