Het leven van een bastaard

Na twee romans die in Zuid-Afrika spelen, Moenie kyk nie en Tikoes, schreef Henk van Woerden (1947) een documentair boek. Op 6 september 1966 wordt premier Verwoerd in het parlementsgebouw doodgestoken door een man die daar tijdelijk in dienst is als bode. De moord zou achteraf het begin van het einde van de apartheid blijken, maar de motieven van de dader waren nauwelijks politiek te noemen. Tegen een psychiater zei hij: ‘Ik ben tegen Verwoerd. Hij is een buitenlander, niet ik.’

Dimitrios Tsafendas, de moordenaar, was in 1918 geboren als zoon van een Griekse vader in Mozambique en diens zwarte dienstbode, die weldra zou plaatsmaken voor een blanke echtgenote. Toen de familie naar Zuid-Afrika verhuisde, kreeg Tsafendas geen inreisvergunning en afgezien van af en toe een clandestien verblijf in dat land zou hij z'n hele leven van hot naar her trekken, nergens welkom, twintig jaar zwalkend over de wereldzeeën. Hoewel Verwoerd een geboren Nederlander was, kon Tsafendas zichzelf moeilijk een autochtoon noemen. Van Woerden zet de feiten van dit treurige leven op een rij, maar als hij in 1998 de oude man in een psychiatrische inrichting opzoekt, treft hij daar ‘een innemende kletsmajoor’. Niettemin noemt hij hem 'een overlevende uit het wrak van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis’; op grond van het voorafgaande levensverhaal is hij eerder een drenkeling die uit de familieboot is gezet, een pechvogel van geboorte. In het nawoord zegt de schrijver: 'Het ging erom door middel van zijn verhaal, ondersteund door reisobservaties en ontmoetingen in het afgelopen decennium, iets weer te geven van het Zuid-Afrikaanse trauma.’ En hij noemt zijn boek 'een voorzichtige poging tot anamnese’. Dat is het niet. De moord in 1966 maakte deel uit van een crisis; in een ziekteproces begint dan vaak de genezing. Over de voorgeschiedenis heeft Van Woerden het slechts summier, het leven van de bastaard speelt zich hoofdzakelijk elders af; ook de jeugdervaringen van de schrijver zelf kun je niet direct symptomen van dat trauma noemen. Dus moet je bijna aannemen dat wat hij tijdens verschillende bezoekjes tussen 1989 en 1998 ziet, half journalistieke verslagen en particuliere kiekjes, steekproeven zijn van een proces dat van kwaad tot erger zou leiden. De beweegredenen van Tsafendas worden er door feiten alleen ook niet inzichtelijker door. Zelf noemt Van Woerden het 'de obsessie met Tsafendas’ doen en laten’ (obsessie met?); dat klinkt net zo overdreven als de titel. 'Het proeft als een glasscherf in de mond’ (proeft als glas?) zegt hij van het woord 'amok’ als dat 'koloniale woord’ gebruikt wordt voor een islamitische opstand in Kaapstad. Wiens mond vol glas zit in het boek, dat is niet duidelijk, niet de mond van de praatgrage dove Tsafendas - op het omslag is het een donker meisje met versmeerde lippenstift. Het beeld van de titel zit al even scheef als de glas-vergelijking verderop met betrekking tot de grijsaard: 'Zijn verleden behoort tot het domein van glas, verbogen, gezien door een lens met scherpe breuken.’ Ik doe geen poging die zin te ontleden, hij is even slordig neergepend als zoveel in dit boek: de auteur lijkt al tevreden met een sfeertekening en aan zinnen hoeft dan kennelijk geen aandacht meer te worden besteed.