KUNST

Het lezen van levers

Etrusken

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en het Allard Piersonmuseum in Amsterdam organiseren een dubbeltentoonstelling over de Etruskische beschaving, een samenwerking die in het pre-Zijlstra-tijdperk zal zijn begonnen maar toch meteen een voorbeeld is van hoe goed zoiets kan uitpakken. De samenstellers mogen fier zijn op belangrijke bruiklenen uit Italiaanse musea; het valt echter vooral op hoe sterk die Nederlandse collecties zelf eigenlijk al zijn, zeker als de Amsterdamse objecten zo broederlijk naast hun Leidse worden getoond, en andersom. Het niveau van de etruskologie in Nederland is hoog en heeft een goede traditie. Het resultaat is zeer verzorgd, fijn vormgegeven en er zijn echt uitzonderlijke objecten bij. Je steekt er wat van op, voilà.
Toch vind ik zo'n tentoonstelling altijd een kwelling. Dat komt niet door de musea of de conservatoren, dat komt door die Etrusken zelf. De basics daarvan staan wel vast: zij waren de eerste significante beschaving in het Italische hartland, met versterkte steden, een eigen taal, een sterk door religie bepaalde maatschappij, met handel en zeevaart die het hele Middellandse Zee-bekken besloegen. Daarvan is veel bewaard, maar vrijwel alles ondergronds - de reconstructie van de beschaving gebeurt voor het overgrote deel aan de hand van graven en grafgiften. Er zijn geen aquaducten, theaters of tempels; er is taal, maar geen literatuur of poëzie. Je ziet de samenleving altijd van onderaf.
Voor wie erop let lijkt alles wat ‘Etruskisch’ heet eigenlijk heel ergens anders vandaan te komen. De tentoonstelling presenteert Griekse vazen uit Italië, 'Hettitische’ beeldjes en 'imitatie-Korintisch’ aardewerk. Een bronzen ketel met gevleugelde stieren lijkt vooral Perzisch, een ander bronzen voorwerp is 'Fenicisch, op Cyprus gemaakt, met Egyptisch-Assyrische motieven’. De typische puntschoenen zijn 'Ionisch’, de godenwereld is gevormd 'door contacten met de Griekse wereld’, enzovoort. Dat duidt allemaal op sterke uitwisseling en absorptie. Echt Etruskische elementen zijn er ook, maar die zijn dan weer heel raadselachtig, te beginnen met de taal zelf. Die staat op zichzelf, is niet Indo-Europees, heeft (waarschijnlijk) maar twee exotische familieleden (het Rhaetisch en het Lemnisch). Niemand weet wat de etymologie is van 'Rasna’, de naam die de Etrusken aan zichzelf gaven. Er is een voortgaand debat over of de Etrusken eigenlijk niet emigranten uit Klein-Azië waren. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Over het geroddel door contemporaine schrijvers over de seksuele losbandigheid van de Etruskische elite, die er geen been in zag hun vrouw aan elkaar uit te lenen. Of juist over de grote aandacht voor monogame relaties en de sterke sociale positie van de vrouw. Of over de krachtige religieuze cultuur, met een schilderachtige demonologie - neem de gruwelijke Tuchulcha, met oren van een ezel, kop van een gier, gewapend met slangen. Of over hoe de Romeinen grote delen van die cultuur in de hunne incorporeerden. Het lezen van levers, bijvoorbeeld, om de toekomst te schatten.
Een kwelling dus: een tentoonstelling over Etrusken roept altijd raadsels op. De begeleiding had misschien wat duidelijker gekund. Een bronzen beeldje wordt geduid als 'Gedrongen figuurtje in mantel en met punthoedje brengt een plengoffer’, maar het beeldje ernaast alleen als 'Beeldje’. Er wordt fijntjes uitgelegd wat een 'ithyfallische ezel’ is, maar wat is een 'boogspanner’? Ach, zo wil je alles wel weten.

Etrusken: Vrouwen van aanzien - Mannen met Macht. Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, Allard Pierson Museum, Amsterdam, www.rmo.nl, www.allardpiersonmuseum.nl. T/m 18 maart