Nieuwe minister moet gekwetste reputatie oppoetsen

Het lijstje van Condoleezza Rice

De nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice moet de gekwetste reputatie van Amerika oppoetsen. Niet iedereen heeft er vertrouwen in, ook niet onder haar partijgenoten.

WASHINGTON – «Colin Powell is als minister van Buitenlandse Zaken een mislukking gebleken.» De vermaarde neoconservatieve buitenlandspecialist Eliot Cohen, docent aan de School voor Internationale Betrekkingen van de Hopkins Universiteit, is er duidelijk over. «De reputatie van de VS is er in de afgelopen vier jaar aanzienlijk op achteruit gegaan. En wie was de man die ons beleid had moeten uitleggen?»

Cohen, net als Paul Wolfowitz al jarenlang lid van de «commissie voor de bevrijding van Irak», legde eerder in The Wall Street Journal uit waar het bij Powell aan had ontbroken: sterke retoriek. Powell was slecht in het gebruik van het belangrijkste wapen dat een minister van Buitenlandse Zaken tot zijn beschikking heeft: de Engelse taal. Cohen vraagt zich af of iemand zich ook maar één memorabele zin of rede van Powell weet te herinneren die de kracht had andersdenkenden te overtuigen van de Amerikaanse positie.

Ook de conservatieve columnist William Safire is niet onder de indruk van Powells verbale gave. Safire schreef dat hij de minister al die jaren «grammaticaal op het juiste pad probeerde te houden», maar dat de zinnen waarmee Powell afscheid nam opnieuw zo hopeloos slecht in elkaar zaten dat hij tot de conclusie is gekomen dat de man «onverbeterlijk» is.

Het moet gezegd: hoe prudent en sympathiek Europese ministers en regeringsleiders hem ook vinden, Colin Powell heeft niet de gave van het woord. Het tijdschrift Foreign Policy plaatste in zijn recentste nummer een artikel onder Powells naam, waarin de minister op opvallend onduidelijke manier probeert uit te leggen dat ontwikkelings samenwerking geen «softe» beleidsdoelstelling is maar een kwestie van nationale veiligheid. Het kost meer moeite het einde te halen van dit we-doen-goede-dingen-voor-de-mensen-artikel dan om een ambtelijke nota te lezen over de ruimtelijke ordening in Noord-Brabant. Is dit de grote Powell waar Europa mokkend en huilend afscheid van neemt?

Ook een ambtenaar op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken geeft een ambivalent beeld van zijn voormalige leider: «Powell was een geweldige leider, zonder twijfel. Maar het kan toch nooit de bedoeling zijn geweest dat Europese leiders nog enkele weken voor de invasie van Irak dachten dat het mogelijk was af- of uitstel te regelen? Terwijl de beslissing voor die oorlog al lang was genomen. Natuurlijk, je kunt dit aan de naïviteit van de Europeanen wijten. Je kunt ook zeggen dat de boodschapper niet duidelijk is geweest over de intenties van de Amerikaanse regering.»

Vandaar dat in Amerika pers en politici niet raar opkeken toen president Bush in een vraaggesprek met The Washington Post van zondag 16 januari duidelijk maakte dat hij Condoleezza Rice op het ministerie wilde «om onze motieven en bedoelingen uit te leggen». In hetzelfde interview zei hij: «Zonder twijfel zullen we beter ons best moeten doen duidelijk te maken waar Amerika voor staat.»

Ook Rice verklaarde tegenover de senaatscommissie Buitenlandse Zaken dat «de tijd voor diplomatie nu is aangebroken» en dat de «Amerikaanse interactie met de wereld een conversatie moet zijn, geen monoloog». Hoe ze dacht de gekwetste reputatie van Amerika op te poetsen? Onder meer «door meer te reizen dan mijn voorganger».

Hoe Powell over deze woorden denkt, doet er niet meer toe. Wél wat de functionarissen op het ministerie ervan vinden: voelen zij zich geschoffeerd door de uitspraken van Bush en Rice? Zien zij uit naar de komst van een ijzeren dame die, enigszins beledigd, belooft de diplomatie «nieuw» leven in te blazen?

Een ambtenaar op Buitenlandse Zaken, die ondanks de taal en het kleine verspreidings gebied van De Groene Amsterdammer anoniem wil blijven, bevestigt het beeld dat bij Europese diplomaten in Washington bestaat. Dat de woorden noch de persoonlijkheid van Rice de ambtenaren op het ministerie momenteel iets kunnen bommen. «Natuurlijk kun je de opmerkingen van Bush en Rice opvatten als een diskwalificatie van Powell. Maar daar is niemand hier echt mee bezig. Wij verheugen ons vooral op de nieuwe rol die het State Department zal spelen. In de afgelopen vier jaar was er een sterke nationale veiligheidsraad, omdat Rice toegang had tot de president. En ook Rumsfeld en Wolfowitz bemoeiden zich driftig met het beleid. Die kakofonie is nu verstomd: zolang de oorlog in Irak dagelijks miljoenen kost is Rumsfeld in het defensief. De nationale veiligheidsraad wordt inmiddels geleid door de grijze muis Hadley, de voormalige rechterhand van Rice. En Wolfowitz belt koortsachtig naar Irak. Dus Rice, nog altijd bij het oor van de president, kan de lijnen uitzetten.»

Waarlangs die lijnen lopen, blijft vooralsnog onduidelijk. Tegenover de senaatscommissie die haar de afgelopen week aan de tand voelde, bevestigde Rice dat de regering-Bush nog altijd geen exit-strategie voor Irak heeft. Uit haar vage en vaak ontwijkende antwoorden bleek dat óf alles geheim is, óf dat er überhaupt weinig concrete plannen circuleren in het Witte Huis. Dit tot grote ergernis van de eloquente senator Joseph Biden, die zich van alle Democratische politici het meest intensief met het buitenlandbeleid bemoeit. «Ik moet u vertellen», zei hij aan het slot van de tweede dag van de hoorzittingen, «dat ik er voor de eerste keer in de afgelopen vier jaar serieus mijn twijfels over heb dat u de uit dagingen van de toekomst aankunt. Ik twijfel omdat u het óf niet aan ons wilt zeggen, óf omdat de president nog niets heeft besloten, óf omdat u daar geen van allen een plan hebt!»

Op een opvallend paternalistische toon zei Biden al eerder in de ondervraging: «Kom op! Ik stel u niet een ingewikkelde vraag! Ik maak het u niet onnodig lastig, ik vraag gewoon: wat is het plan? Dat is een normale vraag, geen strikvraag, gewoon de meest voor de hand liggende vraag die ik u kan stellen in een sessie ter beëdiging. En wat doet u? U komt met niets. He-le-maal niets!»

Ook de inaugurele rede van George Bush zelf concretiseert weinig. Toch heeft die de realisten onder de kenners van het buitenlandbeleid moed gegeven. Want hoewel de president niet één keer het woord «Iraq» noemt en wel 49 keer de woorden «freedom», «free» en «liberty», zegt hij ook dat de wereldwijde verspreiding van de democratie het eigen belang van Amerika is.

Natuurlijk, Bush deed met deze speech een poging in de voetsporen te treden van grote presidenten, zoals John F. Kennedy, die in 1961 plechtig verkondigde dat Amerika bereid diende te zijn «elke prijs te betalen, elke last te dragen, elke tegenslag te weerstaan, iedere vriend bij te staan en iedere vijand te bestrijden om het voortbestaan en het succes van de vrijheid te verzekeren». Maar tegelijk meenden Wilson, Reagan en Kennedy dat Amerika tirannie moest bestrijden om wille van de deugdzaamheid van die daad, uit trouw aan de eigen waarden. Bush wil tirannie bestrijden, zo blijkt uit zijn rede, omdat Amerika nooit veilig zal zijn zolang er elders tirannen bestaan.

Voor sommige bekende en invloedrijke Republikeinen is de poging realistische conservatieven en idealistische neoconservatieven te herenigen te mager. Tucker Carlson, de Republikein van het veel bekeken CNN-programma Crossfire, verzuchtte teleurgesteld: «Met de notie dat tirannie, waar dan ook, vrijheid, waar dan ook, in gevaar brengt, heeft de president definitief het perverse idee van de totale wereldwijde afhankelijkheid omarmd.» En dat terwijl Bush vier jaar geleden nog zijn opponent Gore belachelijk maakte, omdat die het buitenlandbeleid zou zien als «social work».

Vader Bush moest er enkele dagen later aan te pas komen om te verklaren dat dit niet betekent dat er nieuwe oorlogszuchtige plannen bestaan in het Witte Huis. «Mijn zoons speech ging niet over oorlog, maar over vrijheid», zei hij ter geruststelling.

Anders dan Carlson is de uitgesproken realist John Hulsman voorzichtig tevreden met de speech. «De neoconservatieven blazen eindelijk de aftocht, dat is wel duidelijk.» Hulsman is expert internationale betrekkingen bij de rechtse Heritage Foundation, een denktank die onder Bush I aanzienlijk meer invloed genoot dan onder Bush II. Hulsman heeft zich de afgelopen jaren groen en geel geërgerd aan de ideeën van beleidsmakers en adviseurs als Paul Wolfowitz, Richard Perle en Eliot Cohen. «Wilsonianism on steroids» noemde hij hun ideeën.

«Laten we nu eindelijk de anarchistische natuur van onze wereld inzien en het strikte nationale belang weer tot uitgangspunt maken van beleid. En zien te voorkomen dat we opnieuw de verkeerde lessen trekken uit de geschiedenis, bij het conceptualiseren van de toekomst. Gelukkig is het de neoconservatieven duidelijk geworden hoe moeilijk nation building is. Natuurlijk hadden ze dat al lang kunnen weten door Haïti, Somalië, Bosnië, Kosovo, enzovoort, maar kennelijk hadden zij daarvoor de ellende in Irak nodig. Jij mag mijn denktank rechts noemen, geen probleem, maar ik heb een portret van Jefferson hier in mijn kamer; ik wil dus alles behalve een imperia list zijn. Om dat te voorkomen moet je onderdrukte burgers aandeelhouders maken in jouw bevrijdingsacties. Door de weerbarstigheid van de werkelijkheid zal er in de tweede termijn van Bush eindelijk een fusie mogelijk zijn tussen neoconservatieven en conservatieven, tussen idealisten en realisten. Mijn pessimisme maakt me dus eigenlijk optimistisch.»

Hulsman wijst erop dat het door Rice genoemde lijstje «outposts of tyranny» kort is: Wit-Rusland, Birma, Cuba, Iran, Noord-Korea en Zimbabwe. «Alleen landen waar Amerika zich geen enkele buil aan kan vallen.» Hulsman rekent voor: «Saoedi-Arabië kan er niet op vanwege de olie. Oezbekistan en Pakistan zijn trouwe bondgenoten in de oorlog tegen het terrorisme. De autoritaire regimes van Egypte en Jordanië bieden meer uitzicht op een oplossing in het Palestijnse vraagstuk dan hun bevolking. En ga zo maar door.»

Dat doen we. Hulsman zou ook Kazachstan kunnen noemen, waar uranium wordt gevonden. Of China, dat goedkope goederen levert en tegelijk de schuld van Amerika financiert. De lijst is lang. Freedom House, een in Washington gevestigd onafhankelijk instituut dat politieke trends in de wereld in kaart probeert te brengen, telde in het afgelopen jaar 54 «gedeeltelijk onvrije landen» en noemde 49 landen gewoonweg onvrij. Het instituut noemde Turkmenistan bijvoorbeeld als een van de tien meest onvrije landen. Maar daar zit veel gas onder de grond.

Ivo Daalder, kenner van de Amerikaanse buitenlandse politiek, vatte het meest stringente probleem van de Bush-doctrine mooi samen toen hij zich tegenover persbureau Knight Ridder afvroeg: «Als vrouwen in Saoedi-Arabië plotseling besluiten in de auto te stappen en daarmee dus in aanvaring komen met hun conservatieve regering, zijn wij dan bereid de 82ste Airborne Division te sturen?»