Het lijden van de jonge goethe

Johann Wolfgang von Goethe, Verdichting en waarheid. Vertaald en toegelicht door Erik Tjallinks, uitgeverij Ambo, 726 blz., f99,-
EEN VAN de figuren uit de Duitse literatuur die mij blijven intrigeren, is een Lijflandse verschoppeling die gefascineerd werd door militaire uniformen, als achttiende-eeuws genie ten prooi viel aan de waanzin en na vele omzwervingen uiteindelijk op 41-jarige leeftijd dood werd aangetroffen in de straten van Moskou. Een graf van hem is er niet, behouden zijn een paar toneelstukken die een beslissende wending gaven aan de geschiedenis van het Duitse toneel. Vereeuwigd is hij in de roemruchte novelle van Georg Buchner, die zijn bondige, opwekkende naam draagt: Lenz, Jakob Michael Reinhold.

Andere negentiende-eeuwse schrijvers dan Buchner wezen Lenz eenstemmig en categorisch af, Hebbel bijvoorbeeld vindt hem chaotisch en verward. Nog in deze eeuw wordt hij door Gundolf afgeschilderd als een middelmatig literair sterretje met een getormenteerde ziel. Een van de verklaringen hiervoor, los van het kwaliteitsoordeel: bijna alle biografische schetsen van zijn leven staan in het teken van die ene waarneming, dat genoemde Lenz, die al door zijn geestesziekte gestigmatiseerd werd, in de overdadige schaduw stond van de literaire god der goden: Goethe. Naast Goethe verbleekt een ieder, en van een gek valt - vond men, schat ik, mentaliteitshistorisch voor 1970 - niet bijster veel te verwachten. Goethe is het vooral die bepalend is voor het beeld dat van deze schrijver bleef hangen: in het elfde boek van Dichtung und Wahrheit schildert hij hem af als iemand met fratsen, iemand met een zeker komisch talent, voor wie hij het Engelse woord whimsical toepasselijk acht.
DAT WAS eerst anders: Goethe was met Lenz bevriend, beiden behoorden tot een nieuwe generatie schrijvers die rond 1770 een omwenteling in de Duitse literatuur teweegbracht. Sturm und Drang is het etiket dat die omwenteling draagt. Het zevende decennium van de achttiende eeuw kende enkele schokkende literaire gebeurtenissen, waarin ook ideeen werden aangedragen die een behoorlijk grote politieke en culturele draagwijdte kenden. Lenz schreef bijvoorbeeld de komedie Die Soldaten, in het kader waarvan hij een pleidooi houdt voor een vrouwenkwekerij: de koning had de soldaten verboden te trouwen omdat huwelijk en krijgstucht niet samengaan, maar hun geen middel aan de hand gedaan om hun geilheid in goede banen te leiden. Je moet zo nu en dan een vrouwtje opofferen om de rest der echtgenotes en dochters te sparen, luidde Lenz’ omstreden suggestie.
Ook de jonge Goethe was in die spannende jaren waarin het burgerdom zich emancipeert, niet wars van een revolutionair en onburgerlijk idee: zo verdedigt hij in het toneelstuk Stella het recht van de man op twee vrouwen en getuigt ook zijn roman Die Wahlverwandtschaften van een oorspronkelijke kijk op het verkeer tussen de seksen.
Er was op een gegeven moment sprake van een hechte band tussen deze Lenz en Goethe. Lenz noemde Goethe, wiens Werther op hem even veel indruk maakte als op de andere tijdgenoten, te Straatsburg ‘mein Bruder’; hij vertrouwt hem zelfs een dagboek (1775) toe waarin hij het relaas vertelt van een bij zichzelf afgedwongen verliefdheid die als nobel doel zou hebben de verloofde van een afgereisde vriend te beschermen tegen concurrerende minnaars. Waar de seksuele spanningen Lenz verstarren en hem in de komedie Der Hofmeister zelfs op het idee van een castratie brengen, hebben zij op de superieure Goethe het effect van theorie: weten hoe het hoort zorgt voor de afstand waarmee een empirisch verschijnsel als het leven aangepakt kan worden. Maar als Goethe het over een polygaam huwelijk heeft, denk je nauwelijks aan libertijnse zeden en weet je zeker dat de man overeind blijft.
Lenz daarentegen is de tobber, hij dweept steeds meer met zijn grote voorbeeld, die intussen lucratief aan het hof van de hertog van Weimar aangesteld is. In het jaar 1776, als Lenz dagelijks de compagnie van Weimar ziet exerceren en met de dag meer snakt naar een officiersuniform in dienst van de hertog, ontstaat er een verwijdering tussen de succesvolle Goethe en de sociaal afglijdende, geestelijk balloterende Lenz. Op 26 november 1776 noteert Goethe kortweg iets over 'Lenzens Eselei’ - er is iets gebeurd dat zelfs door het almaar doorspittende Goethe-onderzoek niet meer bleek te achterhalen, vermoedelijk iets over de precaire verhouding van Goethe met Frau von Stein. In elk geval is Goethe diep gekwetst. Voor Lenz is de verwijdering een dodelijke klap: hij verlaat Weimar, de waanzin breekt los, van de wandelingen die hij onderneemt is die door de Vogezen door Buchner vereeuwigd, terwijl de oostwaartse tochten hem uiteindelijk naar Moskou voeren en naar de dood.
VIJFENDERTIG jaar later is er van die Sturm und Drang niet veel over: de oude Goethe schrijft zijn memoires (1811-12), die hij Aus meinem Leben noemt, maar de ondertitel van het boek is bekender: Dichtung und Wahrheit, nu in het Nederlands verschenen onder de titel Verdichting en waarheid, in een vertaling van Erik Tjallinks. Tjallinks, een socioloog en bedrijfskundige, vertaalde het boek, getuige de achterflap, 'uit puur enthousiasme’ nadat hij op een boekenmarkt van Amnesty International een Reclam-uitgave uit 1879 had verworven. Ook anderszins doet Tjallinks geen poging zich als kenner van Goethe, laat staan als germanist te afficheren. De vertaling lijkt argeloos gemaakt, 'voor de vrucht en het genoegen van de lezer’. Een en ander verklaart wellicht de minieme begeleidende informatie en bijvoorbeeld ook het gekozen stramien van de inhoudsopgave, dat negentiende-eeuws aandoet: 'Negende boek. Behandelt thema’s rondom de karaktervorming van Johann; spanningen met vader Goethe, vertrek naar Straatsburg’, et cetera. De Hamburger en de Munchner uitgaven zijn niet gebruikt; de noten maken soms een willekeurige indruk; voor de vertaling is weliswaar bewust uitgegaan van ouderwetser taalgebruik, maar dat is wellicht veel minder een vertaalstilistische keuze dan iets wat door Goethes pontificale stijl opgedrongen wordt aan een noodgedwongen pontificaliserende vertaler. Soms breekt het gebrek aan literatuurhistorische kennis de vertaler ook op (Lenore is bij voorbeeld geen stuk van Burger maar een ballade; Jung-Stilling, befaamd oogarts en schrijver, wordt door het steeds toegevoegde 'alias Stilling’ een soort crimineel). Toch wil ik hier niet anders dan van mijn respect getuigen voor de euvele daad die het vertalen van deze omvangrijke mengeling van feit en fictie behelst.
GOETHE (1749-1832) was een scherpzinnig iemand, dat is bekend, en dat lezen we nu ook weer in Verdichting en waarheid, met fraaie waarnemingen van tijdgenoten en interessante beschouwingen over het demonische en pantheistische. Maar scherpzinnigheid is ook niet alles, vooral niet die van een tweeenzestigjarige die zijn jeugd beziet. Het doet me nog altijd deugd dat ook deskundigen spreken over de jonge Goethe en de oude Goethe als twee aparte personen. Die jonge jaren sprankelden, leverden diverse flirtages en boeken als Die Leiden des jungen Werther op, maar over de herinnering eraan en de weergave ervan in deze autobiografie blijft het floers van de bezonnenheid liggen, loutere ratio minus overmoed en passie.
Nemen we bijvoorbeeld zo'n stoute onderneming om met enige jongelieden naakt te baden in een Zwitsers meer: de gebeurtenis wordt door Goethe zo zeer ingekleed in samengestelde volzinnen inclusief vooroordelen over de preutsheid van zijn tijdgenoten, die nog uit de middeleeuwen zou stammen, dat je huivert van de omslachtigheid, de filosofische verklaringen en cultuurhistorische diepgang. Het doet je van de weeromstuit ook snakken naar Nederlands dat lucht in de klassieke brij blaast. Dat gebeurt niet, in de uitputtingsslag van het lezen merk je onsyntactisch gestamel niet eens meer op: 'Ver weg van elke bewoning, ja zelfs van elk betreden voetpad, meenden zij hier geen andere keus te hebben dan hun kleren af te werpen en overmoedig aan de schuimende stroomgolven weerstand te bieden. Dit gebeurde echter niet zonder geschreeuw, niet zonder een wild, half door de plotselinge koelte, half door plezier ontlokte juichkreten, waarmee zij deze duister beboste rotsen wilden inwijden tot een idyllisch oord.’
Dichtung und Wahrheit is geen zelfbespiegeling, zegt Goethe zelf, het is (naar de klassiek geworden definitie van autobiografie) de bedoeling 'de mens in de verhoudingen van zijn tijd weer te geven’, waaraan steeds die formulering uit de gesprekken met Eckermann wordt toegevoegd: 'Een feit van ons leven geldt niet voor zover het waar is, maar voor zover het iets te betekenen had.’ Het perspectief is steeds historisch, passend bij Goethes idee dat hij bij het toenemen der jaren zichzelf steeds meer zag als een geschiedkundig fenomeen. Een belangwekkend tijdsbeeld wordt in Verdichting en waarheid geschetst, vooral omdat het Goethe niet om de verheerlijking van het individu gaat maar om zijn functie en plaats in de cultuurhistorische periode. Je leest hoe hij over de eigen, de Engelse en de Franse literatuur denkt, hoe de Zevenjarige Oorlog ingrijpt in het leven en denken van zijn tijdgenoten, en hoe er ook tijdens particuliere liefdesaffaires tijd blijft voor transcendente bespiegeling. Goethe beleert, redeneert en exerceert, in een literair uniform waar men hem al bij zijn leven om benijdde. Het maakte het boek tot een belangrijk sociaal- historisch document dat in opzet zijn tijd ver vooruit was en weloverwogen glimpen toont van een verbazingwekkend dichter en denker, ook in het Nederlands.