Arnon Grunberg-tentoonstelling Ich will doch nur, dass ihr mich liebt in het Allard Pierson Museum, Amsterdam, 2014 © Koen van Weel / Kippa / ANP

De hoofdpersoon van Fantoompijn (2000), Grunbergs derde roman, vroeg zich af of de wereld misschien een psychologisch experiment was, maar dan eentje waarbij het observatiehokje leeg was. ‘Alsof je speelde voor een camera waar geen film in zat.’

Een ijzersterk beeld heb ik dat altijd gevonden, ook omdat het meteen de thematiek en tragiek pakt van de types die de ‘vroege Grunbergs’ bevolken: fantasten en figuranten die de werkelijkheid alleen aankunnen als ze die opvatten als een spel, hoe zinloos en solitair ook. Dat gegeven was in Grunbergs latere werk nooit ver weg, maar niet eerder zo prominent als het nu herleeft in De dood in Taormina, zijn negentiende roman, als ik goed tel.

‘Privévoorstellingen’ noemt de vertelster het. Zelda, halverwege de twintig, ontworteld door een expat-achtig leven en een moeder die het gezin plotseling verliet, laat zich meeslepen door Jona, toneel- en tv-acteur, die minstens zo ontworteld is, gepijnigd door een moeder die geen contact meer met hem wil. Hij leeft in geleende woningen en hotels, houdt hele oraties tegen Zelda, loodst haar zelfs mee naar die moeder, waar hij vergeefs door de brievenbus staat te schreeuwen. Alles bij hem is theatraal, vol bravoure, onderdeel van die privévoorstelling.

Van lege camera naar een eenpersoonspubliek. Het is een stap, maar zijn we ook vooruitgekomen, met deze gekwelde spelers? We hebben Jona, Zelda, en daarnaast ook nog een operaregisseur, Rasmus, bij wie Zelda assistent wordt, werkend aan zijn voorstelling over Aleppo. Met een schmierend plezier laat Grunberg de hypocrisie van dit type engagement zien. Zo blijft Rasmus de kinderen steeds vragen of ze gemarteld zijn, en is teleurgesteld als dat niet zo is. ‘Rasmus was geobsedeerd door de marteling van het Syrische regime en brak zich het hoofd hoe hij die marteling smaakvol kan ensceneren.’

Na een aantal zwaardere, maatschappelijk betrokken en soms wat al te bloedeloze romans is dit weer een Grunberg waar ik geregeld hardop bij moest grinniken. Wat de personages delen is een fundamenteel onvermogen om te leven, het spel is voor hen de uitweg. Opera, bravoure of, bij Zelda zelf, door in haar jeugd voor ‘lokeend’ te spelen in een jeugdbende (afspraakjes met rijkere mannen en ze vervolgens beroven). Als haar moeder haar verlaat (‘zichzelf zoeken’, wat kennelijk alleen kon in Canada), is het leven iets wat ze moet doorstaan, tot ze Jona ontmoet, en in de ‘fantasieën’ over hem ‘wilde leven, zoals andere mensen in een huis leven’.

Uit onmacht voor een authentiek leven vlucht elk personage in een vorm van wat Zelda typeert als: ‘gestileerde oprechtheid’. Thema, toon, dat rare mengsel van humor en hopeloosheid: dit is allemaal volledig vintage Grunberg. Maar er is ook iets veranderd. Vergeleken met Fantoompijn, Figuranten en Blauwe maandagen is dit boek minder frivool. Er is meer zicht op de trauma’s die verantwoordelijk zijn voor al dat onvermogen.

Pogingen tot escalatie zijn meestal stappen opzij

Het resultaat is een roman die minder speels is, en eerlijk gezegd ook wat minder verrassend. Op de betere momenten heeft het boek, vooral in de dialogen, iets van een Harold Pinter-achtig stuk, maar meestal is het alsof je naar een repetitie kijkt, niet naar een strakke, goed afgewerkte uitvoering. De lezer vergeet bijvoorbeeld nergens dat de personages constructies zijn, die specifieke stellingen moeten illustreren. En zelfs die stelling krijgen we toegeschreeuwd vanaf het zij-podium: ‘Hij regisseerde niet alleen opera’s, maar vooral zijn eigen leven, misschien nog meer dan die opera’s.’ Echt? ‘Misschien paste ook Jona de werkelijkheid aan.’ Zou het? ‘Mijn ware leven is mijn fantasie.’ Je meent het.

Voor die vroegere voltreffers van rare metaforen zijn de gewonere, de fletsere in de plaats gekomen. ‘Zelfs zijn eigen lichaam leek een hotelkamer te zijn die hij permanent had gehuurd.’ ‘Jona liep door mijn kamer als door een museum.’ ‘Zoals andere mensen dromen over examen moeten doen zonder kleren, zo droomde ik altijd weer dat mensen mijn naam niet konden onthouden.’ ‘Hij werd besprongen door opvattingen (…) zoals anderen door een griepje.’ ‘Ik was bang iets kapot te maken, zoals wanneer ze het licht aandoen in een café terwijl je nog lang niet naar huis wil.’

Allemaal aardig, prima, maar een stilist als Grunberg heeft originelere vondsten in huis, als hij er iets langer of geconcentreerder aan zou werken. Het oogt afgeraffeld, opgejaagd. Het heeft iets van een tussendoortje, ook door slordige of routinematige formuleringen.

‘Noodlot ben je voor elkaar, noodlot moet je voor elkaar spelen.’ Ook die stijlfiguur, het met veel aplomb veralgemeniseren van iets particuliers, op tegeltjestoon, wordt te veel een formule waar Grunberg op leunt. ‘Mensen zuigen elkaar hun privévoorstelling binnen, dat noemen ze verleiding.’ ‘Er zijn allemaal manieren om een stel te worden en wij deden het door te doen alsof we het niet waren.’

Waarom gelóóf ik alle tragiek hier niet echt? Dat heeft er denk ik ook mee te maken dat je de auteur te veel bezig ziet. Wat voor opera zullen we die man eens laten maken? Aleppo! Hoe kunnen we die band met Jona en zijn moeder nog wat raarder maken? Ze neukten met elkaar! Ja, leuk, doen.

Als die al te voelbaar aanwezige auteur niet meer lijkt te weten hoe het verder moet, introduceert hij een nieuw personage, of hij stuurt ze op reis. Tegen het einde is er een onverwachte moord waarmee alles abrupt eindigt. Het komt over als een noodgreep van iemand die het anders ook allemaal niet meer weet.

Grunberg stouwt zijn personages wel vol trauma’s – verdwenen moeders, misbruik, zelfmoord – maar het blijven abstracties. Als het conflict vervolgens niet werkelijk op gang blijkt te komen – er is immers geen echte botsing tussen de karakters, omdat die opgesloten zitten in hun eenpersoonsvoorstellingen – gooit hij telkens een nieuw houtblok op zijn vuurtje. Pogingen tot escalatie, maar meestal zijn het stappen opzij, niet de diepte in.

Zo is deze roman als een toneelstuk dat niet het beste is dat je van het betreffende gezelschap zag, maar toch onderhoudend genoeg om te blijven zitten tot het doek valt. Daarna blijf je wel achter met de vraag of zo’n amusementswaarde voldoende is, of dat je de tijd die je met dit boek doorbracht niet beter had kunnen besteden aan het herlezen van een vroege Arnon Grunberg.