Het lijkt godsamme wel het leven zelf

Voor het eerst verschijnen alle toneelteksten van Tsjechov in een Nederlandse vertaling, een nieuw monument in Van Oorschots Russische Bibliotheek. Over hunkeren naar de hoofdstad, gecorrumpeerde schrijvers en het uitzonderlijke talent van Halina Reijn.

A.P. Tsjechov, Toneel, € 59,95

Ook ik ben ooit verliefd geworden op een actrice. Dat ging ongeveer als volgt, die septemberavond in een provinciestad: een jongeman met een wat schichtige oogopslag heeft een toneelstuk geschreven dat voor de tweede, tevens laatste maal is opgevoerd. Deze avond waant hij zich, voor de eerste keer in zijn leven, een echte schrijver. De actrice heeft een scherp omlijnd gezicht dat elke beweging van haar denken volgt, zo’n open-boekgezicht waar een zekere intelligentie, of in ieder geval oprechtheid uit spreekt.

Ze zitten tegenover elkaar aan een klein, vierkant, spiegelend tafeltje en hun gesprek gaat over clichés, en hoe je die zou moeten vermijden, want dat dat nodig is, dat weet hij zeker. Zij, de actrice die cowboylaarzen draagt, meent daarentegen dat je de clichés zelf zou moeten leven wil je ooit tot echte kunst komen. Het is de manier waarop ze dat zegt, overtuigd en toch zonder stemverheffing, waardoor de zich schrijver wanende jongeman zich realiseert dat ze gelijk heeft, en even overweegt hij of dat wil zeggen dat zijn eigen toneelstuk een banale farce is, maar dan verliest hij zich in haar gasvlamblauwe ogen, tot het ogenblik dat de vriend van de actrice opduikt en ruzie begint te maken, niet met hem, maar met haar, een scène die amper een minuut duurt. De twee maken het goed met een korte kus, waarbij ze haar ogen open houdt, en als ze achter de jaloerse geliefde de Eind­hovense nacht in loopt, zwaait ze nog eens vrolijk ten afscheid. De achterblijver glimlacht terug, met dromerige blik.

Al lezend in de even subliem uitgegeven als vertaalde verzamelde toneelteksten van Anton Tsjechov, onderdeel van Van Oorschots dit jaar jubilerende Russische Bibliotheek, moest ik terugdenken aan die uitspraak ‘het cliché durven leven’. Nu ik de beroemde stukken, waarvan iedere theaterbezoeker wel eens een opvoering heeft meegemaakt, op schrift voor me zag, bedacht ik dat dit inderdaad is wat de allerbeste toneelspelers doen als ze op een podium voor het voetlicht staan. Ze wekken met gestes en intonatie gemeenplaatsen tot leven.

Neem het befaamde toneelstuk De meeuw, waarin de al oude, drukbezette schrijver Trigorin zich aangetrokken voelt tot de negentienjarige beginnende actrice Nina. Hijzelf wordt bewonderd door de bekende actrice Arkadina, de moeder van Kostja, een aspirerend auteur die al tijden hevig verliefd is op Nina. Dat kan bijna niet goed aflopen, zou je denken, en dat blijkt ook. Op het einde van het derde bedrijf stort Trigorin zijn gevoelens over Nina uit, ze kussen, en hij vraagt haar hem te komen opzoeken in de hoofdstad. Daarna verstrijken er twee jaar. In het vierde bedrijf wordt duidelijk dat Nina een kind van Trigorin kreeg dat stierf, en dat de schrijver haar verlaten heeft voor een oude liefde. Inmiddels leidt ze een kwijnend bestaan als toneelspeelster in de provincie. Dan vindt er een weerzien plaats tussen Nina en Kostja. De jonge auteur vertelt over het gebroken hart dat ze hem bezorgde, de actrice spreekt over de teleurstellingen die ze op het podium ervoer: ‘Nu weet ik, nu begrijp ik, Kostja, dat in ons werk – het maakt niet uit of het nu toneelspelen is of schrijven –, de hoofdzaak niet de roem is, niet de schittering, niet dat waarvan ik droomde, maar het vermogen om vol te houden.’ En nog altijd, verzucht ze, houdt ze met heel haar hart van de oude schrijver Trigorin, die klootzak. Vervolgens vertrekt ze, Kostja alleen achterlatend, die zijn laatste manuscript verscheurt en afgaat aan de rechterzijde van het podium. Trigorin en Arkadina komen op. Er valt een schot. Dit is de allerlaatste scène. Kostja heeft zich doodgeschoten. Tsjechov schrijft doodkalm ‘Doek’.

Ik heb De meeuw gezien in een uitvoering waarin Halina Reijn de rol van Nina speelde en de rest van de cast van het podium blies. Een enorme prestatie, om sentimentele regels als ‘Ik was bang dat je me zou haten’ (Nina tegen Kostja) met volle overtuiging voor een volle zaal uit te spreken en daarmee waar te maken. Onder het lezen van De meeuw, bij het omslaan van elk van die heerlijke dundrukbladzijden, besefte ik dat ik Halina Reijn miste, zoals ik trouwens ook Pierre Bokma miste bij het lezen van Oom Wanja, het stuk waarin hij recent de hoofdrol van de verbitterde vrijgezel Wanja speelde, of, beter gezegd, die verbitterde vrijgezel ook echt wás. En bij Langs de grote weg, een van de vroege, kluchtige stukken van Tsjechov (ook allemaal opgenomen in dit 1240 pagina’s tellende literaire monument vol vergeten of onbekende stukken), ervoer ik acuut heimwee naar Jacob Derwig en Martijn Niewerf van het toenmalige ’t Barre Land, dat de toeschouwers destijds wodka schonk om in de juiste steppestemming te komen. Een verdedigbare keuze, want inderdaad, van Tsjechov lezen krijg je een Siberische dorst, al was het maar om de bodemloze melancholie te verdrinken.

Kom ik hier dan uit op een gemeenplaats van jewelste, dat Tsjechovs toneel erom vraagt gespeeld te worden door de beste acteurs van het land? Kennelijk wel, maar er is nog iets, al mag dat klinken als een vloek in de Christus Verlosserskathedraal van Moskou, namelijk dat de theaterteksten niet tot het beste behoren wat Tsjechov heeft geschreven. Qua thematiek valt het verschil amper op. Ook de theaterteksten bevatten die typisch tsjechoviaanse toetsen, zoals de liefdevolle afkeer voor de achterlijke provincie en een scherp oog voor machtsmisbruik en machteloosheid. Maar vergeleken met het proza zijn de theaterteksten toch te vaak gewild grappig (het vroege werk) of te opzichtig dramatisch (het latere werk), met uitzondering van De kersen­tuin. Zo valt er in twee toneelstukken, te weten De meeuw en Drie zusters, bij wijze van slotakkoord een pistoolschot. Een dramatische noodgreep in stukken die te veel steunen op stereotypen en al te zeer proberen te voldoen aan wat in theaterkringen een spanningsboog heet. Niet dat het slecht is, natuurlijk niet, wie zou dat kunnen beweren, maar echt briljant is toch nog iets anders. Alsof Tsjechov in zijn toneel voornamelijk met een ruwe kwast heeft gewerkt, waar hij in zijn verhalend proza met een fijn penseel van dassenhaar aan de slag ging.

Al is die vergelijking zelf verre van nauwkeurig te noemen. Want het is niet zozeer een kwestie van stijl (Nabokov noemde Tsjechovs stijl triviaal, en vond hem niettemin een magistraal prozaschrijver) als wel van iets wat ik hier ‘verhaaldemocratie’ zou willen noemen, waarmee ik de vrijheid bedoel die een auteur zijn personages laat. Een paradoxaal gegeven, want uiteindelijk is het toch de schrijver die de gang van zaken in een verhaal bepaalt, maar in Tsjechovs proza, en dat is het knappe, weet je als lezer nooit zeker welke kant het opgaat. Personages worden niet ondergeschikt gemaakt aan de bedoeling die de schrijver heeft met de vertelling. Hun wordt tot op zekere hoogte een eigen leven gegund.

Misschien dat ik het duidelijk kan krijgen aan de hand van een uitspraak in het korte verhaal De oppertuinman, waarin de genoemde tuinman, in een gesprek over de juiste strafmaat – zijn gesprekspartners willen zwaardere straffen – pleit voor wat meer clementie en tot de volgende wijsheid komt: ‘In God geloven is niet moeilijk. Dat deden de inquisiteurs ook… Nee, u moet in de mens geloven!’ Dit is ook precies wat Tsjechov doet. Hij wenst in de mens te geloven, wat, haast ik me te zeggen voordat een zelfverklaarde ironicus me voor dominee uitmaakt, iets heel anders is dan een beaat geloof in de mensheid of een vrijblijvend pantoffelhumanisme. In het werk van Tsjechov lopen immers de grootste opportunistische rotzakken rond, wier handelingen je niet anders dan tandenknarsend kunt volgen, en sommige zelfzuchtige secreten die in zijn verhalen de lakens uitdelen zijn echt brandstapelmateriaal, denk aan de hebzuchtige Aksinja (‘In het ravijn’), die uit pure nijd een pan kokend heet water over de baby van haar schoonzus gooit. Een groot schrijver is de auteur wiens personages je een klap voor hun schijnheilige smoel wilt geven.

Maar het punt is, daarmee houdt het niet op. Naast die doortrapte types zijn er ook engelachtige, weifelachtige, afwachtende, berekenende, liefdevolle, bekeerde en schroomvallige personages – het lijkt godsamme wel het leven zelf. De grilligheid van hun lot houdt je als lezer vast tot aan de laatste pagina. Dat deze verhalen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld De meeuw, géén helder slotakkoord kennen, vonden Tsjechovs latere lezers, onder wie Virginia Woolf, er juist zo opzienbarend aan. Er heerst in het proza een zekere vrijheid, voortkomend uit de overtuiging dat je in een mensenleven nooit met zekerheid kunt voorspellen of het goed of slecht met iemand zal aflopen. In de verhalen geldt dus níet de wet die Tsjechov ooit, bij het schrijven van zijn eerste toneelstuk, naar verluidt heeft verkondigd, een wet die luidt dat een geweer dat in het eerste bedrijf aan de muur hangt, in het laatste moet afgaan. Dat soort determinisme is wellicht welkom in een goede detective of in slecht schrijversschooldrama, maar niet in de kunst, waar in onvoorspelbaarheid met de werkelijkheid dient te worden gewedijverd. Vandaar ook dat het latere werk van W.F. Hermans, toen hij zelf ging geloven in zijn tsjechoviaanse uitspraak dat een mus in een roman niet zonder bedoeling van het dak kan vallen, zo benauwend is in zijn geprogrammeerde grimmigheid.

In Tsjechovs verhalen liggen er – gelukkig! – genoeg pistolen in een hoek stof te vergaren, vliegen mussen onbekommerd tegen het raam en kan het gebeuren dat een vrouwen­verslindende jurist een jong getrouwde vrouw met een ongelukkig hart en een klein, lief hondje eerst routineus het bed in praat, om zich vervolgens te realiseren, nadat hij haar heeft verlaten, dat hij hopeloos verliefd op haar is. Hier regeert de verhaaldemocratie. De vrijheid die dat oplevert is relatief, het is een wind die door de verhalen blaast en voor onverwachte wendingen zorgt. Het is zuurstof voor de ziel, zou je met wat pathos kunnen zeggen. Tegelijk is de hand van de auteur in al zijn zinnen aanwezig. In de eerste plaats in dat unieke, onaardse perspectief dat Tsjechov eigen was, waar het, ook voor de lezer, voor een moment mogelijk lijkt afstand te doen van alle zorgen, begeerten en aardse emoties en de eeuwigheid in ogenschouw te nemen, zoals in deze, misschien wel mooiste zin uit zijn oeuvre, opgetekend in De dame met het hondje: ‘De bladeren aan de bomen bewogen niet, cicaden sjirpten en het eentonige doffe ruisen van de zee dat hen van beneden bereikte sprak van de rust en de eeuwige slaap die ons wacht. Zo ruiste het daar beneden toen Jalta en Oreanda hier nog niet waren, het ruist er nu en net zo onverschillig en dof zal het ruisen als wij er niet meer zijn.’

Anton Tsjechov trouwde op het einde van zijn leven met de beroemde actrice Olga Knipper, en stierf kort daarna aan tuberculose. Aan zijn sterfbed geen regisseur die zacht maar beslist beval: doek!

Anton P. Tsjechov

Toneel – Verzamelde werken deel VI

Vertaald door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes, Van Oorschot, 1240 blz., € 59,-