‘het lijkt hier wel bosnie’

TANJA: ‘Ik woon in Leiden, maar ik kom uit Sarajevo. Mijn vader was majoor in het Joegoslavische leger en communist in hart en nieren. Als we een oproep van de Joodse Gemeenschap kregen, bijvoorbeeld dat er fruit uit Israel werd uitgedeeld, mocht ik er niet naartoe. Soms ging ik toch, dan deed hij of hij het niet wist.

Door die oproepen wist ik dat we joden zijn. Mijn moeder had in Auschwitz gezeten, de familie van mijn vader was uitgemoord. Ook dát wist ik. Maar niets over het joodse geloof, de taal, de gebruiken. Nu ik in Nederland ben, vind ik dat jammer; je voelt je dom als je dingen niet weet. Wij vierden thuis altijd de Dag van de Republiek, de Dag van de Arbeid, de Verjaardag van Tito. Dan was er varken op het spit en bier. Ik ben opgegroeid als Joegoslavische. Mijn beste vriendin Natasja ken ik bijna vijftig jaar. Pas hier, in Nederland heb ik op een dag aan haar gevraagd: wat ben jij eigenlijk?’ NATASJA: ‘Of je Servisch, Kroatisch of Moslim bent, kun je hooguit zien aan de naam. Een “Mohamed” is waarschijnlijk géén Kroaat of Serviër. Maar een “Denis” kan van alles zijn. Dat ik Servisch ben, wist ik door mijn opa en oma. Zij vierden de orthodoxe kerst, in januari. Oma maakte wel eens ruzie met mijn vader: “Jullie communisten hebben alle feestdagen afgeschaft! Schande! Als kind lustte je de paaseitjes wat graag!” In Sarajevo heetten mijn buren Ibro, Amaza, Aziza… Als ze met de baihram een feestmaal aanrichtten, at ik mee. Hún feest was ook míjn feest. Tijdens de oorlog heb ik van buren nooit last gehad. Wel van nieuwkomers, vluchtelingen die mij niet kenden. Dan fluisterden ze in de gangen van het ziekenhuis waar ik als logopediste werkte: “Kijk uit, zij is een Cetnik.” Een keer kwam ik een oud-klasgenote tegen. Ze was hout aan het sprokkelen. Toen ik haar groette, siste ze: “Schaam je je niet, om hier te blijven!” Mijn hoofd begréép het, maar mijn hart bloedde. Serven die op háár schoten, schoten ook op mij! Ik ben twintig maanden in de hel van Sarajevo gebleven. Ik moest wel. De stad was omsingeld, dat was de buitencirkel. Maar het stadsbestuur had ook een binnencirkel getrokken. Omdat een volle stad moeilijker is in te nemen. Maar ook: hoe meer mensen, hoe meer lijken; daar kun je mee scoren op tv. Het was een vuile oorlog. Voor geld kon natuurlijk alles. Idioot als ik was had ik twee weken voordat het schieten begon drieduizend mark aan nieuwe lampen en kasten in de badkamer uitgegeven. Weg spaarcenten! Geen maand later is mijn woning weggeblazen door een granaat. Die granaat is door Serviërs gegooid. Ik ervoer ze als mijn vijand. Maar de haat die de Moslims voelden, kon ik niet op dezelfde manier voelen. Ik kon bijvoorbeeld niet zeggen dat ze mij aan het uitroeien waren.’ DJANA: 'Ik kom uit Banja Luka, net als mijn ouders, grootouders, overgrootouders. In Banja Luka wonen nu Serviërs. Ik ben Moslim, al betekende dat vroeger niets. Mijn moeder maakte met de baihram een lekkere lunch, dat was alles. Vlak voor de oorlog verschenen geüniformeerde mannen in de stad. Een Servische dorpeling trok in de woning van mijn broer. Die mocht nog net zijn kleding en papieren weghalen. Mijn neefje werd in elkaar geslagen op school. De juf zei: “Mevrouw, ik kán niets doen.” Op straat liep mijn beste vriend, een Serviër, in uniform. Ik wees er naar, maar hij fluisterde: “Praat me er niet over, ik móet!” Van wie, waarom, ik wist het niet. Ik vertelde dat ik bang was. Toen is hij voor mijn deur wacht gaan houden. Na een week zei hij: “Jou kan ik beschermen, maar je man… Ik kan zijn veiligheid niet garanderen.”’ TANJA: 'Mijn man werkte voor het Joegoslavische leger, net als mijn vader. We verhuisden naar Bihac, daar was een vliegveld geopend. Omdat bij het leger salarissen hoog zijn, kreeg ik geen baan. Ik had de lerarenopleiding gedaan en de balletschool, ik wilde werken! Toen begon ik met danslessen voor kleuters. Als de parade door de stad trok met de Verjaardag van Tito, deed ik met de kleintjes mee. Daarna heb ik dansgroepjes op scholen opgezet, aerobiclessen, een kinderdisco… Ouders droegen me op handen. Maar mijn huwelijk ging stuk. Mijn man werd als eerste geholpen bij de dokter, bij de bank: “Vraag je vrouw of mijn kind bij haar in de groep mag!” Een keer werd hij aangehouden, terwijl hij aangeschoten was. De agent zei: “Oh, jij bent de man van Tanja, rij maar gauw door.” Dat was voor hem de druppel. Vlak voordat de oorlog begon, trok het leger zich uit Bihac terug. Mijn man ging naar familie in Servië. Wij waren inmiddels gescheiden. Maar hij liet wel onze dochter weten dat ze weg moest uit de stad.’ MITI: 'Toen de Serviërs de stad massaal hadden verlaten, wist ik pas wie in Bihac Servisch was. Bij ons hebben mensen vaak een bijnaam. Een collega, “de Snelle”, kwam maar niet op het werk. Zijn buurman zei dat hij met Serviërs was meegegaan. “Waarom zou hij dat nou doen?” zei ik! Ik had altijd gedacht dat hij Moslim was. Wie had er ook van mij kunnen weten dat ik Kroaat ben? Bihac ligt, net als Sarajevo, in een dal. Je kunt er goed op schieten vanaf de bergen. Eigenlijk dacht niemand dat het zo ver zou komen. Hooguit een schermutseling voor even. Toen het leger de stad uit was, werd de aanval geopend. Dat “even” duurde vier jaar. Het stadsbestuur mobiliseerde alle mannen. Ik was muziekleraar, net als mijn vrouw. Maar vanaf die dag werd ik soldaat.’ NATASJA: 'Mannen verstopten zich, vluchtten, kochten dokters om om afgekeurd te worden. Wie niet was afgekeurd, werd bedreigd met de kogel. Sommige moeders hadden hun zonen ingemetseld. Die zaten maanden tussen vier muren, hadden nauwelijks wat te eten. Als je niet op de lijst stond, kreeg je geen hulp. Een buurman die afgekeurd was wegens slechte doorbloeding - hij kon haast niet lopen - meldde zich na een tijdje voor herkeuring aan. Zijn kinderen hadden honger; als hij het leger in ging kreeg hij meel en olie. Ik probeerde zo veel mogelijk kinderen, zieken en bejaarden de stad uit te helpen. Organiseerde transporten met collega’s. Later heeft het stadsbestuur mij beschuldigd van etnisch zuiveren. Ik zou kinderen in het buitenland verkopen! De moslims die met mij werkten, werden niet beschuldigd. Toen is er voor altijd iets geknapt. Ik was geen Natasja meer, geen collega, moeder, vriendin. Alleen nog maar Serviër.’ MITI: 'Wij waren omsingeld, maar elke dag kwam een vrachtauto vol sigaretten de stad in! Ik stelde me voor hoe de ene commandant de andere belde: “Stop het schieten, ons vrachtje komt eraan.” Misschien waren ze al voor de oorlog beste vrienden, hebben ze toen al de prijzen bepaald: een sigaret voor twintig mark, een zak meel voor een auto. Op de vijand werd geschoten met kogels, die bij diezelfde vijand waren gekocht. Als de kogels op waren, rukten ze op; als weer een lading was ingekocht, trokken ze zich terug… De economische crisis was in Bihac voor de oorlog onbeschrijflijk. Nu rijden er mensen rond in Mercedessen! Om díe reden is de oorlog gevoerd. Etniciteit had er niets mee te maken. Dat was maar vormgeving. Wij hebben een gezegde: voor de een is oorlog oorlog, voor de ander is oorlog zijn beste vriend. In Kosovo gaat het net zo, reken maar. Als ik via de satelliet naar TV Belgrado kijk - dat doe ik, want ze hebben goede films - dan zie je nu op het journaal dezelfde propaganda die wij toen zagen, precies hetzelfde scenario: “Terroristen bedreigen ons land, wij moeten ons land verdedigen!” De man die vanaf de berg op mij schoot, was niet mijn vijand. Hooguit mijn tegenstander. Als ik hem tegen zou komen, zou ik zó een kopje koffie met hem drinken. Dat is ook wel eens gebeurd, hier in Nederland. Dan zei ik: “Jij had mazzel, jij kon autorijden daarboven.” En hij: “Jij kon tenminste in je eigen bed slapen.” Tussen hem en mij is geen verschil. Hij moest, zoals ik moest. Natuurlijk had je ook geestelijk zieken, psychopaten die het leuk vonden, misdadigers, criminelen. Maar die zag ik ook naast me, aan mijn eigen kant. In oorlog komt alle vunzigheid bovendrijven. De eerste keer dat ik naar het front ging dacht ik: straks moet ik schieten. Hoe doe ik dat? Ik had niet eens een konijn gedood, laat staan een mens. Dat maalt maar in je hoofd. Als ik eraan terugdenk krijg ik nóg kippevel. Je bent dan zo godvergeten alleen. Daarna zoefde een granaat langs mij, richting stad. Ik werd witheet. Mijn kinderen en mijn vrouw waren daar! Toen betrapte ik me erop dat ik in staat was diegene die de granaat afschoot ter plekke de nek om te draaien. Onvoorstelbaar, maar ik was ertoe in staat.’ DJANA: 'Om de stad uit te komen moest je allerlei bewijzen en papiertjes halen, voor veel geld. Je moest tekenen dat je vrijwillig de stad verliet. Wat je vrijwillig noemt! We werden nachtenlang telefonisch bedreigd. Die handtekening zetten was zo vernederend! In de stad was een “reisbureautje” geopend. Een plek in de bus kostte zevenhonderdvijftig mark. Als je een week later ging honderd mark extra. Mijn man is een paar kilometer na Banja Luka uit de bus gehaald. Ik wist 27 dagen niet waar hij was. Uiteindelijk kwam hij in Nederland terecht. Wat hem in die 27 dagen is overkomen, heeft hij me nooit verteld. Ik zag striemen op zijn armen, vlekken op zijn polsen, maar hij zei: “Je kan het maar beter niet weten.” Na een verblijf van negentien maanden in het asielzoekerscentrum werd hij ziek. Hij is vorig jaar overleden, hier in Leiderdorp.’ TANJA: 'Mijn naam op dat kartonnen bordje, vastgehouden door een wildvreemde man, toen ik op Schiphol aankwam, dat kan ik maar niet vergeten. Niets wás ik, niets hád ik, alleen nog die naam. Een joodse organisatie had mijn vlucht en mijn opvang bij een joods stel geregeld. Een kaal zolderkamertje, zonder radio of tv, almaar regen. Waar was ik? Waarom? Wat moest ik beginnen? Weken heb ik op die zolder gehuild. De huisbazin - ze was psychiater - zei: “Huilen is goed voor je!” en ging weer verder met haar eigen bezigheden. Toen werd ik bij een Joegoslavisch gezin in Oegstgeest uitgenodigd. Ik heb die nacht geen oog dichtgedaan, ik kon niet wachten tot het zo ver was.’ NATASJA: 'Tanja is niet opgehouden vanuit Nederland naar me te zoeken. Na de hel van Sarajevo, de vlucht via Belgrado, Hongarije, Zagreb, hulporganisaties, ambassades en asielzoekerscentra was ik een wrak. Tanja had me opgevangen. Ze had een oproep naar de Bosnische krant Una gestuurd. Brieven stroomden binnen. Zo ontdekten we beetje bij beetje wie waar terecht was gekomen. Na een tijdje was ik in staat Nederlands te leren. Ik geef nu voorlichting aan buitenlandse vrouwen. Dat is hard nodig. Als een Bosnische hoort dat ze in Nederland bij de vroedvrouw moet bevallen, raakt ze in paniek. Vroedvrouwen zijn bij ons zowat analfabeet; je bevalt in het ziekenhuis met een gynaecoloog erbij! Als ik voor zo'n groep sta, vraag ik me niet af wie wat is. We zijn hier allemaal om dezelfde reden. Die band overstijgt de etnische hokjes waar de oorlog ons toe dwong.’ DJANA: 'In het begin, als ik iemand onze taal hoorde spreken in de winkel of op straat, wist ik niet wat ik moest. Ik had verschrikkelijke heimwee, behoefte aan contact. Maar weet jij veel wie dat is. Toen raakte mijn man bevriend met een Kroaat, die een zekere Tanja hielp met het behangen in haar nieuwe woning. Dus wij ook helpen. Toen mijn man overleed, heeft diezelfde Tanja weken voor mij gezorgd. Dat we van verschillende nationaliteiten zijn, maakte voor de oorlog niet uit, waarom nu wel? We vieren katholieke kerst bij Kroatische vrienden, oud en nieuw bij Tanja, baihram bij mij, orthodoxe kerst bij Natasja. Alles samen, net als vroeger.’ MITI: 'Laatst kwamen twee meisjes uit Vukovar bij mij langs. Serven die door Kroaten zijn verjaagd, zitten in Nederland aan de keukentafel bij een Kroaat, terwijl de moslimbuurman die van zijn vrouw moet vasten, stiekem een borreltje achteroverslaat. “Het lijkt hier wel Bosnië!” riep mijn vrouw. In Nederland zijn Bosniërs makkelijk te herkennen. Ze hebben de glans in de ogen verloren. Ik probeer soms aan iets leuks te denken, iets waar ik me echt op verheug. Maar ik kijk maar niet in de spiegel. Ik weet gewoon, de glans zit er niet meer in. De enige die je soms ziet glunderen is Tanja, als ze danst met de kinderen. Ze heeft een vaste baan op een basisschool. Dat is haar gelukt ondanks haar vijftig jaar.’ TANJA: 'Ik moest weer bij nul beginnen in Nederland. Een deel van mij wilde terug: al het mooie in mijn leven heb ik dáár meegemaakt. Maar er wonen nieuwe mensen in mijn stad, er is geen werk, geen woning, niets. Zoals het communisme ooit de feestdagen verbood, worden mensen nu gedwongen gelovig te zijn. Als je je niet houdt aan de ramadan, krijg je in Bosnië geen goede baan. In Kroatië heeft mijn vriendin haar kinderen zelfs moeten laten dopen! Daar zou ik niet tegen kunnen. Als ik Kosovo op tv zie, krijg ik kippevel. Alles doet me denken aan ons: wapens, lijken, vluchtelingen. Ik voel me schuldig dat ik er tijdens de oorlog niet was voor de kinderen. Misschien was ik getroffen door een granaat, maar toch, ik had met ze kunnen zingen, dansen, de angst verjagen. Kinderen uit Kosovo gaan door dezelfde hel. Juist omdat ik het allemaal heb meegemaakt, denk ik: laat óns tenminste een les voor Kosovo zijn. Bloedvergieten voorkomt geen scheiding. Ik vind dat Joegoslavië nooit uit elkaar had mogen vallen. Slovenië, Kroatië, Bosnië, ze zijn onafhankelijk, maar tegen welke prijs? Ze hebben het slechter dan ooit. En wij hier ook. Goed, wij wonen in een fantastisch land, je kunt tien soorten frisdrank in de supermarkt kopen, dat wel…’ MITI: ’… maar ze smaken allemaal even bitter.’