Film

Het lichaam van Linda

Film: ‹Ellis in Glamourland› van Pieter Kramer en ‹Simon› van Eddy Terstall op het Nederlands Film Festival

De namen Linda de Mol en Joan Collins op de affiche van een film zijn genoeg om weerzin op te wekken. Deze vrouwen bestaan bij de gratie van de celebrity cult. De Mol is bekend door het presenteren van spelletjesprogramma’s, terwijl Collins, op enkele interessante filmrolletjes na, zich eigenlijk alleen kan beroepen op de glossy serie Dynasty. Beiden zijn beroemd; niet vanwege een kwalitatieve bijdrage aan de populaire cultuur, maar simpelweg omdat zij beroemd zijn. Gepast is de vergelijking van Sir Francis Bacon: faam is als een rivier waarin lichte en lege dingen drijven terwijl alles wat solide en gewichtig is, zinkt. Dit geldt des te meer voor De Mol, wier cv schrikbarende titels bevat als Dierenbingo en Traumhochzeit. Toch heeft ook deze godin van het volk iets doorgekregen van de tragische zinloosheid van haar Hilversumse bestaan. Zij wilde iets anders, ze wilde acteren, en dus kreeg ze – met behulp van broer John – een hoofdrol in de krimi Spangen, waar ze zich naast Monique van de Ven goed staande hield. Nu speelt zij de hoofdrol in een film: Ellis in Glamourland van regisseur Pieter Kramer (Ja Zuster Nee Zuster, Hertenkamp, 30 minuten). Een werkje waarvoor je met angst en beven gaat zitten, juist op het Nederlands Film Festival in Utrecht.

Dan: een verrassing. Ellis in Glamourland blijkt een met vakmanschap gefotografeerde en geredigeerde romantische komedie. Dit genre is bij uitstek het domein van Hollywood, wat betekent dat het verhaal overbekend is: Linda de Mol is Ellis, een veertigjarige alleenstaande moeder in de Haagse Schilderswijk die in geldnood komt, waarop zij op jacht gaat naar een rijke man. Hiertoe volgt zij een cursus van de Engelse beroemdheid Joan, gespeeld door Joan Collins. Huiswerk: bezoek rijkeluisfeestjes en probeer een man te versieren.

Op effectieve wijze weerspiegelt de film de obsessie met geld, roem en beroemdheid die Nederland in de late twintigste eeuw is gaan overheersen. Net als in het echte leven van De Mol wordt Ellis niet beroemd omdat zij iets in het leven heeft gepresteerd, maar omdat zij op een feest verschijnt aan de zijde van een rijke zakenman: zij wordt de ultieme ba con iaanse celebrity, verheven boven «gewone» mensen op dezelfde wijze als Griekse en Romeinse goden zich onderscheidden door hun onsterfelijkheid. Die beroemdheidscultuur heeft iets te maken met een hunkering naar spiritualiteit. Bekende Nederlanders ontlokken net als de goden gevoelens van afgunst en ontevredenheid bij gewone mensen, en tegelijkertijd representeren zij iets wat schijnbaar verheven en nastrevenswaardig is.

In Ellis triomfeert echter de liefde. Dat is een sprookje, een bijbelse belofte van hemelse heerlijkheid, die in de film de vorm aanneemt van een groot buurtfeest in de Schilderswijk, prachtig in beeld gebracht met soepele, energieke camerabewegingen en swingende muziek. Het is in alles een religieuze bijeenkomst, met als hostie of gebroken brood het metaforische lichaam van Linda, de beroemdheid. Wie neemt en eet, belijdt het nieuwe geloof. Blijde boodschap: een leven vol hartstocht, roem en geld ligt binnen handbereik, zelfs voor een gewoon meisje als Linda.

De brave burgerlijkheid van Ellis en haar omgeving staat in schril contrast met de laag-bij-de-grondse subversiviteit van Simon (Cees Geel), in de gelijknamige film van Eddy Terstall, waarmee het festival opent. Een film over een Amsterdamse coffeeshop houder en zijn bizarre vrienden: de homoseksuele tandarts Camiel (Marcel Hensema), de kickboksende Sharon (Rifka Lodeizen) en bodybuilder Ellen (Eva Duivestijn). De onwaarschijnlijke vriendschap tussen de beschaafde, uit het Gooi afkomstige Camiel en de ruwe, in de Jordaan opgegroeide Simon creëert spanning tussen twee ogenschijnlijk onverenigbare culturen: de elite en het volk. Maar de spontaniteit waarmee Camiel omgaat met Simon en zijn brute vrienden illustreert de toenemende vermenging van «hoog» en «laag». Iedereen blowt, iedereen kijkt naar voetbal, iedereen ligt op het strand in Zandvoort of Bloemendaal.

Ook wat de vorm betreft is Simon gemengd. De film lijkt een frivole komedie, maar onder de oppervlakte borrelen grote thema’s: wat is het leven, wat is de dood, hoe dient een mens te leven? Het intelligente aan de film is de terloopse wijze waarop deze ideeën aan de orde komen. Voorbeeld: het is 1998 en Simon maakt een uithangbord met daarop een aankondiging dat er vanavond voetbal te zien zal zijn in zijn kroeg. «Hoe schrijf je ‹live›?» vraagt hij aan Camiel. «Met een ‹v›? Of een ‹f›? Dan is dat toch ‹life›?» Inderdaad, het leven – daar gaat het om in deze film. En de dood.

Terstalls film druipt van de integriteit, en hieraan ontleent het werk zijn kracht. De personages zijn authentiek. Zoals in al zijn Amsterdam-films, bijvoorbeeld Babylon (1998), zijn de dialogen natuurlijk en energiek. Cees Geel is uitstekend als de vulgaire Simon, iemand die nauwelijks in de gaten heeft dat hij iedereen beledigt: homoseksuelen, zwarten, vrouwen, joden. Het script zit vol vaart; de personages schipperen tussen Amsterdam en Thailand, waar Simon en zijn vrienden vaak overwinteren. Mooi is dat Terstall kiest voor het Harry Nillson-liedje Everybody’s Talkin’ uit Midnight Cowboy (1969) van John Schlesinger. De relatie tussen Simon en Camiel heeft interessante raakpunten met die tussen Ratso (Dustin Hoffman) en Joe Buck (John Voight) in die film. Net als Terstalls personages hebben Ratso en Joe tegengestelde achtergronden. Ratso is een wereldwijze stadsnomade terwijl Joe een naïeve boerenzoon is. Net als Simon is Ratso stervend. Beide films eindigen weg van het hier en nu, in het verbeelde paradijs: een bus naar Californië en een waterval in Thailand.

Bemoedigend is de wijze waarop Kramer en Terstall erin zijn geslaagd iets essentieels van de Nederlandse werkelijkheid te vertalen naar het witte doek: de schitterende dramatiek van een verliefde, volkse blondine die droomt van een glamourleven en de vriendschap en gemeenschapszin van een coffeeshophouder die – al blowend en dealend – met een glimlach op zijn gezicht iedereen begroet met «buurman»! Twee geslaagde Nederlandse films: dat belooft veel goeds voor het festival in Utrecht en voor de altijd onzekere toekomst van de Nederlandse film.

Ook bezienswaardig in Utrecht is een serie televisiefilms van elk veertig minuten onder de verzameltitel One Night Stand. Het project, waarin NPS, Vara en VPRO samenwerken met een aantal productiehuizen, is bedoeld om jonge filmmakers en scenarioschrijvers een kans te geven. Met onder meer Au Cigogne! van Tijs van Marle en Margien Rogaar en Zwijnen van Marnie Blok, Karen van Holst Pellekaan en Mischa Kamp.

Aanwezig in Utrecht is de wedergekeerde verloren zoon: Paul Verhoeven, al met al toch een van de belangrijkste regisseurs van de afgelopen twintig jaar. Het festival heeft Verhoeven gevraagd een programma samen te stellen uit zijn eigen oeuvre. Dat leidt tot boeiende koppelingen: De vierde man en Basic Instinct (fatale blon dines), Robocop en Starship Troopers (de fascistische toekomst) en Spetters en Showgirls (vunzige, anarchistische seks). Jammer dat de cineast zelf kennelijk nog altijd teleurgesteld is over Hollow Man, zijn prachtige versie van H.G. Wells’ klassieke verhaal The Invisible Man. Deze film zou kunnen worden gekoppeld aan Flesh and Blood, met als thema de romantiek van body horror. Ten slotte: Jean van de Velde (All Stars) is gast van het jaar, een regisseur die een spannende tijd tegemoet gaat, aangezien zijn filmversie van Floris in december in première zal gaan.

Het Nederlands Film Festival te Utrecht, van 22 september t/m 1 oktober