Essay Herdenking van het bombardement op Rotterdam

Het lichaam en de ziel

De brandgrens die in Rotterdam herinnert aan het bombardement van 1940 moet niet slechts een zielloos herdenkingsteken zijn dat verwijst naar de verdwenen binnenstad. Ze moet het verwoeste leven en de verloren cultuur herdenken.

Bij het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 vielen negen­honderd dodelijke slachtoffers, 24.000 woningen werden vernietigd, 32 kerken werden in de as gelegd en tachtigduizend Rotterdammers raakten dakloos. Getallen. Wat zijn ze, behalve een opsomming van gegevens? Wanneer betekenen ze iets, wanneer worden ze statistiek? Is dat afhankelijk van wie je bent en waar je bent? En wat als ze opgaan in een droog historisch feit, het soort dat je op de middelbare school krijgt opgediend en weer vergeet als het tentamen voorbij is? Wanneer wordt 14 mei net zoiets als De val van Antwerpen, De moord op Floris de Vijfde of De slag bij Warns? Voor een Groninger of iemand uit Vaals is het bombardement van Rotterdam iets uit de geschiedenisles, maar nog altijd een huiveringwekkend feit, al was het maar omdat het dicht bij huis gebeurde, toen onze grootouders in de bloei van hun leven waren. Voor de inwoners van landen om ons heen heeft het een ander gewicht. Wie het bombardement op Dresden (25.000 doden in een nacht), Hamburg (42.000 doden) of Hiroshima (90.000 tot 166.000 doden) heeft meegemaakt, vraagt zich misschien af waar Rotterdammers zich eigenlijk druk om maken. Dat is historische relativiteit: gewicht en betekenis van het feit zijn afhankelijk van de positie van de waarnemer.

De groep die het heeft meegemaakt is inmiddels klein en wordt snel kleiner. Desondanks is het bombardement voor Rotterdammers nog steeds levende geschiedenis, een geschiedenis die Rotterdam in fysiek opzicht heeft veranderd en haar zelfbeeld en toekomstvisie diepgaand heeft beïnvloed. Voor Rotterdammers valt er weinig te relativeren aan Het Bombardement. Zelfs een draak van een film met bordkartonnen decors kan daar niets aan veranderen. Sterker nog: die wordt enthousiast in de armen gesloten. Zo’n film, en vrijwel elke andere uiting over het bombardement, is een bevestiging, een teken dat het nog niet vergeten is. Kwaliteit, waarheidsgehalte, betekenis zijn dan niet zo belangrijk. Het is gezien en niet onopgemerkt gebleven.

Het duurde lang voor het fysieke gat van Rotterdam werd gevuld. Toen ik halverwege de jaren zestig met mijn grootouders vanuit Enschede naar de Deltawerken ging, zagen we onderweg van het station naar de Spido nog steeds lege stukken stad. Dat was niet te wijten aan een gebrek aan voortvarendheid van de planners. Het verhaal van hun daadkracht is bekend: vrijwel onmiddellijk na het bombardement werden de plannen voor het nieuwe Rotterdam ontwikkeld. Er was weinig discussie over wat voor een stad dat moest worden. Het nog jonge modernistische idioom zou bepalend zijn. Dat was een politiek-culturele reflex die zich in heel Europa langs sociaal-culturele lijnen voltrok.

In Duitsland is dat goed zichtbaar. In het noorden, protestants en socia­listisch, leidden de bombardementen tot modernistische nieuwbouw, in het katholieke en meer conservatieve zuiden tot herbouw en reconstructie. Daar zitten diepgewortelde opvattingen achter over de wereld, vooruitgangsgeloof en de maakbaarheid van de samenleving. Iedereen zal zijn eigen moment aanwijzen waarop Rotterdam ‘klaar’ was en het amalgaam van social engineering, progressiviteit en modernistische esthetiek uit steen gehouwen werkelijkheid was geworden. Ik houd het op eind jaren tachtig van de vorige eeuw. Misschien waren er nog plekjes te vinden die braak lagen, maar de wederopbouw was voorbij. Daarmee kwam ook een einde aan een reeks, haast vanzelfsprekende, identiteiten (Verwoeste Stad, Wederopbouwstad, Werkstad, Manhattan aan de Maas) die waren ontleend aan het bombardement en de gevolgen daarvan, en op dat moment bleek dat er ook nauwelijks ideeën bestonden over nieuwe identiteiten en dat die niet vanzelf de kop opstaken.

Het einde van de wederopbouwperiode viel samen met het begin van een moeilijke en rumoerige tijd. Grote evenementen vielen in het water of stelden teleur, er waren politieke affaires, het centrum veranderde in een smoezelige aangelegenheid waar junks en bedelaars wél en de schoonmaakploegen en de politie níet aanwezig waren. Rotterdam werd culturele hoofdstad met als thema ‘Rotterdam is vele steden’, wat vrolijke veelvormigheid suggereerde, maar een onzekere identiteit en gebrek aan toekomstvisie verhulde. Ten slotte kwam, met het enorme succes van Leefbaar Rotterdam (in 2002), een abrupt einde aan meer dan vijftig jaar sociaal-democratisch stadsbestuur. ‘Moskou aan de Maas’, de sociaal-democratische experimenten, bestuurlijke stagnatie en linkse maakbaarheid, dat werd allemaal verdrongen door de nieuw-rechtse opvatting van hoe het moest, de sociale experimenten die daarbij hoorden en de hang naar restauratie die daar bijna vanzelfsprekend uit voortkwam.

Was het toeval dat juist toen de stad zo’n beetje ‘af’ was roerige tijden volgden? Had al dat bouwen, mouwen opstropen en niet omkijken een ander gat dan het fysieke verhuld? Was het lichaam geheeld, maar de ziel vergeten? Wat was Rotterdam eigenlijk voor een stad, nu er niet meer gebouwd, gezwoegd en vergeten werd? Wat voor een stad was het als de onrechtvaardigheid van de vernietiging en de daadkracht van de wederopbouw niet meer bepalend en richtinggevend waren?

In 2006, nog steeds in woelige tijden, besloot de gemeenteraad na een breed aangenomen motie van Manual Kneepkens de brandgrens te markeren. Het vereist geen enorm psychologisch inzicht om te vermoeden dat er behoefte was aan een samenbindend symbool, iets wat zowel in tijd als qua onderwerp los stond van de ingewikkelde en verhitte discussies die werden gevoerd en waarin steeds weer opnieuw en met grote felheid werd gevraagd naar de stad, wat die was, van wie die was, hoe die was en hoe die zou moeten zijn. De brandgrens bracht het zelfverklaarde ‘typisch Rotterdamse’ terug in het discours, een soort nood-identiteit die bestuurders en burgers even vrijstelde van de eindeloze discussies over de staat van de stad en aan wie het eigenlijk lag dat de stad zo ongelukkig was. De brandgrens zei dat er een reden was voor wat Rotterdam was en hoe Rotterdam was. Dat was het bombardement.

Zo diende de brandgrens vele doelen: of je jong was of oud, geboren en getogen in Rotterdam of nog niet zo heel lang geleden aangekomen uit Groningen of Somalië, dat idee van de unieke geschiedenis van de stad en waar die, qua mentaliteit en esthetiek, toe had geleid, dat kon iedereen delen, en er kwam nog een mooie lichtshow bij ook. Het brandgrensidee deed een stedelijke identiteit herleven waar niemand moeilijk over kon doen in een tijd waarin iedereen over alles moeilijk deed.

Acht jaar later is de brandgrens geïnstitutionaliseerd. Het is ‘een ding’ geworden, een vanzelfsprekendheid. Het woord, vóór 2006 geen onderdeel van het vocabulaire van de doorsnee Rotterdammer, is gemeengoed. Is de wond dan zozeer geheeld dat het litteken nu geaccepteerd kan worden? Of gaat het ergens anders om? En hoe zit het met de ziel?

Mijn moeder is een Rotterdamse, geboren in wat voor de oorlog de joodse buurt was, een van de armoedigste delen van de stad. Haar moeder kookte in het oude restaurant Loos. Van haar grootvader bestaat een fotootje waarop hij half achter zijn schamele handel schuil gaat: een stapel almanakken.

De joodse buurt in het centrum werd tijdens het bombardement weggevaagd. Mijn moeder, haar moeder en de andere kinderen overleefden het, maar toen het stof was neergedaald en het leven in de geschonden stad op de een of andere manier weer doorging, bleek dat voor de Rotterdamse joden meer dan de stad was verdwenen. Parken, bioscopen, musea, zwembaden en cafés waren verboden gebied geworden en joodse ambtenaren, leraren en musici raakten hun baan kwijt. Ten slotte begonnen in 1942 de deportaties naar vooral Auschwitz en Sobibor. Drie jaar later, toen de oorlog was afgelopen, was de joodse gemeenschap van Rotterdam, net als die in de rest van het land, gedecimeerd. Ruim zesduizend joodse Rotterdammers waren in de kampen vermoord. Onder hen vrijwel de hele familie van mijn moeders kant. Onder wie haar moeder.

Voor de deportaties begonnen werden mijn moeder en haar oudere zuster weggevoerd uit de stad en via een reeks adressen afgeleverd in Enschede. Daar, in onderduik, overleefden zij de oorlog. Een van de sterkste herinneringen aan die jaren is voor mijn moeder het geluid van Engelse bommenwerpers op weg naar, of op de terugweg van, Duitsland. Dat geluid herkende zij. Het was hetzelfde soort geluid dat de Duitse bommenwerpers maakten toen ze op 14 mei 1940 over Rotterdam kwamen en de vernietiging van de binnenstad begon.

Voor zover ik weet kwam niemand van haar familie terug uit de kampen. Alleen de onderduikers hadden het overleefd, in verborgen ruimtes, op het platteland, een van hen zelfs vermomd als monnik in Friesland. Volgens de nogal onduidelijke familiegeschiedenis bracht mijn groot­vader de oorlogsjaren door in Noorwegen, waar hij bij het uitbreken van de oorlog voor zijn werk was. Hij overleefde het in ieder geval, en toen hij terugkwam drong de vraag zich op wat mijn moeder en haar zuster wilden doen. Geen van beiden koos ervoor om terug te gaan naar Rotterdam. Mijn moeder bleef bij haar onderduikouders, haar zuster zocht vergetelheid in een overhaast huwelijk.

Mijn moeder wilde, en wil, niets meer met Rotterdam te maken hebben, niet met het bombardement, niet met de wederopbouw – die de gaten in de stad wel kon vullen, maar niet verhullen– en al helemaal niet met de wond die de stad voor haar was. Voor mijn moeder en het handjevol andere Rotterdamse joden dat de oorlog overleefde, bestond hun stad niet meer. Er was iets met dezelfde naam dat er, in ieder geval buiten het verwoeste centrum, hetzelfde uitzag, maar dat was Rotterdam niet.

Je kunt lege plekken bebouwen, nieuwe straten aanleggen, bomen planten en gras zaaien, maar de leegte die is achtergelaten door wie niet terugkwam blijft. Daar is niets aan te doen. Een stad is een verzameling gebouwen en wordt zonder mensen nooit meer dan dat. Voor veel joden die de oorlog overleefden, waren de steden waarin zij terugkeerden plekken waar iemand niet meer terug zou komen. Er was een lichaam, maar geen ziel meer. Zadkine’s beroemde beeld (jammerlijk weggemoffeld aan De Blaak) is een pijnlijk treffende uitdrukking van de werkelijke wond die Rotterdam opliep. Dat is niet de verwoesting van de oude binnenstad, maar de afwezigheid van die negenhonderd doden door het bombardement en de ruim zesduizend joodse Rotterdammers die niet terugkwamen uit de kampen. De brandgrens heeft de fysieke schade zichtbaar gemaakt, maar verhult de gekwetste ziel. En in het ‘geweld’ van de bombardementsherdenkingen is het lot van de zwaarst getroffen groep, de joodse Rotterdammers, een voetnoot geworden.

Er is de brandgrens van hen die het bombardement overleefden, dakloos werden en ergens anders een nieuw bestaan moesten opbouwen. Er is de brandgrens van wie man, vrouw, kinderen of andere dierbaren verloor in puin en vuur en desondanks door moest gaan. Er is de brandgrens van de stad die spectaculair was gegroeid en van de ene op de andere dag opnieuw moest beginnen. Er is die van de knagende twijfel: wat als de capitulatieonderhandelingen niet zo rommelig waren verlopen, wat als de bommenwerpers de rode lichtkogels hadden gezien en waren teruggekeerd, wat als…

De grens die de fysieke verwoesting aangeeft heeft, als het eropaan komt, weinig betekenis. Er is iets gemarkeerd en wat gebeurde kan aan de hand daarvan worden teruggevonden. Dat kon zonder die markering ook wel. De overgang tussen wederopbouw en oude stad is nog steeds scherp zichtbaar. Het lijkt er eerder op dat de brandgrens een middel is om iets zichtbaar te houden, een tatoeage die de plek aangeeft waar een litteken bezig is te vervagen. En dat moment van vervagen komt. Niet alleen de herinnering wordt diffuus, maar ook de scheiding tussen de weer opgebouwde binnenstad en de gespaard gebleven gebieden daaromheen. Als het zover is, als de generatie die het heeft meegemaakt verdwenen is en de dynamiek van de stad de scheiding tussen oud en nieuw heeft doen vervagen, dan is er niets meer dan de wil om te weten en te herinneren. En we weten allemaal hoe moeilijk dat is.

In plaats van een markering, zou de brandgrens een fetisj moeten zijn in de oorspronkelijke zin van het woord: een object met eigenschappen die de fysieke kenmerken van het object overstijgen, een ding dat ons in contact brengt met een idee, of, beter nog, met de ziel van het ding, iets artificieels dat contact maakt met een transcendente ‘werkelijkheid’. Als de brandgrens dat is, niet een zielloos herdenkingsteken dat verwijst naar een verdwenen artefact – de oude binnenstad – maar een band met het leven en de cultuur die verdween, dan maakt de stad contact met haar ziel, die op 14 mei 1940 tot zwijgen werd gebracht en daarna verwaarloosd is omdat alle aandacht uitging naar herstel van het lichaam, het fysieke, de architectuur, de moderniteit en de uitgelezen kans die het bombardement verschafte om ‘een stad [te] bouwen met een toren waarvan de top tot in de hemelen reikt’, zoals de bouwers van Babel het voor ogen stond. Als we contact kunnen maken met het leven en de cultuur die uit de stad verdwenen – de negenhonderd doden van het bombardement en de zesduizend vermoorde Rotterdamse joden– dan begrijpen we misschien wat Rotterdam werkelijk was. Dan zijn de getallen niet meer een schade-inventarisatie en is de brandgrens niet meer een teken dat ons maant te herinneren wat onherroepelijk wordt vergeten, maar een verbinding met wat werkelijk beschadigd werd en verloren ging.

Is er iets tegen om de vergetelheid te bestrijden? Een voorbeeld van hoe het niet moet zijn de 4 en 5 mei-herdenkingen, die elk jaar meer verstrikt raken in een stroperige massa van goede bedoelingen, doelgroepen-denken en ‘meegaan met de tijd’. De dodenherdenking is aan het veranderen in een soort overpeinzing dat het ‘voor iedereen wel zielig was’ en 5 mei is inmiddels zo losgezongen van 1945 dat die dag alleen nog lijkt te bestaan uit popfestivals, muzikanten die in helikopters af en aan worden gevlogen en op de achtergrond een vaag idee over vrijheid en dat dat ‘best wel belangrijk is’. Is dat een teken dat de Tweede Wereldoorlog bezig is een geschiedenisfeit te worden? Is dat wat er gebeurt als het patina van de tijd over de gebeurtenis komt te liggen? Is het net zoiets als Kerstmis, ooit een heidens midwinterfeest, daarna opgetuigd met christelijke symboliek en tegenwoordig zo ontdaan van betekenis dat alleen het winkelen en het eten zijn overgebleven?

Voor de kleinkinderen van wie het nog heeft meegemaakt is de Tweede Wereldoorlog op weg een datum in de geschiedenisboeken te worden, weliswaar van groter belang en scherper in het bewustzijn dan de Tachtigjarige Oorlog, of ’14-’18, maar niemand verwacht van die generatie de betrokkenheid van hun ouders of grootouders. De herdenkingsprofessionals, echter, laten het er niet bij zitten. Om ‘de jeugd’ er toch vooral bij te betrekken hebben zij van de herdenking een steeds vager amalgaam van goedbedoelde ‘Alle Menschen werden Brüder’-_noties gemaakt, dit jaar culminerend in het meest nietszeggende aller platitudes: ‘Vrijheid spreek je af’. Als het regent word je nat, _what goes up must come down. Zodra een herdenkingsmotto klinkt als een stel­opdracht voor de basisschool, moet je je afvragen of je op de goede weg bent. Ik weet trouwens niet eens of dat wel zo is, dat je vrijheid afspreekt. Misschien dwing je het wel af, door strijd, onderwijs, welvaart. Hebben wij vrijheid met nazi-Duitsland afgesproken? Is onze aanwezigheid in Afghanistan wat wordt verstaan onder ‘afspreken’? De bezetting van Irak, was dat een afspraak? Waarover spreken we als we over vrijheid spreken? Is dat absoluut of zijn er grenzen? Is onze vrijheid dezelfde als die van anderen? Of gaat het niet om bevrijding, maar om het idee dat je vrij bent binnen de grenzen van de wet?

‘Vrijheid spreek je af.’ Het is allemaal vaag en lief en verschrikkelijk Nederlands-Hervormd beschaafd. Het is het soort kersttoespraken­gezwam waar het koningshuis zo goed in is en dat je altijd achterlaat met het idee dat je naar iets heel moois en dieps hebt geluisterd dat je je niet meer kunt herinneren zodra de vorst is uitgesproken. Het gaat niet over waarover het gaat, en waarover het gaat is niet afgebakend, maar, integendeel, opgenomen in een groter geheel van warme, ongedefinieerde consensus. Alsof het belangrijker is dat we het allemaal eens zijn over een dooddoener (vrijheid is best fijn, water is nat en we zijn het erover eens wat zwaartekracht doet) dan dat we iets specifieks herdenken dat misschien niet van belang is voor iedereen, waarin niet iedereen kan en hoeft te delen en dat al onze goed­bedoelde inspanning ten spijt bezig is op te lossen in de nevelen van de geschiedenis. Losgezongen van zijn betekenis kan herdenken en herinneren over van alles gaan, zelfs over hedendaagse politieke onderwerpen die niets te maken hebben met de gebeurtenis die ooit aanleiding was voor de herdenking. Die vorm van pervertering wordt geïllustreerd in het 14 mei-essay dat Willem Otterspeer schreef in 2011, en waarin hij Yad Vashem, het herinneringsteken voor de vervolgde en vermoorde joden in de Tweede Wereldoorlog, verweet exclusief over joden te gaan en een instrument te zijn in handen van de staat (Israël): ‘Voor zover geïnspireerd door het zionisme heeft de staat Israël zich het monopolie op de herdenking van de shoah toegeëigend en heeft het die herdenking in dienst geplaatst van een politiek die een land zonder volk ter beschikking stelt van een volk zonder land, dat wil zeggen die een direct verband legt tussen de shoah en het recht op heel Palestina, inclusief wat wij nu de West Bank noemen. Zo leidde de herinnering van een grote tragedie tot de schepping van een andere tragedie, zo betreedt men in Yad Vashem niet alleen een plek van herinnering maar tegelijk een plek van politiek. Wat de joden insluit, sluit de Palestijnen uit.’

Yad Vashem is opgericht om te voldoen aan de joodse religieuze plicht om de doden te herinneren. Normaal doen gezinnen dat, tijdens de ‘Jahr­zeit’ van een overledene, met het gebed voor de doden en het branden van een kaars. In het geval van de shoah kon dat niet altijd, omdat er vaak niemand is overgebleven om die plicht te vervullen. Yad Vashem heeft die taak overgenomen. Dat verbinden met de politiek van de staat Israël is alsof je de overlevenden van de shoah en hun nazaten alleen rouw toestaat als ze ook schuld bekennen aan de politiek van een staat die destijds nog niet eens bestond. Niemand zal ontkennen dat de moord op het Europese jodendom gevolgen heeft gehad voor de situatie in het Midden-Oosten, maar alleen een idioot zal de joden van ’40-’45 in verband brengen met de Palestijnen van onze tijd. Herdenken en herinneren gaat niet alleen over het ding of de gebeurtenis zelf, maar is ook een uitdrukking van wat wij nu denken, voelen en willen.

Maar hoe de vergetelheid dan te bestrijden, als de herinnering niet alles hoeft in te sluiten en geen politiek-correcte, modieuze minestrone is van mooie intenties, citymarketing en goedbedoelde pogingen om iets groots en vreselijks levend te houden?

We moeten bereid zijn te vergeten, of althans te aanvaarden dat er vergeten wordt, net zoals we tegelijkertijd moeten proberen oprecht te herinneren en via die herinnering contact te maken met wat achter de cijfers en de feiten schuil gaat. Dat hoeft geen taak te zijn van de hele bevolking. Het mag alleen de mensen aangaan voor wie het nog betekenis heeft, het moet een besef zijn in de geesten van onze bestuurders. En als het gebeurt, laat het dan geen lege fetisj zijn die alleen naar een plek en een tijd verwijst, of een daad die vooral iets van ons huidige levensgevoel uitdrukt, maar iets wat de weg opent naar de ziel van wat was, in al zijn gecompliceerdheid, het zwart, het wit en het vele grijs daartussenin.

Op 14 mei, bij de herdenking van het bombardement op Rotterdam, vindt naar aanleiding van dit essay van Marcel Möring een debat plaats in de Waalse Kerk in Rotterdam. Aanvang 18:30 uur. Mede-debaters zijn burgemeester Aboutaleb, mevrouw Leemhuis-Stout van het Comité 4 en 5 mei en prof. dr. Marcel Poorthuis