Djamila Ribeiro tijdens Louder Than Words met zeven vrouwelijke Prins Claus-laureaten. Amsterdam, 2019 © Maarten van Haaff

‘Djamila, you are so beautiful’, kirt haar assistente als ze inlogt in de videocall. In haar kantoor in São Paulo schudt Djamila Ribeiro door haar haar, dat ze net heeft laten doen. Ribeiro werkt vanwege de coronacrisis in Brazilië nog steeds vanuit huis en probeert zo veel mogelijk contact te maken met haar studenten aan de universiteit. Ze vindt het niet leuk, zegt ze monter, maar ze redt zich wel. In 2019 organiseerde zij als een van de meest invloedrijke leiders in de Afro-Braziliaanse vrouwenrechtenbeweging evenementen waar duizenden mensen op afkwamen, mensen die haar boeken kochten en wilden debatteren. Die live events hield ze aan het begin van de crisis nog vanuit huis, maar daar is ze nu moe van.

Het afgelopen jaar koos ze voor bezinning. In augustus publiceerde ze een nieuw boek, waarin ze aan de hand van brieven aan haar grootmoeder voor het eerst schrijft over haar eigen ervaringen met racisme. Het heet Cartas para minha avó, ‘brieven aan mijn grootmoeder’.

‘Dat was een pijnlijk maar heilzaam proces. Mijn grootmoeder stierf toen ik dertien was en zij was heel belangrijk voor mij. In Brazilië is het geaccepteerd om gewelddadig te zijn en grappen te maken over zwarte mensen en vrouwen. Ik haat zulk gedrag en het was pijnlijk om te schrijven over het geweld dat ik als kind meemaakte. Tegen zwarte vrouwen zegt men vaak dat ze altijd sterk moeten zijn, dat ze van nature strijders zijn. Maar we moeten wel sterk zijn, omdat de maatschappij zo gewelddadig is en we daar elke dag mee moeten omgaan. Ik heb dat idee van mezelf als sterke vrouw lang geïnternaliseerd, zeker toen ik begin twintig was en mijn beide ouders stierven. Het was heel confronterend om erachter te komen dat ik eigenlijk helemaal niet van nature sterk ben, maar op veel momenten juist een luisterend oor nodig had. Het is belangrijk om te begrijpen dat we weliswaar niet onderdrukt willen worden, maar dat we ook geen godinnen of strijders zijn. We willen gewoon menselijk zijn, inclusief alle bijbehorende tegenstrijdigheden.’

‘Eurocentrisme moet ook in het feminisme worden aangepakt’

Ribeiro behaalde haar master filosofie met een specialisatie in het werk van Simone de Beauvoir en Judith Butler. Als lid van de Simone de Beauvoir Society kon ze naar internationale seminars. Teruggekeerd voelde ze zich empowered om ook de Braziliaanse situatie onder ogen te zien. ‘In Brazilië zijn we epistemisch afhankelijk van het noorden. We bestuderen het werk van Europese witte mannen. De Beauvoir was mijn eerste inspiratie, maar als Afro-Braziliaanse feminist bestudeer ik ook het werk van zwarte Latijns-Amerikaanse vrouwen. Eurocentrisme moet ook in het feminisme worden aangepakt. Het lijkt soms of zwarte vrouwen onzichtbaar zijn.’

Ribeiro publiceert daarom andere auteurs en refereert zo veel mogelijk aan hen in haar eigen werk. ‘Mensen moeten bijvoorbeeld Lélia Gonzalez leren kennen en weten wat vrouwen in the global south denken. Bovendien wil ik laten blijken dat mijn werk niet begint of eindigt bij mij, maar ingebed is in het werk van al die andere mensen die ik uit de onzichtbaarheid wil tillen.’

Ze was al succesvol, zeker binnen eigen kringen, maar merkte dat er pas echt veel deuren open gingen na haar huldiging voor een van de Prins Claus Prijzen in 2019. Dat is voor haar niet ongemakkelijk, zegt ze lachend. ‘Niet voor mij, maar misschien kunnen Brazilianen zich afvragen waarom ze pas naar mij begonnen te luisteren toen ik Europese erkenning kreeg. Misschien voelen zij zich wel ongemakkelijk.’

Ribeiro komt uit een familie van antiracisme-activisten. Haar ouders vonden het vanzelfsprekend dat ook zij zou opstaan voor waar ze in gelooft, maar in de buitenwereld was dat anders. ‘In Brazilië heerst het idee dat er hier geen racisme is, dat dat alleen bestaat in de Verenigde Staten of Zuid-Afrika. Men vraagt zich af waarom je een niet-bestaand probleem zou willen oplossen, dus mijn broers en ik groeiden op in een samenleving die racisme ontkende, terwijl we het dagelijks op school meemaakten. Ik voelde me eenzaam, een buitenlander in mijn eigen land.’

Nu is ze een gevierd bestsellerauteur met meer dan een miljoen volgers op Instagram, maar de eenzaamheid is niet helemaal verdwenen. ‘Als ik om me heen kijk zie ik weinig vrouwen zoals ik. Ik weet dat ik een uitzondering ben en ik vecht ervoor om dat niet meer te zijn. Het is een zware verantwoordelijkheid om de eerste en de enige te zijn. Het helpt dat vrouwen meer kansen hebben gekregen. Ik kom vaker op plaatsen met mensen die op mij lijken en die nieuwe bestaansmogelijkheden proberen te creëren. De eerste keer dat ik in een bibliotheek was met veel boeken van zwarte vrouwen ging een nieuwe wereld voor me open. Vanaf toen wist ik pas dat ik een zwarte feministe zou worden. Ik las The Bluest Eye van Toni Morrison en dacht: mijn god, dit is een verhaal waarin ik mezelf kan zien. Mijn hele leven wilde ik mezelf al ergens in herkennen, en de zwarte schrijfsters hebben mijn leven gered omdat ik niet alleen mezelf zag, maar ook de wereld vanuit een ander perspectief.’