Het licht van de verwondering

De jury - Yves van Kempen, Jacq Vogelaar, Marc Reugebrink en Rob van Erkelens - koos Het licht van Torgny Lindgren tot Boek van de Maand. De andere mededingers waren:
Pearl Abraham, Vreugde der wet. Meulenhoff, 286 blz., f39,90. Een fascinerende roman over een orthodox-joodse gemeenschap in New York. Vanuit vrouwelijk perspectief gunt Abraham de lezer een blik op de gesloten wereld van de chassidische joden. In een subtiele stijl vertelt ze het verhaal van een dochter van een rabbijn die zich verzet tegen de religieuze traditie en tracht te ontsnappen aan haar isolement.
Anil Ramdas, De beroepsherinneraar en andere verhalen. De Bezige Bij, 280 blz,. f34,90. Verhalen en beschouwingen waarin kennis van zaken, een grote emotionele betrokkenheid bij de onderwerpen die hij behandelt en gematigd optimisme hand in hand gaan.
Ermanno Cavazzoni, Een kalender van gekkenlevens. Van Gennep, 132 blz., f34,90. Voor elke dag van de maand schreef Cavazzoni een portret van een opmerkelijk mens, de levensbeschrijving van een soort heilige, door anderen gek of idioot genoemd. Misschien is dit boek wel een eeuwigdurende kalender, met op iedere rustdag een serie zelfmoorden.
Torgny Lindgren, Het licht. Uit het Zweeds vertaald door Bertie van der Meij. Uitg. De Bezige Bij, 293 blz., f44,90
ECHT ZIE JE iets misschien alleen als je het voor de eerste keer ziet, maar ik betwijfel of dat verwondering is. Als het denken begint bij de verwondering, dat is wanneer dingen niet meer vanzelf spreken, gaat het niet al meer om een directe beleving maar om herbeleving die om vergelijking vraagt. En als iemand wil vertellen hoe de dingen er op het eerste gezicht uitzagen, toen ze nieuw voor hem waren, stelt hij ze voor als ziet hij ze voor het eerst. Met dat als begint het vertellen, begint ook de literatuur, en voor dat ‘alsof het de eerste keer is’ (waarom hebben we daar eigenlijk geen apart woord voor) gebruikt de echt grote schrijver ook de taal alsof hij die herontdekt - en ontdekken is iets anders dan uitvinden.

In elk boek van de Zweedse schrijver Torgny Lindgren (1938) kan de lezer die ontdekking meemaken. ‘Ze zijn er al wel, de woorden, maar ze komen pas tot leven als je ze uitspreekt of spelt of aan de muur hangt’, zegt in de verhalenbundel De schoonheid van Merab een kleermaker die met zelfgemaakte wandkleden langs de deur gaat. Het meest bijzondere aan Lindgrens boeken is dat je kunt volgen hoe zijn personages zichzelf in de taal vormen, je ziet ze als het ware de zinnen passen op maat van hun eigen stem.
Het licht, zoals Lindgren zijn fabelachtige roman noemt, waaraan hij naar eigen zeggen vanaf zijn jeugd heeft lopen denken, is onder meer het licht van de verwondering, een licht dat bij iemand opgaat of van buitenaf op iets valt en dat de betrokkene de dingen om zich heen met andere ogen doet zien. Van Jaspar, de dromer, met wie Lindgren zijn geschiedenis begint om al na een pagina of acht afscheid van hem te moeten nemen omdat hij de pijp uit gaat, horen we wat de in zet van alle vertellen is: 'Soms vroeg iemand hem weleens: Waarom vertel je mij zo'n onwaarschijnlijk verhaal. Een verhaal, zei Jaspar dan altijd, dat vertel je toch alleen maar opdat de mensen zich kunnen verwonderen.’ Daarvoor was hij aan een onwaarschijnlijk dwaas verhaal begonnen waar niemand lang naar wilde luisteren, ofschoon het over niet geringe zaken zou gaan. Niet toevallig is de vraag die men Jaspar stelt er een zonder vraagteken, de mensen wie Jaspar iets wil vertellen vragen zich niets af. Zijn verhaal - dat het verhaal wordt dat de inwoners van dit plaatsje, Kadis, ergens in een noordelijke uithoek zal overkomen, en wel door toedoen van de verteller zelf - is alleen maar onwaarschijnlijk voor wie zweert bij het vaststaande en vanzelfsprekende, voor wie dus gelooft dat de wereld zoals hij is in orde is. Op dat geloof is het leven in Kadis sinds mensenheugenis gegrondvest. Daar praten zij ook naar, in spreuken die klinken als waarheden waaraan niet te tornen valt; de zinnen worden pas langer als het vreemde twijfel, dat wil zeggen nieuwe woorden, zaait.
ALS JASPAR sterft, is in die acht pagina’s al zoveel gebeurd dat die orde van eeuwen op zijn grondvesten staat te trillen. Wie nooit iets van Lindgren gelezen heeft, hoeft om een totaalindruk te krijgen alleen maar dit begin te lezen; het is in zekere zin ook de synopsis van de hele roman. 'Het was laat in de herfst toen Jaspar de Ziekte meebracht naar Kadis.’ Al na een halve bladzijde weten we precies wat voor iemand deze Jaspar is. Hij is de wereld in getrokken om de vrouw van zijn dromen te zoeken, van wie hij niet alleen tot op het spleetje tussen haar voortanden weet hoe zij eruitziet maar ook hoe haar naam zal zijn, Maria. Als na drie dagen niemand haar bestaan bevestigd heeft, huilt hij om haar alsof ze gestorven is, zo heilig was hij van haar bestaan over tuigd, en om de mensen thuis tenminste iets te laten zien, koopt hij een drachtig konijn - en noemt dat Maria. In zijn dorp wordt hij voor leugenaar uitgemaakt, niemand kon zich voorstellen dat voor de een iets bestond wat niet voor alle anderen bestond - in een zin typeert Lindgren hun hele denken.
Al even kort en kortzichtig is het commentaar van Konik de timmerman, de hoofdpersoon van het latere verhaal: 'Het is niet juist’ - dat Jaspar die vrouw bij elkaar gelogen heeft, dat zij er niet wilde zijn, en dat als zij er wel geweest was hij onmiddellijk weer een andere vrouw had moeten verzinnen. Het is deze Konik die, als de ziekte en de dood de gemeenschap van Kadis terugbrengen tot een handvol overlevenden, in lachen uitbarst en 'als een sterk licht’ het zekere gevoel heeft 'dat hij opgesloten zat in een leugen die iemand bezig was te verzinnen, dat het een onwaarschijnlijk verhaal was waarin hij stond te schaven en te hameren en te zwoegen in een poging om de dood een vierkante, begrijpelijke vorm te geven…’. Zo'n zin laat weer zien hoe dicht Lindgren bij zijn personages blijft en toch een zekere afstand bewaart, nodig om niet in plat naturalisme te vervallen. Dat is ’m, Konik, zo denkt hij, voor hem betekenen de dingen zoveel als hij op dat moment aankan - daartoe moet het massale sterven op maat gezaagd. Juist zijn ook alleen die woorden en tekens die alleen dit en niet ook nog iets anders betekenen. Het moest niet mogen dat Jaspar de naam Maria voor een vrouw en een konijn gebruikt of dat later in het beeld dat Konik van de duivel snijdt een ieder een andere persoon herkent.
Met het konijn haalt Jaspar de grote ziekte binnen; de vlo die uit de vacht van het beest springt en hem in zijn pink bijt, was de grote ziekte. Het konijnewijfje is in dit deel van het land trouwens het eerste wat men daar ooit ziet, maar niemand in Kadis kijkt ervan op. Voor Jaspar is dat een reden om onmiddellijk een geweldig verhaal op te hangen over 'het wezen van het konijn’: 'De vacht is zacht en warm, als het haar in de oksel van een vrouw, wanneer je een konijn streelt is het alsof je je hand in nog speenwarme melk dompelt. En het vlees is wit en zacht als boter, je blijft je een hele week verzadigd voelen als je konijn hebt gegeten, zelfs het gebraden vlees werpt nog jongen en vermenigvuldigt zich.’ Schitterend hoe slim de verteller voor zijn gehoor het nieuwe voorstelbaar maakt door het met vertrouwde zaken te vergelijken; herkenbaar heeft het niets wonderbaarlijks meer. Vanzelf - in het vuur van de uitleg - ontstaat hier een barokke groteske. Jaspar heeft het zelfs over een God die het konijn naar zijn evenbeeld heeft geschapen, ontelbaar is wat konijnen willen zijn, ja, het konijn is een Schepper. 'En onthoud maar dat waar de konijnen zijn, daar blijft niets zoals het geweest is…’
Maar daarvan kunnen de anderen zich natuurlijk helemaal geen voorstelling maken. Hoe de verteller ook overdrijft - drie zilverstukken heeft hij voor het konijn betaald in plaats van een koperen gesp, en is ze eerst bevrucht door een haas zo groot als een slachtklaar geitje, dezelfde avond nog was daar een hazeram zo groot als een zwijn voor nodig - niemand schijnt verbaasd te zijn. 'Wat hadden ze die dag in Kadis gedaan. Alle mensen.’ Ze waren naar de mis gegaan, ze hadden gerust, allemaal, de mannen hadden vergaderd en besloten dat het vee nog tien dagen buiten zou blijven en dat het daarna winter zou worden. De ouden hielden hier toezicht op wat werkelijk vanzelfsprekend was, waarom zouden ze zich dan ook met iets uitzonderlijks ophouden. Jaspars vader lijkt namens allen te spreken als hij zegt: 'Hij ging weg om een vrouw te halen die niet bestond. En hij kocht een konijn voor zilver dat hij niet had. Straks is dat wijfjeskonijn nog gedekt door de duivel zelf, als hij zo doorgaat.’
Die nacht nog sterft Jaspar, zijn gezicht bedekt met builen. Meteen gaat de vader naar de smid: 'Ik wil dat je een slot smeedt voor op Jaspars mond, zei hij, hij ligt op de houtkapplaats. Dan kan hij tot in der eeuwigheid zijn bek niet meer opentrekken.’ Het werd een slot dat langer zou meegaan dan de mond zelf. De dromer die meer wilde dan wat Kadis te bieden had, die eropuit trok en het lot tartte met zijn overdreven wensen en andere overdrijvingen, heeft met het vreemde ook grote rampspoed meegebracht. En het verhaal dat hij vertelt bevat meer waarheid dan hij zelf beseft.
LATER ZAL Konik, die als enige in de verwarde tijden waar het toeval alle onderscheid tussen goed en kwaad uitwist, naar de oude orde terugverlangt, er zelf op uit trekken en in de naburige plaats Ume het Recht en de noodzaak aantreffen. En ook hij komt thuis met allerlei gruwelverhalen en met de beschrijving van een nieuwigheid, een kledingstuk in deze contreien onbekend, de broek. Daarom zal hij op het laatst worden opgehangen, schuldig bevonden omdat hij de boodschapper is geweest van slecht nieuws; kennis is in een gesloten wereld een zonde tegen de vanzelfsprekendheid. Maar dat is op een tijdstip - hoeveel later dat is, weten we niet, in de tussentijd was in Kadis ook de tijd buiten werking gesteld - dat de orde wordt hersteld. Als gehangene in een positie dat hij niet alleen vernederd wordt maar ook alles van bovenaf kan bekijken, verwonderde hij zich voor het eerst, en wel in de eerste plaats over het enorme varken dat naast hem is opgehangen, net als hij veroordeeld, en hij verwondert zich over de ontstellende hoeveelheid leven en vlees in een lichaam en zelfs over het feit dat ze daar een varken hebben opgehangen. Hoe vanzelfsprekend was dat geweest zolang ze handelden in een soort droomtoestand.
Pas bij het herstel daagt het besef van wat de ware betekenis was van hetgeen is stukgemaakt - daarom zal de nieuwe orde nooit zomaar een voortzetting van de oude kunnen zijn, de onschuld van de vroegere vanzelfsprekendheden is verloren gegaan. Zo ook is verwondering pas mogelijk als men uit de droomtoestand van het alleen maar achter de feiten aan hollen ontwaakt: en voor het eerst voelen de overlevenden verdriet, hebben ze weer gevoel voor tijd, verandert ook hun taalgevoel: namen de bewoners van Kadis er vroeger genoegen mee de dingen te benoemen naar het hun paste en noemden zij een omheining van dennen een muur, nu bouwen ze een echte muur. Herstel wil dus ook zeggen: herontdekking van de taal, van het woord 'verdriet’ bijvoorbeeld, en van het vermogen van een teken om meer te zijn dan alleen de naam voor die ene persoon of dat ene ding.
IN DIE eerste pagina’s, waarvan je achteraf kunt zeggen dat daarin al die hele geschiedenis van orde, verwording, wanorde en herstel gegeven is, demonstreert Lindgren in een moeite door ook hoe verhalen ontstaan en waarom, waarna verteld wordt hoe ver de macht van de vertelling reikt. Jaspars vertellersrol wordt overgenomen door Onde, de halfbroer van Jaspar. Als op het laatst in Kadis een Maria komt aanlopen die op zoek is naar de man die indertijd naar haar had gevraagd, zij was destijds de koeien aan het hoeden, dan is Onde de aangewezen man om te zeggen: Dat was ik.
Konik en Onde behoren tot de overlevenden van de pest - het woord komt overigens maar een keer in het verhaal voor -, zij zorgen voor de begrafenis van de vele doden. Zij proberen als de konijnen een ware plaag zijn geworden, ook samen de wanorde te bestrijden door alles wat overtollig is af te slachten teneinde de menselijke maat te herstellen. Vooralsnog is dat herstel niet meer dan een droomtoestand. In feite zijn de twee mannen elkaars tegenpolen. Onde neemt de dingen voor wat ze zijn, hij laat zich drijven en profiteert van de chaos, hij belichaamt als het ware het toeval en de wanorde, die hij zonodig een handje helpt. Konik hunkert naar vroeger en zijn gespletenheid staat letterlijk op zijn gezicht te lezen, dat door een denkrimpel in twee geheel verschillende helften wordt gespleten; voor hem tellen alleen orde en recht. Het herstel van law and order is op zich al een weergaloze groteske, bij welke doodernstige schertsvertoning zelfs het varken als vleesgeworden mateloosheid terechtstaat, naast de boodschapper van het slechte nieuws in de wereld, Konik. Dat de rechter een bedrieger blijkt te zijn, laat de rechtspraak en het vonnis onverlet. Zijn oordeel is even streng als bevrijdend: alle misdrijven in die verschrikkelijke tussentijd begaan doet hij af als bagatellen en verder stilte. Bijna alles wat wij over Kadis weten, meldt ons de schrijver op het laatst, is afkomstig van deze oplichter, de vreemdeling die zich voor gezant van de koning uitgeeft, aan wie Konik alles vertelt; 'die kerel bestond uit louter leugens en onwaarschijnlijke verhalen’, toch zit er ook voor ons niets anders op dan zijn verhaal te nemen voor wat het is, een ongelofelijk maar waar verhaal.