CLAUDE LANZMANN, DE PATAGONISCHE HAAS: MEMOIRES

Het leven wint altijd

Claude Lanzmann, De Patagonische haas. Memoires, Vertaald door Marianne Kaas, verschijnt begin mei, € 29,95
Claude Lanzmann, Le lièvre de Patagonie, € 13,95

De memoires van Claude Lanzmann zijn een persoonlijke geschiedenis van de twintigste eeuw.

Het is aan het eind van de oorlog en de jonge Claude Lanzmann reist van Brioude, een plaatsje in de buurt van Clermont-Ferrand, door het bezette Frankrijk naar Parijs, waar zijn joodse moeder Paulette woont. Juist als hij aankomt, blijkt zij te zijn verraden; Duitsers in burger waren haar appartement binnengedrongen en dreigden haar te deporteren. Ze krijgt respijt, ze kan zich vrijkopen. Claude wordt opgevangen door de conciërge en naar het nieuwe onderduikadres van zijn moeder gebracht. Hij ziet eruit als een boerenkinkel, vindt zij, en in plaats van zich te verschuilen, besluit zij dat zijn provinciale schoenen met houten zolen stante pede vervangen moeten worden. Ze troont hem mee naar een Parijse schoenenzaak met ruime keus. Er is één probleem: zijn moeder kan niet kiezen en de dozen stapelen zich om hen op. Verwilderd en uitgeput sleept de ongelukkige verkoopster haar trapje van de ene verdieping naar de andere, pakt weer een doos, haalt daar schoenen uit, die opnieuw worden afgekeurd door Paulette. Hij past en past, raakt ook uitgeput en wordt zich steeds sterker bewust van het gevaar waarin ze verkeren. Uiteindelijk rent hij ervandoor, zijn moeder alleen achterlatend tussen de schoenendozen.
Dit is niet zomaar een anekdote over een astrante adolescent, maar een scène waarin veel van de thematiek van De Patagonische haas, de memoires van Claude Lanzmann, zich samenbalt. Er is sprake van gevaar - de reis door vijandelijk gebied, het doodleuk winkelen in de bezette stad - en van lafheid en moed. Zijn vlucht maakt Claude bewust van de angst en lafheid die hemzelf aankleven; hij heeft zijn moeder verraden, daar is geen excuus tegen in te brengen. Moed, angst en lafheid - het zijn de grootheden die als een rode draad door Lanzmanns levensverhaal lopen. De Patagonische haas begint met essayistische hoofdstukken, waarin hij zijn fascinatie als jongetje voor de guillotine beschrijft - een kindermeisje heeft hem meegenomen naar een gruwelijke film, waarna hij maandenlang geplaagd wordt door nachtmerries over zijn eigen gewelddadige dood. Hij heeft geen nek, dus hoe zou dat moeten onder de guillotine, maar belangrijker: hoe zou hij zich gedragen in de laatste uren voor zijn dood? Al jong vreest hij zijn eigen lafheid.
En al jong doet hij er alles aan om zijn moed te bewijzen. Tijdens de oorlog, op het lycée, is hij spil in het plaatselijke scholierenverzet. Hij verspreidt pamfletten, neemt op het station van Clermont-Ferrand koffers met revolvers en granaten in ontvangst, neemt aan het eind van de oorlog zelfs deel aan gewapende aanvallen op Duitse konvooien. Later stort hij zich in gevaarlijke sporten als zweefvliegen en bergbeklimmen, het laatste zonder voorbereiding, op espadrilles. Als student zoekt hij het gevaar door filosofieboeken te stelen. Hij loopt uiteindelijk tegen de lamp; een van de bestolen filosofen is echter zo trots dat zijn vuistdikke standaardwerk ontvreemd en ook gelezen is dat hij voor justitie een verzachtend briefje schrijft, waardoor Claude geen strafblad krijgt. Later maakt hij riskante journalistieke reizen, bijvoorbeeld door de DDR en Noord-Korea, zonder toestemming van de autoriteiten.
Maar steeds is er de vraag waar de moed ophoudt en de lafheid begint. Wat als hem op het station van Clermont-Ferrand was gevraagd de koffers vol wapens te openen en hij was gearresteerd? Was hij bereid geweest de volle prijs voor zijn daad te betalen? Namelijk de dood. Was hij wel tot actie overgegaan als hij de volle omvang van het gevaar had beseft? ‘En al is onbedachtzaamheid misschien ook een vorm van moed’, schrijft hij vol zelfkritiek, 'handelen zonder de innerlijke bereidheid het hoogste offer te brengen, getuigt uiteindelijk van amateurisme, en dat is wat ik mezelf nog steeds voorhoud.’
Uiteindelijk komen moed en lafheid samen in de wil om te leven. Lanzmann leerde dat bij het maken van Shoah, de ruim negen uur durende film over de 'Endlösung’ die hem in 1985 wereldberoemd maakte. In het begin van zijn boek citeert hij Filip Müller, lid van het Sonderkommando van Auschwitz en een van de hoofdpersonen van zijn film: 'Ik wilde leven, leven met alle kracht die in me was, een minuut langer, een dag langer, een maand langer. Leven, begrijpt u.’ Salmen Lewental, de geschiedschrijver van het Sonderkommando, verwoordde het bijna net zo: 'De waarheid is dat een mens wil leven, tot welke prijs ook, hij wil leven omdat hij leeft, omdat de hele wereld leeft. Er is niets dan leven…’ Die levensdrang maakt dat mensen tot de grootste heldenmoed en tegelijk ook lafheid in staat zijn, maakt de mechanische massamoord op de joden zo verbijsterend. Want tot het laatste moment, tot voor de deur van de gaskamers, was er de hoop op overleven.
Daarom besloot Lanzmann dat Shoah over het onmogelijke moest gaan, over de dood zelf, en niet het overleven. Toen hij aan zijn film begon, wist hij al dat hij geen historische beelden wilde gebruiken (die waren veelal afkomstig van de Propaganda Kompanien van de Wehrmacht) en geen individuele geschiedenissen en dat hij de daders aan het woord wilde laten. Toen hij verhalen van overlevenden begon te verzamelen zag hij in dat ze, hoe verschrikkelijk ze ook waren, altijd hetzelfde waren: de arrestatie, razzia’s, het transport, het totale ontbreken van privacy, de stank, honger en dorst, het geweld, de selectie bij aankomst van het kamp. Ze stokten op iets essentieels waar hij de vinger maar moeilijk achter kon leggen: de dood in de gaskamers. Zijn film, bedacht hij, moest de ultieme uitdaging aangaan: 'iets in de plaats stellen van de niet-bestaande beelden van de dood in de gaskamers.’
Elf jaar van zijn leven besteedde Lanzmann aan de dood. Hij las obsessief over de jodenvervolging, zocht over de hele wereld getuigen, met name mannen die deel uitmaakten van het Sonderkommando, joden die de lijken uit de gaskamers moesten halen, de verbrandingsovens moesten bedienen en de kleren van de doden bij elkaar rapen. Hij bedacht een valstrik om de daders in de film te krijgen - met open vizier lukte dat niet. Met een vals paspoort, als wetenschappelijk onderzoeker naar de logistiek van de kampen wist hij bij een aantal van hen binnen te dringen, opnameapparatuur aan zijn stropdas, in een tas een verborgen camera. 'Ik moest leren de bedriegers te bedriegen, anders kon niet’, stelt hij. En bij dat alles klampte hij zich met alle macht vast aan de weigering om te begrijpen, aan zijn verbijstering.
Hoe dicht hij de dood ook naderde, zelf heeft hij gelééfd. Zijn memoires lezen als een filosofische avonturenroman, zo niet schelmenroman. Van nature is hij een verteller en omdat hij zijn boek ook daadwerkelijk heeft verteld - in zijn voorwoord geeft hij aan dat hij het heeft gedicteerd aan de adjunct van Les temps modernes (hij is sinds de dood van Simone de Beauvoir directeur van het tijdschrift) en zijn secretaresse - is het kronkelig als het geheugen zelf. De chronologie van zijn leven, stelt hij ergens, is volkomen weg en via talloze paden verschaft hij zich toegang tot de kronkelwegen die het heeft afgelegd. En zo springt hij van het ene avontuur in het andere, van de ene reis naar de volgende, en staat hij af en toe stil om te reflecteren, maar niet te lang. Die reflecties zijn doordrenkt van het existentialisme, de filosofie die in zijn vormende jaren bon ton was. Of ze nu gaan over de existentiële angst van de mens, het antisemitisme van joden zonder duidelijke joodse identiteit (Sartre’s Reflexions sur la question juive is een van Lanzmanns sleutelteksten) of over leven en dood - ze geven de avonturen reliëf.
De Patagonische haas is daarbij een persoonlijke geschiedenis van de twintigste eeuw van Frankrijk, met wat smokkelen zelfs van de wereld, met als onvermijdelijke kern de oorlog. Lanzmann bewoog zich zijn leven lang in het hart van intellectueel en cultureel Frankrijk: op het Parijse Lycée Louis-le-Grand dat hij na de oorlog bezocht, waren latere beroemdheden als Gilles Deleuze, Michel Tournier, Jacques le Goff en Michel Butor zijn medeleerlingen. Via de surrealist Monny de Boully, de nieuwe man van zijn moeder nadat deze gescheiden was van zijn vader, maakte hij ook kennis met de grootheden van de vorige generatie: Paul Eluard, Aragon, Cocteau en Francis Ponge. Hij leerde, toen hij al naam maakte als schrijvend journalist, Sartre en Beauvoir kennen, werd gevraagd voor de redactie van hun tijdschrift Les temps modernes en kreeg een liefdesrelatie met 'Castor’.
Maar daarnaast reisde hij over de hele wereld. In de jaren veertig ging hij als uitwisselingsstudent van de Sorbonne naar Tübingen, en van daaruit met de luchtbrug naar Berlijn, waar de Trümmerfrauen nog hard bezig waren het oorlogspuin op te ruimen en talloze joden als 'displaced perons’ door de stad zwierven. Hij bezocht de jonge staat Israël in de jaren vijftig en maakte daar in de jaren zeventig zijn eerste film, Pourquoi Israel? Hij reisde naar het China van Mao en Noord-Korea, waar hij, achtervolgd door 'petten’ (dat wil zeggen de geheime politie) een bizar liefdesavontuur beleefde. Het Egypte van Nasser deed hij aan, vlak voor de Zesdaagse Oorlog met Israël, Algerije tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, en hij leerde, bij het filmen van Shoah, vooral Polen goed kennen. Hij was de eerste die terugging naar de plaatsen waar de gruweldaden hadden plaatsgevonden: Treblinka, Sobibor, Chelmno, Auschwitz.
Naast verhalen over het ergste van de eeuw biedt hij de lichtheid van kleine schelmenstreken, flirtations, liefdesaffaires. Vooral de passages over het driemanschap dat hij met Sartre en Beauvoir vormde, zijn bijzonder smeuïg. Meteen de eerste nacht met haar maakte duidelijk dat het ernst was, zij vertelde hem dat hij haar zesde man zou zijn, hij trok bij haar in en werd de enige man met wie ze een bijna echtelijk leven zou leiden, zeven jaar lang - met Sartre woonde ze nooit samen. Maar een kwestie van delen bleef het. Hilarisch is Lanzmanns beschrijving van de vakantie die ze gedrieën in Saint-Tropez vierden. Dat was toen nog geen mondaine badplaats, er waren slechts twee naast elkaar gelegen restaurants, die slechts door een gordijn werden gescheiden. De ijzeren afspraak was dat Beauvoir de ene avond met Sartre, de volgende met Lanzmann en dat ze de avond daarop gedrieën zouden eten. De existentiële angst, die zich bij Sartre in walging kon uiten en bij haar in onberedeneerde huilbuien, kreeg ook gestalte in haar overtuiging dat van alles verslag moest worden gedaan. In de woorden van Lanzmann: 'Het was zaak elkaar alles te zeggen, alles te vertellen, met een haast ademloze haast, alsof door te zwijgen of de wens te praten wanneer het jou niet uitkwam, alles in het niets verzonk waarvan niet onmiddellijk verslag was gedaan.’ En dus vertelde Beauvoir elke keer nauwgezet wat ze met Sartre aan tafel had besproken. De enige handicap: Lanzmann had hun gesprek van de andere kant van het gordijn al van woord tot woord kunnen volgen.
Tragisch is de geschiedenis van zijn zuster. Lanzmann wijdt een hartverscheurend hoofdstuk aan zijn zusje, dat weliswaar onder de artiestennaam Évelyne Rey een gevierd actrice werd, maar niet was opgewassen tegen het leven. Via hem ontmoette ze Gilles Deleuze, met wie ze een verzengende maar ongelukkige liefde beleefde. Tussen Deleuze en Lanzmann kwam het nooit meer goed, nadat deze hem als 'zeer precaire dienst’ had gevraagd de verhouding met Évelyne te verbreken. Lanzmann is gekwetst en verbluft door de lafheid van zijn vriend. Later krijgt zij, opnieuw via hem, een relatie met Sartre, die haar een stuk beter behandelde. Hij schreef een subliem toneelstuk voor haar, zoals hij dat voor al zijn vrouwen deed. 'Liever dan bloemen gaf hij hun toneelstukken’, haalt Lanzmann een goede vriend aan.
In 1966 pleegde Évelyne Rey zelfmoord. Lanzmann was er kapot van, dacht dat hij vanaf dat moment zou moeten leven in de schaduw van haar dood. Een vriendin van Sartre, bij wie hij zijn hart uitstortte en die zelf ook grote verliezen had geleden, zei toen: 'U vergist u, u zult vergeten, het leven wint altijd.’ 'Ze had gelijk’, schrijft Lanzmann. 'En ongelijk. Ik ben niets vergeten, ik heb geleefd.’

CLAUDE LANZMANN
DE PATAGONISCHE HAAS: MEMOIRES
Vertaald door Marianne Kaas, De Arbeiderspers, 578 blz., € 39,95