Het leven van de anderen

De afgelopen week keek ik nog eens naar Das Leben der Anderen, de in de DDR spelende film die in 2007 de Oscar won voor beste buitenlandse film.

Medium others3

Ik weet nog dat ik destijds onder de indruk was van de precisie waarmee de film gemaakt is. Alles klopt, de film is volkomen rond, ondanks de zwaarte van het thema worden mooie gevoelens opgeroepen, kunst en menselijkheid zegevieren. Zo af dat het bijna te veel is. Ook nu weerhield deze analyse mij er niet van de film toch zeer geslaagd te vinden: uiteraard ben ik opgetogen als de kunst de barbarij overwint, en bewonder ik degenen die in verdrukking goede, juiste keuzes weten te maken, als dat alles fraai en boeiend en betekenisvol wordt neergezet.

Een detail sprong mij ook nu in het oog. De Stasi-officier (Wiesler) die zich aanvankelijk ten doel heeft gesteld een gevierd kunstenaarsechtpaar ten val te brengen, streeft uiteindelijk naar de redding van het koppel, onder de indruk als hij is van hun levenswijze. Pas na de val van de Muur, na het opengaan van de archieven, komt de grote toneelschrijver (Dreyman) tot de ontdekking dat hij jaren eerder door een Stasi-medewerker is behoed voor berechting en opsluiting. Dat dit heeft geleid tot diens eigen degradatie en ondergang constateert hij als hij Wiesler na de Wende ziet lopen als postbesteller. In zichzelf gekeerd en als verloren in het decor van de stad. Die aanblik geeft Dreyman de stimulans om opnieuw te gaan schrijven. De roman die twee jaar later met fanfare verschijnt, Die Sonate vom guten Menschen, draagt hij op aan HGW XX/7, codenaam van Wiesler.

We zien Wiesler een boekhandel binnengaan, aangetrokken door de posters in de etalage, en constateren dat het werk aan hem is opgedragen. Dit brengt een glimlach op zijn gezicht: de geschiedenis krijgt een wending, er valt een ander licht op, nu hij weet dat de dingen zijn waargenomen.

‘Ga naar Haifa en voetbal met een Palestijns jongetje’

Wat mij treft, is de uiterst bescheiden – flessenpostachtige – maar doeltreffende vorm van activisme waarvoor Dreyman heeft gekozen om Wiesler zijn dankbaarheid te tonen: door een verder voor iedereen raadselachtige opdracht in een roman. Kunstwerk in een kunstwerk. Het zijn dit soort kleine gebaren – eigenzinnig, wijs en artistiek – die een geluksgevoel ontketenen en het leven verfraaien.

Ik moest daaraan denken bij het lezen van het zojuist verschenen – mooie – boek Doorkijken van Merel Bem, waarin ze reflecteert over vormen van beeldende kunst die voor haar ingrijpen in het ‘dagelijks leven’, in haar eigen leven of dat van anderen. In het essay Plaatsvervangend hunkeren schrijft ze over de Palestijns-Amerikaanse kunstenaar Emily Jacir en haar kunstwerk Where We Come From.

Dankzij haar dubbele nationaliteit heeft Jacir toegang tot Israël en de Westelijke Jordaanoever, wat niet geldt voor de talrijke Palestijnen in hun diaspora. Voor dit kunstwerk heeft ze aan allerlei Palestijnen gevraagd wat ze voor hen kan doen of betekenen als zij binnenkort naar Israël reist. Voor sommigen is dat iets heel prozaïsch als het mee terugnemen van bepaalde snoepjes, voor anderen gaat het om het uitvoeren van een handeling die ze zelf nooit hebben kunnen uitvoeren: het ontmoeten van een bepaald meisje. Weer anderen hebben een wat poëtischer aanleg: ‘Doe iets op een doodnormale dag in Haifa, iets wat ik wellicht zou doen als ik daar zou wonen.’ Of vragen om een actie die en passant de heftigheid van het Israëlisch-Palestijns conflict aanwezig stelt: ‘Ga naar Haifa en voetbal met het eerste Palestijnse jongetje dat je op straat tegenkomt.’

Jacir legt al deze momenten fotografisch vast en schrijft er korte teksten bij, ter uitleg. Samen vormen foto’s en teksten het kunstwerk Where We Come From, een kunstwerk dat bol staat van de werkelijkheid en er tegelijkertijd over nadenkt. Want meer dan de foto’s zelf is interessant wat ze verbeelden, wat er op de bewuste plekken gebeurt: (vreedzaam) voetballen met een jongetje. Dat is het echte kunstwerk. Op subtiele wijze vormt dit kunstwerk een denkmachine die ook het denken in het hoofd van de toeschouwer ontketent, een bescheiden en daarom indrukwekkende vorm van activisme. Het lijkt erop dat deze vorm van kunst bedrijven meer en meer gemeengoed wordt. Het VPRO-programma Tegenlicht was onlangs gewijd aan vormen van activistische kunst, buiten de ‘sacrale sfeer’ van het museum, in de werkelijkheid. De schrijver Alessandro Baricco was een van de eersten, in zijn boek De barbaren, die deze tendens belichtte. Volgens hem zal de kunst er over vijftig jaar heel anders uitzien. Ironisch zegt hij: ‘We moeten op alles voorbereid zijn.’ Werden de barbaren vroeger door de elite altijd verketterd, Baricco omarmt de moderne barbaren, zoals hij ook de zogenaamde oppervlakkigheid van deze moderne tendens begroet. Tegenlicht toonde allerlei uiterst boeiende voorbeelden van kunstenaars voor wie het werkterrein en het materiaal de wereld is.

Het heeft zeker iets, dit bescheiden en toch betekenisvolle ingrijpen in het leven van de anderen.