De actualiteit van Schopenhauer

Het leven wil alleen zichzelf

Het is 150 jaar geleden dat Arthur Schopenhauer stierf, maar zijn ideeën over de triomftocht van de biologie zijn nog steeds inzet van hevige discussies. Zie het Sarrazin-debat in Duitsland.

SCHOPENHAUER, die precies 150 jaar geleden stierf, was met zijn filosofie het grootste deel van zijn leven niet actueel. Zijn mensbeeld was niet, zoals men het destijds het liefst zag, vanuit de geest ontworpen, maar vanuit het lichaam en de driften, vanuit de biologie. Met Schopenhauer voltrekt zich - een provocatie voor die tijd - een biologische kentering in de filosofie. De doorsnee-exemplaren van de ‘tweevoeters’, zoals hij ze soms grimmig noemt, waardeert hij af en toe minder dan sommige intelligente dieren. Als hij kwaad was op zijn poedel schold hij hem uit voor ‘mens!’ Voor Schopenhauer hoort de mens inderdaad nog tot het dierenrijk, vandaar dat hij hem veelvuldig met dieren vergelijkt. Zo illustreert hij de sociale drift van de mens met het voorbeeld van de stekelvarkens, die op koude winterdagen tegen elkaar aan kruipen, op zoek naar warmte. Maar de stekels drijven hen weer uit elkaar. Zo worden ze heen en weer geslingerd tussen twee kwaden.

Medium shopenhauer

Dat geldt ook voor de mens. Hij zoekt gezelschap en wordt vervolgens door dat gezelschap gekweld. Daarom adviseert Schopenhauer de halve distantie. Volgens hem is het vooral de kwaadaardigheid die de mens van het dier onderscheidt. Voor wreedheid, bedrog, afgunst en onwelwillendheid is verstand nodig. Met het verstand heeft de mens een culturele tussenwereld voor zichzelf geschapen, maar daardoor is hij er in de regel nog niet beter op geworden. Met genoegen citeert Schopenhauer Goethe’s Mefistofeles: ‘Hij noemt het rede en gebruikt het alleen/ om slechts dierlijker dan het dier te zijn.’

Dat Schopenhauer ook in de dweperige liefde uiteindelijk alleen de biologie, namelijk het voortplantingsgedrag aan het werk ziet, heeft hij in het beroemde hoofdstuk ‘De metafysica van de geslachtelijke liefde’ uiteengezet. Daar schetst hij met opmerkelijk satirisch talent de blamages van de geest, wanneer die in botsing komt met de listen en lagen van het lichaam. Bijvoorbeeld in het geval van de seksualiteit. De genitaliën noemt hij het ‘feitelijke brandpunt van de wil’. Aan het bewustzijn doet de voortplantingsdrift zich voor als psychisch verlangen en verliefdheid. De genitaliën zoeken elkaar, en de zielen menen elkaar te vinden. ‘Dit liefdesverlangen en deze liefdessmart (…) zijn het zuchten van de geest van de soort, die hier een onvervangbaar middel tot zijn doelen bespeurt, dat kan worden gewonnen of verloren, en die daarbij een diep gesteun laat horen.'1 De postcoïtale depressie is dan niets anders dan de desillusie van de ziel, die zich toch iets meer van het een en ander had voorgesteld.

In een tijd die zich laat fascineren door theorieën over 'selfish genes'2 en over de reductie van de geest tot hersenfuncties zou een filosofie als die van Schopenhauer hoogst actueel moeten zijn. Maar er is iets wat zich daartegen verzet. Men juicht de triomftocht van de biologie in techniek en wetenschap weliswaar toe, maar men ontzegt haar de toegang tot het algemene, publieke bewustzijn. Dat kon men in het verleden zien bij het Sloterdijk-debat over het thema van de biologische optimalisering van de mens3 en recentelijk weer bij het Sarrazin-debat. Met eugenetische overpeinzingen, beweringen over erfelijkheid van de intelligentie en over verschillen in begaafdheid tussen de bevolkingsgroepen roept men nog altijd de scherpste banvloeken over zich af. Deze taboes hebben, zoals bekend, een geschiedenis, want het biologisme heeft na de misdaden van het nationaal-socialisme zijn onschuld verloren, en daarom zijn de soms hysterische reacties niet verwonderlijk. Uiteraard hebben ze ook tot functie ongewenste thema’s en personen op afstand te houden. Dat dit ook bij dit laatste thema - de dramatische integratiebalans en de methoden om daar iets aan te veranderen - een rol speelt, lijkt zonneklaar.

Dat doet niets af aan het feit dat er al lang een biologische kentering in het mensbeeld heeft plaatsgevonden. En het was diezelfde Schopenhauer die er de aanzet toe heeft gegeven, in strijd met de heersende tijdgeest. Ook in andere opzichten was hij er angstvallig op uit zijn onafhankelijkheid te handhaven en schuwde hij elke vorm van geestelijk conformisme.

ALS IN 1813 te Berlijn bij het begin van de bevrijdingsoorlog tegen Napoleon vooral onder de intelligentsia de patriottische stemming om zich heen grijpt en men de oproepen van Fichte volgt, die met filosofisch gezag de gewapende strijd adviseert, maakt de student Arthur Schopenhauer zich uit de voeten. Hij had bij Fichte college gelopen en in het dictaat notities gemaakt als 'flagrante onzin’ en ‘waanzinnig gezwets’. Hij doneerde weliswaar noodgedwongen geld voor de uitrusting van een soldaat, maar deelnemen aan de strijd wilde hij niet. Patriottisme was hem vreemd. De politieke verwikkelingen lieten hem koud. Hij was Berlijn ontvlucht omdat, zo rechtvaardigde hij zich, zijn vaderland ‘groter dan Duitsland’ was en hij er niet voor was geboren ‘de mensheid met de vuist te dienen’ maar met een filosofisch werk dat hij in petto had. In zijn dagboek noteert hij rond diezelfde tijd: ‘Het werk groeit (…) als het kind in het moederlijf (…) Ik kijk ernaar en spreek als de moeder: “Gezegend is de vrucht van mijn schoot”. Toeval, heerser over deze zintuiglijke wereld, laat me nog een paar jaar in alle rust leven! Want ik houd van mijn werk als de moeder van haar kind (…)’
Dit werk komt een paar jaar later, in 1818, ter wereld en draagt de titel Die Welt als Wille und Vorstellung. De arbeid eraan en zijn verschijning vormden het hoogtepunt in het leven van deze einzelgänger, die in 1788 in Danzig werd geboren, als zoon van een rijke koopman. Hij had volgens de wens van zijn vader ook koopman moeten worden. Maar de vader kwam te overlijden (1805) en de moeder, die later zo vijandig door Arthur werd bejegend, moest hem aansporen te worden wat hij wilde zijn: een filosoof. Tijdens lange reizen met zijn ouders leerde de jongen de wereld kennen. Later zal hij zeggen dat hij in het boek van de wereld heeft gelezen en niet alleen in de papieren boeken, zoals zijn filosofische collega’s, deze kleinburgerlijke huismussen.
Omdat hij een vermogen erfde, kon Schopenhauer leven voor de filosofie en hoefde hij niet van haar te leven. In het professionele filosofiebedrijf maakte hij geen kans; uiteindelijk gaf hij het op die kans te zoeken. Dat heeft goed voor hem uitgepakt. De existentiële prikkel die hem aanzet tot filosoferen wordt niet door de beroepspraktijk uit hem weggesocialiseerd. Schopenhauer was een hartstochtelijk mens en daarom bleef ook zijn wil tot waarheid hartstochtelijk.

Als zijn hoofdwerk ten slotte in 1818 verschijnt, meent hij dat hij zijn eigenlijke levensopdracht heeft vervuld. Hij reist naar Italië om op gepaste afstand af te wachten hoe de bliksems van zijn gedachten zullen inslaan. Maar er gebeurt niets. Hij keert terug, om in Berlijn als academische leraar zijn woorden nadruk te geven. Uitgerekend in Berlijn, waar Hegel, de koning van de filosofie in Duitsland, de scepter zwaait en grote collegezalen laat volstromen. Bij Schopenhauer zitten vijf studenten, die al gauw wegblijven. Zonder echt opgetreden te zijn, treedt hij terug, meer dan dertig jaar lang, die hij als privé-geleerde slijt. Het grootste deel ervan in Frankfurt am Main. Te trots om een publiek voor zichzelf te zoeken, hoopt hij dat het publiek hem zal zoeken. Ten slotte zal dat hem ook vinden. Maar Schopenhauer moet geduld oefenen, een heel leven lang geduld. En wat zijn filosofie tekent, is dat hij er de kracht daartoe aan kon ontlenen. Hij hield zijn filosofie juist daarom voor waar, omdat ze in strijd was met de algemene smaak, die geloofde in de rede.

In 1850, na het mislukken van de revolutie van ‘48, neemt uiteindelijk toch wat Schopenhauer de 'komedie van mijn roem’ noemt een aanvang: een behaaglijk koketteren met het pessimistische wereldbeeld van deze, zich naar de mode van de achttiende eeuw kledende filosofische heremiet, die men elke dag zijn wandeling naar Sachsenhausen ziet maken, in gezelschap van zijn poedel. In Frankfurt begint men van de weeromstuit ook poedels aan te schaffen. In de ‘Engelischer Hof’, waar Schopenhauer zijn middagmaal gebruikt, duiken kijklustigen op. Hij laat het zich welgevallen. Nu wordt er gretig naar hem geluisterd, nu wordt hij gelezen. En kort voor zijn dood op 21 september 1860 zegt Schopenhauer: ‘De mensheid heeft het een en ander van mij geleerd wat ze nooit zal vergeten.’

Men heeft iets van hem geleerd, maar vergat ook vaak of wilde niet weten dat hij het was van wie men het leerde. Men beseft bijvoorbeeld maar zelden dat Schopenhauer degene was die de later door Freud zo genoemde drie grote ‘krenkingen’ van de menselijke grootheidswaan in hun samenhang ter sprake heeft gebracht, krenkingen die tot de signatuur van het moderne wereld- en zelfbewustzijn behoren. De kosmologische krenking: onze wereld is een van de talloze bollen in de oneindige ruimte ‘waarop een schimmellaag levende en kennende wezens heeft voortgebracht’.4 De biologische krenking: de mens is een dier, bij wie de intelligentie louter compensatie is voor het gebrek aan instincten. De psychologische krenking: het bewuste ik is niet baas in eigen huis. Schopenhauer heeft in een tijd die nog vervuld was van het geloof in de rede, door middel van rationele kennis het niet-rationele van de levensprocessen aan het licht gebracht, reden waarom Thomas Mann hem de ‘rationeelste filosoof van het irrationele’ noemde.

Het hele programma van Schopenhauers filosofie komt kort en krachtig tot uitdrukking in de titel van zijn hoofdwerk. De wereld is onze ‘voorstelling’, en daarbovenuit en wat betreft haar feitelijke substantie is ze ‘wil’. Beide begrippen kunnen makkelijk verkeerd worden opgevat. Wat betekenen ze bij Schopenhauer? ‘Voorstelling’ is alles wat van de buitenwereld in het bewustzijn verschijnt en daar verwerkt wordt, in de alledaagse waarneming, in de fantasie, in de speculatie en in de theorieën. Maar deze van buitenaf opgevatte werkelijkheid kan niet alles zijn. Er is nog een tweede toegang. ‘Men ging naar buiten, in alle richtingen, in plaats van bij zichzelf binnen te gaan, waar elk raadsel moet worden opgelost.’ Daar ervaart men de vanbinnen beleefde werkelijkheid aan het eigen lichaam: pijn, begeerte, lust, drift. Dat alles heet bij Schopenhauer ‘wil’.

We kennen de wereld op twee manieren: van buitenaf als voorstelling en van binnenuit als de wil in het eigen lichaam. Dit van binnenuit beleefde leven moet men, aldus Schopenhauer, niet alleen toeschrijven aan de andere mensen, maar ook aan de hele overige natuur - als het ware als de binnenkant ervan. Het begrip ‘wil’ krijgt in deze context een andere betekenis. Het betekent bijvoorbeeld niet de rationele bedoeling, maar de onverzadigbare drift, de rusteloze begeerte. De intelligentie is in vergelijking daarmee secundair, ‘dienstbaar’, zoals Schopenhauer het noemt. In de dierenwereld leeft deze ‘wil’ als instinct, in de plantenwereld als vegetatieve spanning. De wil wil uiteindelijk alleen zichzelf, hij wil leven, overleven. Eigenlijk zouden we moeten ‘gruwen’ van de aard van de wil. Hier is geen beschermend rijk van de moeder. We kunnen niet bevriend zijn met een aarde waarvan we het toevalsproduct zijn en die met onze dood het leven van de soort in stand houdt. De natuur is geen oord van stille rust maar een jungleachtig strijdgewoel.
Hier kunnen we het best Schopenhauer zelf het woord geven: ‘Zo zien we in de natuur overal wedijver, strijd en wisselende overwinning en we zullen daarin steeds duidelijker de voor de wil zo wezenlijke innerlijke tweespalt herkennen (…) Heel de natuur is doordrongen van deze strijd, ja, ze bestaat slechts door die strijd (…): ze is immers niets anders dan de manifestatie van de voor de wil zo wezenlijke tweespalt binnen zichzelf. Het duidelijkst zichtbaar wordt deze universele strijd in het dierenrijk, dat zich voedt met het plantenrijk en waar het ene dier tot prooi en voedsel wordt voor het andere (…) want elk dier kan zijn eigen bestaan alleen maar bestendigen door het bestaan van een ander voortdurend op te heffen. Op die manier knaagt de wil tot leven onafgebroken aan zichzelf en is hij in zijn verschillende gestalten zijn eigen voedsel, totdat ten slotte de menselijke soort, door alle andere soorten aan zichzelf te onderwerpen, de soort beschouwt als een product voor eigen gebruik. Dit is echter dezelfde menselijke soort die (…) net als alle andere soorten deze interne strijd, deze innerlijke tweespalt van de wil met schrikbarende duidelijkheid aan de dag legt, met als gevolg: homo homini lupus (de ene mens is voor de andere een wolf).’

TEGEN DEZE ACHTERGROND ontwikkelt Schopenhauer dan ook zijn tegen Hobbes aanleunende staatstheorie: de staat doet de ‘roofdieren’ een muilkorf om, waardoor ze in morele zin niet beter worden, maar wel ‘onschadelijk als grasvretende dieren’. Nadrukkelijk bestrijdt Schopenhauer de theorieën die in navolging van Hegel van de staat een verbetering en verzedelijking van de mens verwachten of die, vanuit een romantischer visie, de staat aanzien voor een hoger, zelfs volkseigen mensenorganisme. Voor Schopenhauer is de staat niets anders dan een sociale machine, die in het gunstigste geval het egoïsme van ieder afzonderlijk aan banden legt om het te verbinden met het collectieve egoïsme van het overlevingsbelang. Hiertoe staat hem een staat voor ogen die met sterke machtsmiddelen is toegerust, maar het moet een macht van buitenaf blijven, die zich houdt aan de principes van de rechtsstaat. Over de meningen en de denkwijzen heeft hij niets te zeggen: die vallen buiten zijn competentie. Een sterke staat, maar een afgeslankt begrip van politiek. Schopenhauer waarschuwt voor een staat met ambities op het gebied van zinverlening, voor een staat met een ziel, die invloed wil uitoefenen op de ziel van zijn burgers.

Schopenhauers mensbeeld kan dus heel goed samengaan met de idee van liberaliteit. Hij pleit voor de vrijheid van mening en van denken, maar ook voor een krachtige belemmering van het handelen. Want van de moraal hoeft men niet veel te verwachten. Het medelijden - voor hem de enige authentieke bron van de moraal - is een zeldzaam fenomeen. Daarom kan men er bij de staatsinrichting niet op bouwen, maar moet men uitgaan van het welbegrepen egoïsme van de afzonderlijke burgers.

Schopenhauer schilderde de werkelijkheid in duistere, misschien wel al te duistere tinten, en daarom was de ‘metafysische behoefte’ hem allerminst vreemd, ook al verwierp hij troostende metafysische antwoorden.

De metafysica, zowel in haar alledaagse als in haar speculatief geëxalteerde vorm, vraagt zoals bekend naar de zin van het geheel. Waarom sloven we ons af, waarom al die degelijkheid, die werkijver, dat lopen in de tredmolen, die voortplantingsdrift? Wat heeft het allemaal voor zin? Waar leidt het allemaal toe? Schopenhauer erkent dat deze vragen zich onvermijdelijk opdringen, maar hij zegt tegelijk dat ze niet kunnen worden beantwoord. De wil als basisdrift wil alleen zichzelf, hij wil zijn zelfbehoud en zo mogelijk zijn zelfvergroting. Hij is niet gericht op transcendente doelen. Er steekt niets anders achter dan precies die blinde levensdrift - tegenwoordig zou men zeggen: het egoïstische gen -, een drift die in de mens een bondgenootschap aangaat met het verstand, dat in de regel gehoor geeft aan de bevelen van de drift (‘belang’) en dat zich maar zelden van deze drift losrukt en hem van een afstand bekijkt. Dat gebeurt volgens Schopenhauer in de kunst, in de nuchtere wetenschap en in een illusieloze filosofie.

Voor Schopenhauer is Oedipus de schutspatroon van de filosofie. De filosofie, zo schrijft hij op zeker moment aan Goethe, heeft net als Oedipus behoefte aan de ‘moed geen enkele vraag ongesteld te laten’, ook al zou dat de ‘verschrikkelijkste gevolgen’ hebben. Voor Schopenhauer heeft dit vragen misschien niet de ‘verschrikkelijkste gevolgen’ gehad, maar wel tot een teleurstellende conclusie geleid: het leven wil alleen maar zichzelf en verder niets. Er steekt niets anders achter.

Maar is deze ‘waarheid’ echt zo teleurstellend, of zelfs ondraaglijk? Zijn we dan intussen niet gewend geraakt aan zulke waarheden: de monsterachtige onverschilligheid van lege ruimten, met daarin de wervelingen van materie en zwarte gaten; zwarte gaten ook in de ziel en neuronenonweer in de hoofden, het vreten en gevreten worden in de natuur en ten slotte de geschiedenis als slachtpartij? Kan het ontbreken van een hogere zininstantie ons nog schrik aanjagen? Zulke inzichten zijn inmiddels toch deel van het interieur van de door de wol geverfde westerling?

Men zal moeten onderzoeken of die inzichten ook echt tot in het elementaire levensgevoel zijn doorgedrongen, of we niet toch nog op grond van andere, verzwegen premissen leven, of we niet copernicaans denken, maar gevoelsmatig toch aanhangers van Ptolemaeus zijn gebleven. Misschien leven we toch nog op krediet, voelen we ons toch nog door een soort oervertrouwen gesteund. In zijn dagboek noteerde de jonge Schopenhauer op zeker moment: ‘Diep in de mens ligt het vertrouwen dat iets buiten hem zich van hem bewust is zoals hij zich bewust is van zichzelf; zich het tegendeel hiervan levendig voor te stellen, naast de onmetelijkheid, dat is een vreselijke gedachte.’

PRECIES DEZE VRESELIJKE gedachte heeft Schopenhauer proberen te denken. De voorstellen voor zinverlening van de metafysica en de religie - voor hem een soort metafysica voor het volk - wijst hij van de hand. We zullen volgens hem moeten leren leven zonder het vertrouwen in de wereld, zoals dat daar wordt aangeboden. We zijn alleen. De hemel is leeg.

Wat volgt hieruit? Men zou kunnen denken dat de religie in elk geval heeft afgedaan. Maar zo is het niet bij Schopenhauer. Dat is verrassend, en juist op dit punt kunnen we iets van hem leren. Hij heeft immers niet alleen de biologische kentering in de filosofie voltrokken, maar ook met zijn filosofie van de ontkenning van de wil aangeknoopt bij de wijsheid van het Oosten en bij de overeenkomstige aspecten van de christelijk religieuze cultuur, bij de geest van de onthouding en de ascese. Hij beschrijft de ontkenning van de wil als een beweging van de wil tegen zichzelf in. Door eigen ervaring wijs geworden en door medelijden vertrouwd met het leed van de wereld, houdt de wil zich in en bouwt de zelfhandhaving tot elke prijs af. De razernij van de levenslust, van de consumptie, van de wil tot macht moet tot bedaren worden gebracht. Het is overbodig in detail te schetsen hoe nuttig zo'n cultuur van ascese en onthouding tegenwoordig zou kunnen zijn, en hoe dringend we die nodig hebben.
Maar er is één probleem. Onthouding en ascese moeten kennelijk om wille van zichzelf en niet meer met het oog op een hogere instantie, op een hoger mandaat beoefend worden. Hooggestemd en vol goede moed zijn, zonder geloof in een hoger wezen - dat is waar het op aankomt. Dat is de instelling die Peter Sloterdijk zo treffend ‘verticale spanning’ noemt. Daaruit kan men de kracht putten tot onthouding, tot ruimhartigheid, tot zelfdiscipline en misschien zelfs tot ascese. Als we niet meer in een god geloven, kunnen we die deugden beoefenen om wille van ons betere zelf. Precies op dit punt laat Schopenhauer de biologie achter zich: in de kracht tot overwinning van de zelfzuchtige wil ligt voor hem de waardigheid van de mens besloten.

Schopenhauer heeft die momenten van overwinning van de wil indringend en onvergetelijk beschreven, als momenten van ontspanning, om niet te zeggen van verlossing. Maar heeft hij ze ook beleefd? Daaraan schortte het, zoals we weten. Een heilige was hij niet, en ook geen asceet. Hij werd ook later niet de Boeddha van Frankfurt. In het ontkennen van de wil was hij een kei, zolang het maar niet die van hemzelf was. Die wist hij soms zelfs op hufterige wijze door te drijven. Tegenover zijn moeder, die hij na de dood van zijn vader als surrogaatpatriarch wilde commanderen. Tegenover de filosofieprofessoren van zijn tijd, die hij bijna allemaal uitschold voor ‘warhoofden’. Tegenover uitgevers, door wie hij zich bedrogen voelde. Tegenover de ‘vrouwen’. Een buurvrouw, die hem al te nieuwsgierig probeerde te bespioneren, smeet hij zelfs de trap af - althans dat beweerde ze. In café Greco te Rome wilde het kunstenaarsvolkje hem buiten de deur zetten, omdat zijn gescheld en betweterij niet meer te harden waren. In zijn kamer in Berlijn sloeg hij, ontgoocheld en verbitterd, met zijn wandelstok op de meubels. Ter verantwoording geroepen merkte hij grommend op: ‘Ik roep mijn geesten op.’

Maar deze klopgeest kende momenten van een ‘beter bewustzijn’, zoals hij het noemde, en er bleef in zijn vlees altijd een doorn zitten, als hij weer eens niet op het niveau van zijn inzichten leefde.
En toch heeft hij gelijk met zijn filosofie van de overwinning van de zelfzuchtige wil. Het gaat niet anders. We moeten onthouding en ascese leren. De begeerte beteugelen. We moeten terugroeien. Dat is de vooruitgang, die hoognodig is. Schopenhauers filosofie kan ons daarbij helpen.

Vertaling Hans Driessen
Noten: 1 De wereld als wil en voorstelling, vertaald door Hans Driessen. Wereldbibliotheek (1997), deel 2, p. 686.; 2 Richard Dawkins, The Selfish Gene, Oxford University Press (1976).; 3 Zie Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark, Boom (2006).; 4 De wereld etc., deel 2, p. 13.; 5 De wereld etc., deel 1, p. 246


Rüdiger Safranski (1945) studeerde Duitse taal- en letterkunde, filosofie, geschiedenis en kunstgeschiedenis. Hij werkt als freier Schriftsteller, zoals het in het Duits zo mooi heet. Samen met Peter Sloterdijk presenteert hij een filosofisch discussieprogramma op de ZDF, Das philosophische Quartett.
Safranski schreef een aantal veelgelezen biografieën, behalve over Schopenhauer (in Nederlandse vertaling als pocket leverbaar: Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie, 4e druk, Olympus, 2010, € 15,-), over E.T.A. Hoffmann , Martin Heidegger, Friedrich Nietzsche en Friedrich Schiller. Voorts publiceerde hij onder meer studies over ‘het kwaad’, over globalisering, over de Duitse Romantiek. Zijn meest recente werk is Goethe en Schiller: Het verhaal van een vriendschap, Atlas, € 34,90.

Het grootste deel van het werk van Arthur Schopenhauer is in Nederlandse vertaling (door Hans Driessen) leverbaar bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Naar aanleiding van zijn 150ste sterfdag is zojuist bij diezelfde uitgeverij Schopenhauers befaamde tweeluik over de ethiek verschenen: De vrijheid van de wil (herziene uitgave, 2010, € 14,50) en Dat ben jij: Over de grondslag van de moraal (eerste Nederlandse vertaling, 2010, € 14,50).

In Engeland verscheen onlangs een nieuwe lijvige biografie van Schopenhauer van de hand van David E. Cartwright, Schopenhauer:
A Biography, Cambridge University Press, € 34,-

David E. Cartwright, Schopenhauer: A Biography. € 41,50