Het linkse antwoord op Houellebecq

Wie maar lang genoeg als economisch of cultureel uitschot wordt behandeld gaat zich na verloop van tijd automatisch als uitschot gedragen. Édouard Louis – de hoopgevende uitzondering op de regel – verbeeldt dit grandioos.

Piepjong is hij, Édouard Louis, socioloog en auteur van twee romans, piepjong en uiterst getalenteerd. Twintig was hij toen hij in 2012 debuteerde met En finir avec Eddy Bellegueule (Weg met Eddy Bellegueule), een zelfvervloeking die hij meteen ook in praktijk bracht: Eddy was een van die Amerikaans klinkende namen waarmee vooral ouders uit de Franse onderklasse hun kinderen van een stoer image wilden voorzien, ‘Bellegueule’ betekent ‘mooie smoel’, van beide namen wilde hij afstand nemen. Toch, zegt hij, is het boek geen wraak op zijn familie, wel op de wereld zoals die is. En van die wereld geeft hij een onthutsend beeld, ook en vooral in zijn zojuist vertaalde tweede roman, Geschiedenis van geweld. Laat ik het maar ronduit zeggen: ik geloof niet dat ik van een zo jonge schrijver ooit zo’n goed boek gelezen heb.

Beide boeken zijn autobiografisch. De auteur treedt er onder eigen naam in op, net als alle overige personages. Er komt geen woord fictie aan te pas, verzekert hij zelf, alles is precies zo weergegeven als het was, zijn familie en zijn dorp van herkomst in Noord-Frankrijk, de armoede, de achterlijkheid, de criminaliteit, de alledaagse agressie – er is geen woord aan verzonnen. Dat klinkt naïef, de door de wol geverfde lezer weet dat ‘echt gebeurd’ geen excuus is. Maar Édouard Louis is allesbehalve naïef. Toen hij op zijn zes- of zeventiende de literatuur ontdekte, begon hij ‘als een waanzinnige’ te lezen: Thomas Bernhard, William Faulkner, Elfriede Jelinek, Marguerite Duras, Claude Simon, Hannah Arendt, Marcel Proust. En van zijn eerste boek heeft hij wel tien of twintig versies geschreven voor het er allemaal stond zoals het moest. Tussen ‘echt gebeurd’ en ‘literair vertaald’ bestaat kennelijk geen directe verbinding, uiteindelijk komt alles neer op stijl en compositie.

Medium louis edouard  c  john foley  agence opale
Édouard Louis – geen woord fictie © John Foley / De Bezige Bij

Maar het zijn wel degelijk romans, die twee boeken, geen literair vermomde sociologische studies, al zouden sociologen en politicologen met instinct voor het alledaagse er rijkelijk uit kunnen putten. Op algemeenheid afstevenende begrippen of theoretische constructies komen er niet aan te pas, bij Louis is alles zo concreet en specifiek als het maar zijn kan, te beginnen bij de taal. De taal waarin hier wordt gesproken, gedacht, verteld is een verminkte taal, ze getuigt zonder omhaal van vooroordelen en verwondingen, uitsluiting en minachting, ja van een lange en bittere geschiedenis van geweld, waar ‘wij’, buitenstaanders, verwende lezers, nauwelijks of geen weet van hebben. Édouard Louis maakte deel uit van die gewelddadige gemeenschap, als homoseksueel vooral als slachtoffer. En hij wist dat hij daar alleen door scholing aan kon ontsnappen. Zijn grote voorbeeld, tevens de man aan wie zijn debuutroman is opgedragen: Didier Eribon.

Eribon (1953) is net als Louis afkomstig uit een arbeidersmilieu in het grauwe noordoosten van het land. In Frankrijk is zo’n afkomst nog vrijwel altijd een garantie voor een levenslang bestaan in armoede en uitzichtloosheid, maar niet voor Eribon. Via de universiteit en de journalistiek werkte hij zich op tot een vooraanstaand politiek socioloog, vooral geïnteresseerd in homoseksualiteit, schreef onder veel meer een biografie over Foucault, volgens Le Monde ook de beste, en een ‘non-fictieroman’ over zijn kindertijd in Reims, Retour à Reims (2009), in ons land (nog?) niet vertaald, in Duitsland recentelijk een groot succes. Daarin zoekt hij een verklaring voor de politieke aardverschuiving in zijn thuisland: van overwegend communistisch naar rechts-extremistisch. Bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in april stemde hijzelf, hoewel ‘natuurlijk’ pro-Europa, op Jean-Luc Mélenchon, de kandidaat van radicaal-links, bij de tweede ronde bleef hij thuis: ‘Wie op Macron stemt, stemt op Le Pen.’ Zo ver ging zijn intellectuele en literaire adept Édouard Louis niet, hij stemde in eerste instantie op de socialist Benoît Hamon, net als Thomas Piketty (de tweede instantie is me niet bekend). Maar zijn afkeer van Macron is er niet minder om. ‘Macron is de ster van de populaire tijdschriften (…), deel van de nationale stemming waarin xenofobie en homofobie net zo normaal worden als vrouwvijandigheid en populisme, een stemming waarin iemand als Michel Houellebecq maar een grof islamofoob boek hoeft te schrijven of hij staat al op alle titelpagina’s.’

De boeken van Louis zijn het linkse antwoord op Houellebecq. Louis wentelt zich niet behaaglijk in diens kennelijk aanstekelijke apocalyptische cynisme, maar laat zien waar die stemming vandaan komt, namelijk van een oerconservatief land dat, alle revolutionaire retoriek ten spijt, nog alle trekken vertoont van een centralistische, autoritaire klassenmaatschappij waarin de termen ‘elite’ en ‘volk’ nog ongeveer dezelfde lading hebben als in de stormachtige dagen van Rousseau en de revanchistische van Robespierre. Let wel: ook Macron, neoliberaal in hart en nieren, publiceerde zijn ‘combat pour la France’ recentelijk onder de titel Révolution en sprak daarbij niet van mijn maar van onze strijd.

‘Aan mijn kinderjaren bewaar ik geen enkele goede herinnering.’ Een understatement van jewelste

‘Aan mijn kinderjaren bewaar ik geen enkele goede herinnering.’ Met die laconieke constatering opent Weg met Eddy Bellegueule, het in chronologische brokstukken vertelde levensverhaal van Louis tot ongeveer zijn zestiende, het jaar van zijn vlucht uit het Picardische gruweldorp. Die beginzin blijkt een understatement van jewelste: de dorpsbewoners vormen, materieel en anderszins, een eigentijdse versie van het oude lompenproletariaat, iedereen is straatarm, werkloos, racistisch, wantrouwend en altijd grofgebekt. Van zoiets als klassensolidariteit is geen sprake, laat staan van onderling medeleven. Eddy weet niet beter dan dat hij het mikpunt is van spot en geweld. Zijn ouders noemen hem ‘grietje’ of ‘geraamte’, een oudere broer noemt hem, omdat hij zoveel huilt, ‘fontein’. Door de jongens op school wordt hij voor ‘nicht’ of ‘pedo’ uitgescholden en dagelijks gekleineerd en mishandeld; tot fysiek weerwerk is hij niet in staat.

En juist dat is wat zijn vader zo irriteert. Eddy zou zich als een ‘vechtersbaas’ moeten gedragen, erop los slaan zoals de andere jongens en zoals hijzelf als hij dronken is of iets hem niet bevalt. Maar dat is onmogelijk. Eddy weet dat hij al vanaf zijn geboorte in de greep is van een onbekende kracht die hem ‘de gevangene van zijn eigen lichaam’ maakt. Zijn stem was scheller dan die van de andere jongens en ‘kreeg spontaan vrouwelijke intonaties’, telkens als hij het woord nam bewogen zijn ‘handen koortsachtig alle kanten op, kromden zich en wapperden door de lucht’, en ook zijn manier van lopen, ‘dat overduidelijke, te overduidelijke heupwiegen’, hij kon het niet helpen. Al vroeg had hij, kortom, de viriele dromen van zijn vader verstoord, hoezeer hij ook zijn best deed ‘normaal’ te zijn en zijn meisjesachtige gedrag ‘te overwinnen’. Dat alles vergrootte de wederzijdse angst, de machteloze angst van Eddy voor zijn vader en van zijn vader voor ‘het monster dat hij had geschapen en dat elke dag zijn abnormaliteit iets meer bevestigde’.

‘Nog geen tien jaar’ is Eddy als hij door een oudere neef wordt verkracht, een ervaring die zijn hulpeloosheid verergert, zeker als hij op een dag in flagranti wordt betrapt door zijn moeder en even later, diep beschaamd, wordt afgetuigd door zijn vader. Hij moet per se over het voorval zwijgen, elke verbale verwijzing zou in zekere zin een herhaling en verheviging van de schande en de schaamte zijn. Maar het zwijgen biedt niet de verhoopte bescherming, iedereen weet het en de vernederingen op school worden alleen maar sadistischer. Nog twee keer doet Eddy een poging via meisjes van zijn homoseksualiteit te genezen, vergeefs uiteraard, hij walgt van zichzelf en de hele wereld. Totdat hij, inmiddels op de vierde klas, met succes auditie doet voor de toneelklas van het lyceum in Amiens, de stad waar Eribon als hoogleraar filosofie en sociale wetenschappen werkzaam is.

Geschiedenis van geweld is ambitieuzer en complexer dan Weg met Eddy Bellegueule. Ditmaal is er één dramatische gebeurtenis – een aanslag, een poging tot wurging, een verkrachting, een diefstal – waarvan het slachtoffer, Édouard, de precieze toedracht, de voor- en nageschiedenis, de psychologische en politieke implicaties probeert te begrijpen. Plaats van handeling: Parijs, waarheen hij vier jaar eerder is verhuisd. De dader: Reda, zoon van een gefrustreerde Algerijnse emigrant. De emotionele verwarring die het slachtoffer treft, zit ook, veel meer dan in Weg met Eddy Bellegueule, in de tastende, weifelende, ongrammaticale en platte taal van het boek, in de verschillende, in elkaar schuivende versies van de gebeurtenis.

De belangrijkste stem, ‘waar altijd een mengsel van woede, wrok en ironie in doorklinkt’, is die van Édouards zus, die het verhaal van haar broer aan haar man vertelt, vervormd uiteraard, terwijl Édouard verborgen achter een deur staat te luisteren en (voor de lezer) becommentarieert. Hij heeft Reda op kerstnacht meegenomen naar zijn kamer, waar ze de liefde bedreven en het geweld heeft plaatsgevonden. Maar hoewel zwaar aangeslagen heeft hij, als hij Reda’s geschiedenis broksgewijs hoort, ook met hem te doen. Reda’s vader had geleefd ‘met het droombeeld van vertrekken, van vluchten’, naar een plek ‘waar hij geen vrienden, geen familie, geen verleden had’, net als hijzelf toen hij naar de stad vertrok, sindsdien weet hij ‘dat naïviteit een voorwaarde is om te vluchten’. Maar niet voor een gelukkig leven, zoals blijkt uit zijn verdere verhaal en zoals Édouard ook aan den lijve zal ervaren. Hij weet: ‘Haat heeft geen behoefte aan specifieke individuen om te bestaan maar uitsluitend aan haarden om op te laaien.’ Moet hij de raad van zijn vrienden opvolgen en aangifte doen bij de politie, waarvan hij weet dat die vergeven is van een ‘dwangmatig racisme’?

De kracht van beide boeken zit uiteindelijk in de houding van de auteur. Hoewel in verschillende opzichten het slachtoffer van ellendige omstandigheden is zijn toon nooit larmoyant of sentimenteel, en zelfs niet beschuldigend. Hoe jong Édouard Louis ook is, hij is al scherpzinnig genoeg om te begrijpen dat zijn vader en al die andere dorpsgenoten evengoed als Reda’s vader en Reda zelf, elk op hun manier, ook in hoge mate slachtoffer van de omstandigheden zijn. Subtiel en klinisch illustreert hij de stelling dat wie maar lang genoeg als economisch of cultureel uitschot wordt behandeld zich na verloop van tijd automatisch als uitschot gaat gedragen. Hijzelf – en daaraan danken we deze moedige boeken – is de hoopgevende uitzondering op de regel.