Het leven van een ander

Een uitgever zei me dat het veel effectiever is als een columnist over een boek schrijft dan als een recensent dat doet. Effectief in de zin van: verkoopstimulerend.

Ik snap dat wel. Een columnist is een lezer op vakantie, als hij of zij iets aanbeveelt moet het wel van harte zijn. Het ‘dit moet je lezen’-effect. Zo schrijft een recensent nooit, of ik niet in ieder geval. Ik schrijf over literatuur. Ik sta niet op de markt.

Leon de Winter zei ooit – om enigszins de mate van abjectheid van het vak van criticus te kunnen benaderen – dat als in een schoolklas gevraagd zou worden: en wie wil er criticus worden? geen hond het in zijn hoofd zou halen zijn vinger op te steken. Toen ik dat de eerste keer hoorde, dacht ik: o ja, nu je het zegt. Zoveel jaar later – ik neem mijn tijd voor secundair reageren – denk ik dat niemand ook zijn vinger zal opsteken als er wordt gevraagd wie er later schrijver wil worden. Wat we willen worden is stewardess, soldaat, brandweerman, juf. Iets waarbij je een uniform kunt aantrekken, aanwijsstok in de hand, en dat iedereen dan ontzag voor je heeft.

Ondertussen ben ik volmaakt tevreden met wat ik doe, schrijven en recenseren, al vind ik mensen die volmaakt tevreden zijn met wat ze doen, of eigenlijk: mensen die zéggen dat ze volmaakt etc zijn, altijd een beetje raar. Waarom die etaleerzucht? Wie moeten ze overtuigen, behalve zichzelf?

Ik ben in een moeilijke bui, ik kan mijn vinger er niet helemaal op leggen. Ik heb net naar een film zitten kijken waarin een vrouw wakker wordt en de laatste vijftien jaar van haar leven vergeten blijkt te zijn. Alles in haar ‘nieuwe’ leven komt haar even gruwelijk voor: het feit dat ze een kind heeft, in een kanjer van een huis blijkt te wonen, een of andere poshy baan heeft. Het ergste van alles: met de man in wiens armen ze na een hartstochtelijke vrijage de avond ervoor in slaap is gevallen, is ze inmiddels in een echtscheiding verwikkeld. Als ze hem wil kussen – als ze hem eenmaal heeft gevonden in dat enorme huis, de werkster is druk aan het stofzuigen, de nanny brengt haar kind naar school – weert hij haar geschrokken en boos af. Op haar werk drukt een griezel een kleffe kus in haar nek, geeft haar een opzichtig gouden kettinkje. Hij blijkt haar minnaar te zijn.

Oké, het was een Franse film. Maar het gegeven raakte me, namelijk dat je gaandeweg kennelijk ver verwijderd kunt raken van waaraan je ooit zo vol overgave bent begonnen. Mooi moment is als Marie, gespeeld door Juliette Binoche, vertwijfeld voor haar kledingkast staat en er het meest bloemige jurkje uit trekt. Als ze de keuken in komt, roept haar zoontje in verheugde verbazing uit: je hebt je vakantiejurk aan!

Ik zat vorige week op de boot naar Engeland en las de nieuwe roman van Elizabeth Strout, My Name is Lucy Barton. Was het de vakantie of het boek? Het verhaal dat Strout vertelt over de jonge vrouw die langer in het ziekenhuis moet blijven liggen dan verwacht, en op zeker moment haar moeder aan het voeteneind van haar bed treft, zoog ik op alsof ik al te lang droog had gestaan. Strout heeft een manier gevonden om iets níet te zeggen – ‘dit verhaal gaat niet over mijn huwelijk’, klinkt het keer op keer bezwerend – en het daarmee de zwaarte te geven die het verdient. Als ik met het pistool op mijn slaap moet zeggen waar dit boek over gaat, dan zeg ik: het gaat over vergeving.

In Oxford wilde ik het kopen voor de vriendin die ik ging bezoeken, maar ik kon het niet vinden in Blackwell’s. Wel hadden ze een oudere roman van Strout, Olive Kitteridge, ik kende de gelijknamige tv-serie. Die geweldig is. Die kocht ik voor mezelf, en voor de vriendin een Ferrante (The Lost Daughter, de beste vind ik). Wij vrouwen weten wat we écht willen lezen. De verkoper, een jongen met extreem hip haar en mascara op zijn wimpers, pakte Olive Kitteridge van me aan en vroeg of ik haar laatste ook kende.

Ja! riep ik uit.

Wij vrouwen weten wat we écht willen lezen

It’s absolutely brilliant, sprak hij.

I know! Maar ik kan het hier niet vinden, ik wil …

Look behind you!

Een My name is Lucy Barton-toren staarde me aan.

Ik wist me in te houden, en pakte drie exemplaren.

Het is ook zo clever, zei de jongen.

Ja, zei ik. Dat ook.

Blij pakte de boekverkoper ze allemaal in als cadeau. Ik wist weer op welke beroepsgroep het inzake literatuur uiteindelijk aankomt.