Rond half twee ’s nachts, als de cafés gaan sluiten, houden twee agenten in het centrum van Leeuwarden een dronken man staande. Twee voorbijgangers van in de veertig geven te kennen ‘het er niet mee eens te zijn’ en besluiten zich met de kwestie te bemoeien. Een poging tot de-escaleren heeft geen resultaat, waarop een vrouw van 22 jaar zich mengt in het gebeuren. Zij slaat een agent meermalen in zijn gezicht en schopt tegen zijn benen. De agent belandt op de spoedeisende hulp en houdt aan het incident, dat vorige maand plaatsvond, hoofdpijn over.
In het uitgaansleven is het elk weekend raak: geweldsincidenten, waarbij de daders vaak stijf staan van drank en drugs. Eind jaren negentig heette dat nog ‘zinloos geweld’, met als symbool van een landelijk actiecomité het lieveheersbeestje. Nu zou je het alledaags geweld kunnen noemen, dat nauwelijks de pers nog haalt. Het hoort er nu eenmaal bij, zo lijkt de algehele houding te zijn geworden. We leven in een ‘agressieparadijs’.
Althans, dat meent Caroline Koetsenruijter, directeur van het instituut kcb, dat trainingen geeft rondom agressie en conflictbeheersing en auteur van meerdere boeken over agressie in de Nederlandse samenleving. In Het agressieparadijs: Wat we moeten doen om verhuftering in Nederland te stoppen laat deze jurist zien hoezeer agressief gedrag is genormaliseerd. Ook buiten de morele vrijzone van het feestweekend is een extreme vorm van fysieke en verbale assertiviteit de norm, aldus Koetsenruijter. En net als de drugs wordt de agressie gedoogd. ‘Agressie vormt voor steeds meer mensen een aanlokkelijk middel om hun doel te bereiken’, schrijft ze. ‘Agressie werkt, én je komt ermee weg.’
Die alledaagse agressie wordt geuit tegen één doelwit in het bijzonder: gezagsdragers en publieke dienstverleners. Deze groep wordt bovengemiddeld vaak geconfronteerd met scheldende, spugende, verbaal en fysiek bedreigende burgers. Het daderpatroon is divers: types met een kort lontje tegenover een agent, relschoppers die zich uitleven op ambulancebroeders, voetbalhooligans, boze boeren in de voortuin van een minister, complotdenkers die op sociale media losgaan tegen vertegenwoordigers van ‘de elite’, welgestelde ouders die subtiel laten merken ‘stappen te zullen zetten’ omdat schoolresultaten van de kinderen tegenvallen (de ‘agressieve kakker’, zo omschrijft Caroline Koetsenruijter deze groep in haar boek) en ga zo maar door.
Ze hebben allemaal zo hun eigen drijfveren. Tezamen vormen de incidenten een maatschappelijk patroon: één op de drie werknemers met een publieke taak zegt te maken te hebben met agressie en geweld. Wie werkt in de zogeheten ‘frontlinie’ weet vrijwel zeker dat er bedreigingen of erger wachten. 92 procent van de hulpverleners kreeg in 2022 te maken met agressie, zo bleek uit onderzoek van omroep wnl. Bij bijna zestig procent gebeurde dit elke maand, elke week of dagelijks.
Verklaringen voor agressief gedrag worden vanuit verschillende hoeken van de wetenschap aangedragen. Pontus Leander, een sociaal-psycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen, formuleerde de theorie dat agressie vaak wordt ingezet als middel om een gevoel van competentie terug te krijgen als de controle over een situatie ons door de vingers glipt. Leander en een collega-onderzoeker lieten proefpersonen woordpuzzels maken. De groep die de moeilijkste puzzels kreeg voorgezet – en zich (dus) sneller onmachtig voelde – was meer geneigd de frustratie op anderen te botvieren. In dit experiment bestond de mogelijkheid om anderen hun beloning voor het oplossen van de puzzels te ontzeggen. Wie zelf faalde, strafte vaak ook anderen.
Vanuit de klassieke sociologie komt een breder perspectief naar voren. Aan het einde van de negentiende kwam de Franse socioloog Emile Durkheim op de proppen met een theorie die algemene normvervaging moest verklaren. Industriële samenlevingen, zo meende Durkheim, verkeerden in een staat van ‘anomie’, die tot uiting kwam in extreem gedrag zoals geweld en zelfmoord. Durkheim bracht dit in verband met sociale omwentelingen en veranderingen in de manier waarop arbeid georganiseerd was. Het opknippen van productie in losse onderdelen bemoeilijkte volgens hem de ervaring een rol te hebben in de samenleving.
En een individu dat zich niet langer maatschappelijk geïntegreerd voelt is minder snel geneigd zich iets aan normen of moraal gelegen te laten liggen en voelt zich minder solidair met zijn medeburgers. Durkheim schetste een beeld van de grenzeloze mens dat aardig in de buurt komt van de hedendaagse agressor: ‘Een individu dat aan zichzelf overgelaten wordt raakt bevrijd van alle sociale beperkingen en is ook ongebonden door moraal.’
In bepaalde opzichten vertoont ook deze tijd overeenkomsten met wat Durkheim ruim een eeuw geleden zag. Oud-directeur Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau sprak aan het begin van de jaren 2000 over ‘de vijf I’s’ die de 21ste-eeuwse samenleving vormden: individualisering, intensivering, informalisering, internationalisering en informatisering. Wat deze trends met elkaar verbindt, is dat ze bestaande sociale, normatieve en economische kaders op losse schroeven zetten. Volgens Caroline Koetsenruijter biedt dit een weliswaar breed, maar nuttig aanknopingspunt om onze agressie te begrijpen. ‘Bij het zoeken van verklaringen voor agressie moeten we oppassen dat we niet overhellen naar vergoelijken, maar uiteindelijk ligt de oorsprong van onze agressie-cultuur in dit soort grote veranderingen.’
Dit roept de vraag op of een gebrek aan controle en anomie specifieke kenmerken van het Nederlandse (agressie)paradijs zijn. Cijfers lijken dat wel te suggereren, want Nederland heeft een dubieuze reputatie als koploper in de agressie-indices. In 2017 rapporteerde meer dan 25 procent van de werknemers op enig moment te maken te hebben gehad met zogeheten ‘afwijkend sociaal gedrag’, de vakterm waarmee de EU-onderzoekstak Eurofound geweld, intimidatie en andere vormen van agressie omschrijft. Dat was het hoogste gemeten percentage in alle EU-lidstaten en ruim twee keer zo veel als het gemiddelde. Toen Eurofound haar onderzoek herhaalde in 2021 eindigde Nederland op plaats twee, achter Denemarken.
In dit licht verbaast het niet dat binnenlandse onderzoeken ook een beeld laten zien van endemisch geweld, vooral tegen werkenden. Onderzoeksbureau tno stelde vast dat het aantal werknemers dat met agressie geconfronteerd wordt steeg van één op de vijf in 2017 naar één op de drie in 2019. In 2021 rapporteerde het ministerie van vws dat 74 procent van de medewerkers te maken kreeg met agressie en ongewenst gedrag door patiënten en cliënten. De politie bericht in de jaarlijkse monitor Geweld Tegen Politie Ambtenaren een stijgend aantal agressie-incidenten, van iets meer dan negenduizend in 2017 tot ruim twaalfduizend in 2020. De tweejaarlijkse Monitor agressie en geweld politieke ambtsdragers laat zien dat het aantal politici op gemeentelijk en provinciaal niveau dat met agressie te maken heeft gekregen is gestegen van 23 procent in 2014 naar 49 procent in 2022.
Het volledige beeld van agressie tegen publieke dienstverleners moet op deze manier bij elkaar gesprokkeld worden, want een landelijk overzicht van waar publieke dienstverleners mee te maken krijgen, ontbreekt. Vanaf 2005 liep er bij het ministerie van Binnenlandse Zaken een speciaal programma ‘veilige publieke taak’, gericht op het in kaart brengen en bestrijden van agressie tegen de publieke sector. In 2015 stopte het programma. Het percentage werknemers dat te maken had met geweld en agressie was in het tussenliggende decennium gelijk gebleven en de bereidheid tot aangifte was gestegen, zo concludeerde het ministerie in een evaluatierapport. We hebben ons in slaap laten sussen, meent agressie-expert Caroline Koetsenruijter. ‘Ik zie het stopzetten van het programma vbt als onderdeel van een cultuur van agressie aanvaarden’, zegt ze.
Koetsenruijter waarschuwt ook voor gemakzuchtige verklaringen. Dat agressie nu eenmaal een aanvaarde uiting van frustratie is, staat daarbij met stip op één. Ze heeft dan ook niets op met de veel gehoorde verklaring dat de coronalockdowns en andere vrijheidsbeperkende maatregelen van de voorgaande jaren de reden zijn waarom burgers zich uitleven op dienstverleners en politieke vertegenwoordigers. De toename van alledaags geweld in Nederland dateert al van vóór corona, legt ze uit.
En nu de ramen en deuren van onze welvarende democratische rechtsstaat weer wijd openstaan, blijkt de agressie niet bepaald te zijn weggeëbd. Op het spoor, om een voorbeeld te nemen, werd het in de afgelopen jaren onveiliger voor personeel. Het aantal OV-medewerkers dat agressief werd bejegend steeg het afgelopen jaar met vijf procent ten opzichte van 2020, zo bleek uit een recente enquête van Crow, een kennisplatform dat veel onderzoek doet naar verkeer en infrastructuur.
Wel lijkt de coronaperiode bepaalde trends verergerd te hebben. Volgens het onlangs verschenen jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst zouden meer dan honderdduizend mensen geloven dat er een ‘kwaadaardige elite’ aan de macht is die zich heeft genesteld in de overheid, de media en de wetenschap. Aanhangers van dit idee geven aan daarom ‘in een staat van oorlog’ te verkeren tegen het establishment. Deze extreme groep is het topje van een ijsberg van maatschappelijk wantrouwen dat wellicht niet met diezelfde bewoordingen wordt geuit, maar wel breed wordt gedragen. Het vertrouwen in de landelijke overheid nam af van 69 procent in april 2020 naar 29 procent in september 2021, zo constateerde een groep wetenschappers van de Erasmus Universiteit in een onderzoek getiteld De laag-vertrouwensamenleving.
Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar polarisatie en veerkracht aan de Vrije Universiteit, spreekt in dit verband over ‘systeemhaat’, als een uitwas van een gepolariseerde samenleving. ‘Op zich lijken conflicten, in de zin van scherpe politieke tegenstellingen, juist gezond’, aldus Boutellier in een interviewgesprek. ‘Dat wordt anders als inhoudelijke onenigheid overgaat in haat en vijandschap. Dat vormt een opstap naar mobilisatie en actie.’ Hij illustreert zijn punt met een recent voorbeeld: je kunt een hekel hebben aan Sigrid Kaag. ‘Maar als je met een fakkel voor haar deur gaat staan, dan heb je te maken met systeemhaat.’
De ontspoorde polarisatie waar Boutellier over spreekt schiet twee kanten op: horizontaal, waarbij politici zich richten tegen bepaalde groepen burgers (denk aan ‘minder Marokkanen’ van Geert Wilders) en verticaal. Dit laatste uit zich in de beschuldigende vinger richting alles wat zich boven het individu bevindt aan instituten en autoriteiten. Deze ontwikkeling is volgens hem wel degelijk versterkt tijdens de coronacrisis. ‘De maatregelen van de overheid werden allengs dictaten zonder toelichting, en ervaren als volstrekt willekeurig zonder dat daar een gesprek over mogelijk was. Na een persconferentie moest iedereen zich daar stante pede naar gedragen. Die ervaring met autoriteit was relatief nieuw en een shock voor de Nederlandse cultuur van polderen.’
Sigrid Kaags vertrek uit de Haagse arena staat wat Boutellier betreft symbool voor wat ‘verticale’ bedreigingen met slachtoffers doen. Het dienen van de publieke zaak verruilt zij vanwege de enorme belasting voor haar gezin voorlopig voor de luwte.
Voor D66 was dit vorige maand een aanleiding om een manifest tegen publieke agressie uit te brengen. Het heeft een beduidend andere toon dan het lieveheersbeestje-initiatief uit het einde van de vorige eeuw. Er wordt geconstateerd dat agressie en geweld inderdaad doelbewust worden ingezet om mensen de mond te snoeren: de helft van de advocaten krijgt met een vorm van agressie of (be)dreiging te maken en bij journalisten gaat het zelfs om tachtig procent. Het manifest werd ondertekend door de beroepsverenigingen en bonden van politie, brandweer, journalisten, boa, rechtspraak, advocatuur, zorg, onderwijs, spoor, streekvervoer, stadsvervoer en bijna alle politieke partijen. pvv en FvD ontbreken. ‘Wij hebben allen al eerder aan de bel getrokken, maar nu luiden we samen de noodklok. Tot hier en niet verder. Het is de hoogste tijd dat wij als samenleving onze gedeelde waarden in ere herstellen’, zo luidt de tekst.
Daarmee doet de publieke sector een klemmend beroep op de samenleving. Werkgevers wordt gevraagd hun personeel beter te beschermen en namens medewerkers aangifte te doen, om die last bij hen weg te nemen en om anonimiteit te kunnen bieden. Aan de – inmiddels demissionaire – regering wordt in het manifest de oproep gedaan een samenwerkingsverband op te richten waar werknemers én werkgevers terecht kunnen voor advies, hulp bij aangiften en weerbaarheidstrainingen, voor alle beroepen met een publieke taak die onder druk staan. Burgers worden in het manifest aangesproken als een ‘stille meerderheid’ die zich vaker moet uitspreken tegen agressie en niet als een lijdzame toeschouwer moet toezien hoe anderen over de schreef gaan.
Deze noodkreet komt op een moment dat er sprake lijkt van een kentering. Daders van mishandelingen van mensen in een publieke functie worden sinds enkele jaren met prioriteit door het Openbaar Ministerie voor de rechter gebracht, en als zij schuldig blijken te zijn krijgen zij een tweemaal hogere straf dan voor het plegen van geweld tegen burgers. Maar het neemt de diepere oorzaak niet weg. De coronacrisis heeft blootgelegd wat er al langer schuurt en scheurt in de samenleving: een erosie van gedeelde waarden en groot wantrouwen tegen de ‘de elite’.
In zijn boek Het nieuwe westen (2022) analyseert Hans Boutellier de systeemhaat tegen de achtergrond van het marktdenken met als uitvloeisel daarvan identiteitspolitiek. ‘Nederland heeft vanaf de jaren negentig als geen ander land in Europa het marktdenken ruim baan gegeven, en in de oprukkende brutaliteit van de markt is denken in economische termen van efficiency het enige dat nog lijkt te tellen.’ We zijn volgens hem in de afgelopen decennia getransformeerd van een ideologische samenleving tot een ‘pragmacratie’, waarin de burger zijn eigen zaken moet regelen en belangen veilig moet stellen. De wijze waarop dat kan en mag gebeuren is een ondergeschikte vraag gebleken. En daar lijkt er ruimte te zijn ontstaan voor agressie als bewust ingezette strategie om je doelen te verwezenlijken.
Tegelijk leest Boutellier in het alledaagse geweld een roep om erkenning. Hij haalt daarbij het oud-Griekse begrip thymos aan, dat van Plato afkomstig is. Volgens Plato werd de mens behalve door logos en eros gedreven door nog een derde kracht: de drang om gezien en erkend te worden. ‘Vroeger lag thymos ingebed in levensbeschouwelijke kaders – de kerk, de partij –, nu is die als het ware bloot komen te liggen en geldt: eigen denken en eigen emotie eerst. Het “ik” staat centraal en zoekt medestanders in een eigen gemeenschap, met name op sociale media. Daar hoort het opeisen van slachtofferschap bij. De strijd om erkenning is enorm geperverteerd geraakt, iedereen voelt zich nu wel ergens slachtoffer van, en dat kan snel escaleren tot daadwerkelijk vijandschap.’
Een ander punt is de sociaal-economische ongelijkheid, en dan bedoelt hij vooral de afstand die burgers voelen tot de hoogopgeleide elite. ‘Een groot deel van de mensen kan zich daar niet mee verbinden, en het sentiment gaat over in een ressentiment tegen de groepen die de touwtjes in handen hebben – en dat kan op allerlei vlakken zijn: van de zorg tot de wetenschap, en van de politiek tot de rechtspraak. Sociale verschillen zijn er altijd geweest, maar die lagen ingebed in ideologische structuren. Men legde zich neer bij de verticale verhoudingen in de maatschappij.’
Ook Caroline Koetsenruijter legt een verband tussen een cultuur van agressie en de sociaal-economische inrichting van Nederland: ‘Veel van de publieke dienstverleners zijn niet in vaste dienst. Een cultuur van flexibele arbeid maakt dat werkgevers zich gemakkelijker aan zorg voor hun personeel kunnen onttrekken. En bij uitval is er snel weer een nieuwe tijdelijke kracht gevonden.’
Hoezeer een samenleving vol assertieve individuen die geweld en intimidatie zien als een courant middel kan afglijden, laat zich wellicht zien in vergelijking met de Verenigde Staten. Het maandblad The Atlantic sprak onlangs van ‘the new anarchy’, een cultuur van bedreigingen aan het adres van gezagsdragers waarbij een kleine groep ook daadwerkelijk bereid is woord in daad om te zetten.
In How Civil Wars Start – and How to Stop Them (2022) laat de Amerikaanse politicoloog en journalist Barbara Walter op basis van gedegen wetenschappelijk onderzoek zien hoe in Amerika een burgeroorlog in de lucht hangt. Zij analyseerde data van zo’n zevenhonderd verschillende burgeroorlogen in de hele wereld en concludeert dat de geleidelijk geradicaliseerde polarisatie in de Verenigde Staten vergelijkbaar is met de condities waaronder burgeroorlogen ontstonden. Hoewel Europa Amerika niet is, toont zich hier hoezeer agressie op een glijdende schaal zit: geweld tegen representanten van de publieke sector is een voorstadium van direct geweld tegen het systeem zelf.
Is deze ontwikkeling te stoppen? Boutellier vindt dat we te laks zijn in het verdedigen van de democratische rechtsstaat die door alledaags geweld steeds meer ondergraven wordt. ‘We moeten opnieuw actief beargumenteren dat we een geschenk aan de wereld in handen hebben, namelijk de liberale rechtsstaat die naar mijn idee historisch en cultureel onovertroffen is. Het is ook “een geloof”, maar een dat andere geloven mogelijk maakt, en dus beter is ten opzichte van welk ander systeem ook.’
Met dit uitgangspunt kunnen we samen ‘een nieuw verhaal’ maken, vindt hij, hoewel hij toegeeft dat dit vaag klinkt. Boutellier pleit er in elk geval voor om relaties in de samenleving meer in termen van wederkerigheid te zien, in plaats van in puur economische termen. Wederkerigheid, zoals de Franse cultureel antropoloog Marcel Mauss bedoelde: het proces van schenken, ontvangen, doorgeven en teruggeven. ‘Zoals het idee dat we belasting betalen omdat we daar heel veel voor terug krijgen. Of dat we ons voegen naar de rechtsorde omdat de rechtsstaat ons beschermt. Of we brengen onze kinderen naar school maar daar moet je ook iets voor terugdoen.’
Het denken in wederkerige relaties moet je actief uitdragen. Dat is volgens hem dé opgave: polarisatie ombuigen naar politiek, waar tegenstellingen thuishoren. ‘We willen een diverse samenleving, en dat is een verworvenheid van de liberale democratie, in plaats van de vrijheid van de vijandschap.’
Caroline Koetsenruijter pleit voor een nieuw stelsel van collectieve normen, waarin agressie niet wordt gedoogd of goedgepraat door genoegen te nemen met onderliggende oorzaken. Alleen op die manier kan agressie als bewuste strategie de pas worden afgesneden. ‘We moeten ervoor zorgen dat agressie niet langer loont’, zegt ze. En dat begint volgens haar met melden: ‘Werkgevers doen steeds vaker aangifte namens hun personeel, zoals het volgens het vpt-beleid ook hoort. We moeten dan ook niet verbaasd zijn als in de komende jaren de cijfers over agressie blijven toenemen. Dat zou wel eens een teken van positieve verandering kunnen zijn.’