Het lichaam is een talig instrument

Connie Palmen, De vriendschap. Prometheus, 311 blz., f34,90
MET HAAR ongehoord succesvolle debuut De wetten schreef Connie Palmen een merkwaardige filosofische Bildingsroman. Het boek bevatte een queeste zonder nauw omschreven doel, een Odyssee waarbij de reiziger geen duidelijk thuis voor ogen kreeg. Of zoals de hoofdpersoon Marie Deniet het zelf verwoordde: ‘Ik zocht, zonder te weten wat.’ Stuurloosheid, doelloosheid en verwarring zijn uiteraard onlosmakelijk met een dergelijke mentale zoektocht verbonden. Toch was de vaagheid ook mijn voornaamste bezwaar tegen De wetten: de speurtocht van Marie Deniet vond plaats in het luchtledige, haar rondgang langs de zeven mannen die de wetten verbeeldden, leverde te weinig scherpe inzichten op. Het vurige verlangen naar kennis en inzicht, de vele vragen en de honger naar oplossingen kregen nauwelijks antwoorden. Wat al te streng gezegd: de namen van heel wat filosofen passeerden de revue, de invloed van hun denken bleef onduidelijk; het bespiegelende gedeelte van het boek bleef te veel in de wens tot bespiegelen steken.

Natuurlijk bevatte De wetten ook veel moois. De portretten van de zeven leermeesters waren scherp en beeldend, de compositie had een heldere lijn en Palmens stijl was onnadrukkelijk en laconiek. En uiteindelijk werd een wet wel degelijk ontdekt: die van het schrijverschap.
IN DE VRIENDSCHAP gaat Connie Palmen onmiskenbaar een stap verder in haar schrijverschap. Wederom wordt de hoofdpersoon gedreven door honger naar inzicht en (zelf)kennis, wederom is er sprake van een voortdurend ‘geleuter’ in haar hoofd over niet de minste thema’s en begrippen. Een greep: vriendschap, liefde, God, dood, lot, lichaam, geest, schuld en schaamte. Net als haar debuut is De vriendschap een ontwikkelingsroman waarin de verovering van het schrijverschap een belangrijke rol speelt. Maar anders dan in De wetten geeft Connie Palmen in De vriendschap veel ruimte aan essayistische uitwijdingen.
De vriendschap vertelt het verhaal van het hechte verbond tussen Barbara, ofwel Ara, Callenbach en Catharina, ofwel Kit, Buts. Je zou het een 'fatale’ vriendschap kunnen noemen. Hun verbintenis, zo vermeldt Kit meermalen, is door het lot bezegeld. Kit voelt zich ogenblikkelijk onweerstaanbaar aangetrokken tot de nieuwe leerlinge die, midden in de zomer gekleed in een zwarte wollen, tot op de enkels hangende winterjas, tegen het muurtje op het schoolplein staat geleund. Ara is in alles haar tegenbeeld. Is Kit zelf de kleinste van de klas, iel en 'ukkig’, Ara heeft een gigantisch groot lichaam met een omtrek van ruwweg twee meter. Kit is een jongensachtig opdondertje, Ara is nooit anders dan een vrouw geweest, is als vrouw geboren.
Het verschil in uiterlijk tussen Ara en Kit correspondeert met de tegenstelling tussen lichaam en geest die in de roman wordt onderzocht. 'Eigenlijk bestudeer je ons tweeen’, zegt Ara over Kits filosofische obsessie. Kit heeft soms het gevoel zonder lichaam te zijn, Ara telt voor twee, zij is ook Kits lichaam. Kit heeft geen oor voor de wijsheid van haar lichaam: 'Voor de boodschappen van mijn huid, hart en hersenen, van mijn lever, darmen, nieren en van die jammerende, zeurende organen in mijn vrouwenbekken, was ik stokdoof.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat haar menstruatie zomaar een jaar stopt. Ze wil niet dat haar lichaam macht over haar heeft. Ara daarentegen vindt haar pijnlijke menstruatie prettig, want dan spreekt haar lichaam duidelijke taal. Haar wijsheid schuilt in haar lichaam, zij laat zich volkomen door haar intuitie en gevoel leiden.
Het fort van Kit is het woord. Terwijl Ara verregaand dyslectisch is en weinig praat, bestaat Kit vooral in haar gedachten en in taal. In hun vriendschap vullen zij elkaar aan, vinden lichaam en geest, hart en hoofd elkaar. Ze zijn elkaars complementen, zijn samen de helften van een ondeelbaar lichaam. Kit ziet dat al haarfijn bij het begin van hun vriendschap: ze geeft Ara een tekening waarin hun initialen B.C. en C.B. door kruisende pijlen met elkaar verbonden zijn.
Hun curieuze verbond lost hun eigen tekorten op. Kit amuseert Ara met een niet aflatende stroom theorieen, gedachten uit boeken en taalspelletjes. Ara is de enige die Kit kan aanraken. Op het schoolplein slingert Kit zich elke pauze om de vleesboom die haar vriendin is, vleit ze zich op Ara’s enorme heupen, kruipt ze weg in haar huidplooien. 'Ara en ik konden ons niet voorstellen dat we ooit niet bij elkaar konden zijn. Ik zei tegen haar dat niemand mijn lichaam zo rustig kon maken als zij en zij zei dat ze altijd in mijn woorden wilde wonen.’
DE VRIENDSCHAP bestaat uit drie delen: 'Dingen en woorden’, 'Eten en drinken’ en 'Werk en liefde’. De roman is geschreven vanuit het perspectief van Kit en geeft haar ontwikkeling weer van het eind van de lagere school tot het werken aan haar dissertatie. Het is niet voor niets dat de titels van de verschillende delen uit twee antagonistische bergrippen bestaan. In de hele roman worden tegengestelde begrippen tegen elkaar afgewogen: Kit plaatst niet alleen lichaam en geest tegenover elkaar, maar ook lot en keuze, gevoel en verstand, leven en dood, liefde en angst. De tweedelingen geven Kit het houvast dat de vriendschap met Ara haar ook biedt, maar ze ergeren haar tegelijk. Ze heeft de scherpe onderscheidingen echter nodig om tot inzicht te komen.
In het laatste hoofdstuk van de roman - net als De wetten besluit De vriendschap met een essayistische brief - legt Kit uit dat ze door de colleges over Einstein heeft begrepen dat je tegenstellingen moet verbinden om te begrijpen waar het om gaat: 'Kort gezegd komt het erop neer dat het verklaren van een heel complex verschijnsel, als licht bijvoorbeeld, erom vraagt dat je gebruik maakt van twee ideeen die elkaar tegenspreken en onmogelijk onderling te verbinden zijn.’
In haar zoektocht naar zelfkennis tracht Kit de tegenstellingen te verzoenen. Na een lange weg - via de mavo, havo en pedagogische academie belandt Kit ten slotte in de stad waar ze psychologie en filosofie studeert - lijkt zij een antwoord te vinden in het thema van haar proefschrift: de verslaving. Want juist de verslaving heeft te maken met het herstellen van het evenwicht tussen gevoel en verstand, lichaam en geest. Juist in de verslaving blijkt dat ook het lichaam een talig instrument is. Zo kan Kit door te drinken haar lichaam eindelijk ongeremd ervaren en kan Ara door voedsel haar lichaam vergeten. Want ook in hun verslaving zijn beide vriendinnen tegengesteld: is voor Ara eten haar 'meest geliefde vijand’, voor Kit is het de drank.
CONNIE PALMEN weeft in De vriendschap een onontwarbaar net van verbintenissen. Kit is dan ook in de ban van 'een kluwen onderwerpen’ die allemaal cirkelen rondom de vriendschap tussen lichaam en geest. De roman is een groot gevecht met de tegenstelling tussen beide. Het moge duidelijk zijn dat het Palmen om de verbinding gaat: 'Het hart en de hersens moeten een verbinding hebben, want kennis kan pijn doen en ontroeren, en een liefde kan het begin zijn van grote inzichten. Nu hebben ze de band tussen die spier en het hoofd doorgesneden. (…) Zodra je het hart beschouwt als autonoom en eigenzinnig, kun je niet meer zien welke strenge, desnoods hoogstpersoonlijke logica schuilgaat achter een zogeheten passie of een overweldigend gevoel. Hart en hersens horen bij elkaar. Het gevoel is verstandig en het denken is gevoelig.’
Hoewel het verhalende deel van de roman vaak ontroerend en meeslepend is - het portret van Kit is geestig en grillig, de vele geschiedenissen over eten zijn mooi en pijnlijk - is De vriendschap mij wat teveel een allegorie. Ara en Kit zijn wel heel duidelijk illustraties van de essayistische inzet van het boek, Connie Palmen legt wel heel expliciet uit hoe de lezer de vriendschap moet interpreteren. Daar staat tegenover dat Connie Palmen met De vriendschap wederom een zeer grote greep doet en dat is gewaagd en origineel.