Het licht schilderen

Sommige schilders konden het weergaloos: met verf op doek licht creëren. Hendrick Avercamp bijvoorbeeld, met zijn bleke winterlicht. Of Pierre Bonnard, met zijn schemerstad.

Ook vanwege het levendige ijsvermaak dat ze zo rijkelijk vertonen, zijn de wintertjes van Hendrick Avercamp natuurlijk zo aardig om te zien. Ik heb erop gelet hoe, in het Rijksmuseum op de tentoonstelling van zijn werk, bezoekers fluisterend elkaar details aanwijzen als ze ze ontdekken in de wirwar van kleine figuurtjes die de schilderijen bevolken – soms meer, soms minder, maar altijd slim geplaatst, met mooie tussenruimtes, overzichtelijk als in een kijkdoos. Hoe dan ook krijgt de winter er iets gezelligs. Kijk maar eens rustig naar het winters dorpsgezicht, hierbij afgebeeld. Ik zie op de voorgrond een brede vlakte van ijs, ingeleid door een stuk van een schuur en een slanke, kale boom waarvan de takken tot boven in het vlak reiken. Op deze manier krijgt de ruimte een overzichtelijke maat. De voorgrond wordt toneel, rustig omsloten door coulissen van dicht op elkaar geplaatste boerderijen, links en rechts, en met in ongeveer het midden een doorkijkje via een ophaalbrug. Daar doorheen komen we bij een grotere rivier waarin het smallere water, waaraan het dorp gelegen is, kennelijk uitstroomt. Dan komen we, in de verte, aan een heiige horizon. Op ongeveer deze manier zitten de meeste schilderijen van Avercamp ruimtelijk in elkaar. Soms zijn gebouwen wat plomper of de bomen wat steviger, het effectieve schema blijft echter eender: op de voorgrond ruimte in de breedte die wordt doorkruist door een besliste ruimtelijke beweging de diepte in, naar de horizon. In het schilderij waarnaar we kijken zien we schaatsers, op de rug gezien, die zich door het midden van het schilderij doelbewust richting brug bewegen. Links en rechts daarvan zijn allerlei figuranten – ze staan wat te praten of te kijken, zijn lopend onderweg ergens heen of zijn anderszins bezig. Ze staan daar alleen, met z’n tweeën of in kleine groepjes. Hoofdzaak van de strategie is dat er binnen het beperkte repertoire van hoe mensen op het ijs kunnen staan of bewegen toch een grote variatie van opmerkelijke maar kleine verschillen wordt vertoond. Al die kleine incidenten houden de atmosfeer levendig. Dat doet ook het ritme van verticale bewegingen: bomen, kerktoren, scheepsmast, molen. Ten slotte zien we hier en daar momenten helder rood oplichten, om ons oog opmerkzaam te houden als het ronddwaalt in een beeld dat verder naar het monochrome neigt.
Zo kom ik bij wat, veel meer dan de charme van het tafereel, het ware wonder in de schilderijen van Avercamp is: het prachtig dunne en bleke winterlicht waarin alles stil zichtbaar is.
Dat licht is een atmosferisch effect dat tussen kleuren ontstaat. Behalve die sporadische vlekken helder rood zijn de meeste dingen lichter of donkerder grijs. Van de boerderijen zijn de sneeuwbedekte rieten daken lichtgrijs tot bijna wit. Ze staan in de sneeuw. Hun muren zijn roze of heel licht okergrijs – en daarboven is de bleke kleur van de lucht de uiterst fijn gedoseerde vermenging van diezelfde kleuren: lichte tinten roze, grijs en oker. De ijsvlakte heeft vrijwel dezelfde kleur als de lucht maar omdat ze op plekken iets witter is, lijkt ze kouder en strakker. Dit is het droge Hollandse winterlicht, nevelig maar met nog net wat teer licht van een onzichtbare, schrale zon – en nooit beter geschilderd dan door Hendrick Avercamp.
Om beter te begrijpen met welke finesse kunstenaars met kleuren licht te voorschijn kunnen toveren, mocht ik in het depot van het Van Gogh Museum een vroeg schilderij bekijken van een andere grote schilder van licht, Pierre Bonnard (1867-1947), nu van warm, vochtig licht. Het is een blik, denk ik, vanuit een mansarde op daken en gevels en straten in Montmartre, ’s avonds in de regen. Dit soort impressies waren door de Impressionisten uitgevonden maar die hadden ze met snelle toetsen geschilderd, om zo veel mogelijk frisheid in het beeld vast te houden. Bonnard deed het anders, langzamer. De schildering is gemaakt op papier. Door de dunne olieverf heen is te zien dat hij de opbouw van het beeld eerst met krijt of houtskool heeft geschetst, vrij summier en krabbelig. Toen is hij behoedzaam begonnen met wat hij vooral uit zijn dakraam gezien had: het atmosferische interieur van een stad bij avond. Licht in vensters en het licht uit een café dat glanst in natte straten. Maar in de stad is het nooit echt donker. Juist die geheimzinnige schemertoestand tussen licht en donker heeft Bonnard geschilderd, voorzichtig en attent, met maar een paar warme kleuren zoals grijs (met violet), okergrijs, geel en geel met oranje. De chromatische harmonie is weergaloos. De verf is dun en zweeft alsof ze zelf het licht draagt, en eigenlijk is dat ook zo. De avondlucht heeft bijna dezelfde kleur als de gevels maar dan net iets lichter.

PS IJspret, de winters van Hendrick Avercamp, t/m 15 februari in het Rijksmuseum