Het literaire leven in Iran

Het literaire leven in Iran

Iraniërs staan bekend als poëzieliefhebbers en verhalenvertellers. Maar wie in het buitenland kent Ahmad Shamlu of Hushang Golshiri? Ronald Bos en Nafiss Nia spraken met uitgevers, schrijvers en dichters, en luisterden in het land.

TEHERAN – Op vrijdagmiddag 26 november is het zonnig maar koud in Teheran. Voor de privé-bioscoop van het vroegere paleis Niyavaran, in een prachtig park in het noorden van de stad, rijden auto’s af en aan. Dit moderne paleis werd in de jaren vijftig door de sjah gebouwd en is nu een cultureel centrum. Mensen stappen uit, begroeten elkaar en lopen naar de binnenplaats voor de ingang, waar zich groepjes pratende mensen vormen. Met name aan de modieuze kleding en de charmante hoofddoekjes van de vrouwen is te zien dat dit geen doorsnee publiek is. Onder een boom worden op een tafel boeken uitgestald. In de bioscoop draait deze middag geen film, maar er vindt de jaarlijkse uitreiking plaats van de Golshiri-prijs voor literaire verhalen en romans, en het publiek bestaat voornamelijk uit schrijvers, uitgevers en journalisten.

Als de zaal is volgestroomd, neemt Farzaneh Taheri het woord en stelt alle juryleden voor, van wie foto’s op het bioscoopscherm worden geprojec teerd. Farzaneh Taheri is vertaalster en echtgenote van de in 2000 overleden schrijver Hushang Golshiri, die in binnen- en buitenland bekendheid en respect genoot, ondanks – of misschien dankzij – zijn tegendraadse werk. Hij experimenteerde met de vorm, schreef verhalen en romans in een stream of consciousness en stimuleerde jonge schrijvers door het oprichten van het tijdschrift Karnameh, dat nog steeds verschijnt. Na zijn te vroege dood – hij stierf aan kanker – werd de Golshiri-stichting opgericht, die deze literaire prijzen uitdeelt. Het was een oude wens van Golshiri, die vond dat er te weinig aandacht was voor zijn favoriete genre, het korte literaire verhaal.

Het is dit jaar de vierde keer dat de prijzen worden uitgereikt en na de opening door Taheri worden de genomineerden gepresenteerd in een kort filmpje waarin zij een fragment uit hun werk voorlezen. Een van de genomineerde boeken is van Shahrnush Parsipur. Zij woont tijdelijk in Amerika. Parsipur heeft een paar klassiek geworden boeken geschreven, maar zij heeft na een jarenlang verblijf in de gevangenis – zonder aanklacht en zonder veroordeling – haar vaderland verlaten. Van haar wordt alleen een foto getoond en per telefoon leest zij een fragment voor.

De prijzen worden uitgereikt door bekende publicisten, schrijvers en dichters, onder anderen de populaire éminence grise van de Perzische literatuur Mohammad Dolatabadi. Hij leest een fragment voor uit zijn laatste roman Soluk, die hij uit de competitie heeft terugtrokken omdat hij in het bestuur van de Golshiri-stichting zit. Dolatabadi (1940) is bekend geworden door zijn roman Klidar, die nog steeds veel wordt gelezen. Deze epische roman over het leven van nomaden in Chorassan (een provincie in het noordoosten van Iran) leverde hem een nominatie voor de Nobelprijs op. Als we hem even later spreken, zegt hij wat ironisch: «Ik heb geen tijd om me te verdiepen in de huidige schrijvers en wat ze schrijven, want ik wil het liefst mijn tijd besteden aan het bestuderen van klassieke boeken. Soms word ik uitgenodigd om een prijs aan een schrijver uit te reiken, en dat doe ik. Het is een maatschappelijke plicht. Maar vaak ken ik het boek en de schrijver niet eens. Wat ik voorlas tijdens de Golshiri-prijsuitreiking was een stukje uit Soluk, over de man die zijn idealen aan zich voorbij ziet trekken en in elkaar storten.» Later zien we hem nog terug tijdens de uitreiking van een andere literaire prijs.

In Teheran is deze week ook de Boekenweek, die is georganiseerd door Wezarat-e Farhang va Ershad-e Eslami, het ministerie van Islamitische Cultuur en Leiding. Maar liefst 55 schrijvers krijgen een prijs. De openingsplechtigheid in de bioscoopzaal van het ministerie van Cultuur wordt verricht in aan wezigheid van staatssecretaris van Cultuur Shobaei. Het publiek is een ander dan in de bioscoop van Niyavaran. Hier zijn meer ambtenaren van het ministerie aanwezig en de journalisten die wij spreken, werken in opdracht van het ministerie. De hele week zullen er manifestaties plaatsvinden in het Boekhuis en het Huis voor de Kunstenaars, maar als we op bezoek willen gaan bij een bijeenkomst over boek recensies, is het programma omgegooid. We bezoeken dan een boekenmarkt aan de rand van het Lalehpark, waar tegen gereduceerde prijzen boeken kunnen worden gekocht. Helaas is er onder de uitgestalde boeken, vooral kinderboeken, niet één dat onze aandacht kan vasthouden. Volgens de uitgevers is deze Boekenweek onzin, een show. Een hopeloze poging van het ministerie van Cultuur om het volk bij de literatuur te betrekken. Aan het eind van de week krijgt de beste bibliothecaris een prijs uit handen van president Khatami. Dat de beste bibliothecaris een prijs krijgt is niet zo verwonderlijk, want in Iran hebben de schrijvers en uitgevers een groot probleem: het publiek leest te weinig. De oplages van boeken in dit land met zo’n zestig miljoen inwoners zijn verhoudingsgewijs laag. Een oplage van tweeduizend exemplaren is geen uitzondering. Schrijvers in Iran kunnen niet van hun werk leven. Ook al niet omdat er in Iran geen optredens van schrijvers worden georganiseerd. Niet in het openbaar, maar ook niet op scholen en culturele instellingen. Hooguit treden schrijvers voor elkaar op, op kleine besloten bijeenkomsten. Ook krijgen schrijvers geen ondersteuning van de staat.

In de dagelijkse praktijk van het boekenleven zijn er zevenduizend uitgevers die via tweeduizend boek winkels ruim dertigduizend publicaties per jaar aan het publiek presenteren. Maar van die uitgevers zijn er maar een paar honderd actief, de rest bestaat alleen op papier. Onder de uitgevers van literair werk zijn een paar grote, maar vooral heel veel kleine. Een van de kleine uitgevers is Nashr-e Dashtestan van Foruz Azarfar. We zoeken haar op in het noorden van Teheran. De rit per taxi duurt door de dagelijks terugkerende verkeersopstoppingen drieëneenhalf uur. We vragen de chauffeur of hij aan lezen toekomt en hij vertelt dat hij regelmatig voor de deur op zijn klanten moet wachten en dan leest hij een boek. Hij heeft Klidar van Dolatabadi gelezen en hij noemt een paar andere bekende auteurs. Door zijn negentienjarige dochter leest hij ook moderne poëzie, maar hij leest het liefst de klassieke poëzie van Hafez en Omar Khayyam. Hij draagt een stukje Hafez voor: «Als de beweging van de aarde niet is zoals je graag wilt, maak je geen zorgen, zo blijft het niet altijd.» Het is donker als we Azarfar bereiken. Zij is een vrouw van middelbare leeftijd en maakt een energieke indruk. Foruz Azarfar deelt haar chique kantoor met haar man, die advocaat is. Na haar studie in Engeland kwam ze terug in Iran, en door haar gezin met kinderen kwam ze niet toe aan iets anders dan vertalingen van juridische boeken. Nadat haar kinderen de deur uit waren, begon ze in 1998 uit liefde voor de literatuur een kleine uitgeverij. Ze publiceert ongeveer zeven boeken per jaar, maar de laatste zes maanden is er geen boek verschenen door de heersende papierschaarste. Uitgevers in Iran krijgen geen steun van de overheid; behalve een korting op papier en publicaties moeten ze alles zelf financieren. Over de oorzaak van de heersende papierschaarste kunnen we alleen maar speculeren. De een denkt dat het probleem financieel is, de ander vermoedt een politieke achtergrond.

We vragen Azarfar nog over het boekje met Nederlandse verhalen dat ze vorig jaar heeft uitgegeven. Een primeur voor Iran! Van de in Nederland wonende Iraanse schrijver Nasim Khaksar kreeg ze een voorstel voor deze uitgave met verhalen van onder anderen Harry Mulisch, Hugo Claus, Marion Bloem en Willem van Toorn. Ze heeft het boek uitgegeven zonder contact met de schrijvers of uitgevers. Maar dat is niets nieuws in Iran, dat de Conventie van Bern over de copyrights niet heeft ondertekend.

Foruz Azarfar is verder een centrale figuur in de beroepsvereniging van vrouwelijke Iraanse uitgevers, die in 1987 is begonnen en in 1991 officieel werd met de ondertekening door veertig uitgevers. Deze vrouwelijke uitgevers willen elkaar ondersteunen. Bijvoorbeeld bij de distributie van boeken, die een typische mannen aangelegenheid is.

Ahmad Ramezani is directeur van Nashr-e Markaz, een van de vijf grote uitgeverijen van Iran met een moderne boekhandel en een kantoor bij de Khiabane Fatemi, een brede avenue met zijstraten die naar klassieke dichters zijn genoemd. Ramezani geeft zo’n 160 boeken per jaar uit. Hij zegt dat hij nooit deelneemt aan seminars en bijeenkomsten, vooral als ze door de overheid worden georganiseerd. Ook gaat hij nooit naar prijsuitreikingen, evenals de meeste van schrijvers. «Ik heb er geen zin in. Ik wil een individuele en onafhankelijke uitgever zijn en de vrijheid hebben om te publiceren wat ik zelf goed vind. Al die bijeenkomsten vind ik onzin.»

Ramezani is ook de uitgever van de boeken van Zoya Pirzad, die op het ogenblik een van de best verkopende Iraanse schrijvers is. Zij heeft met haar roman De lichten zal ik uitdoen al verschillende prijzen in de wacht gesleept en er zijn al meer dan honderdduizend exemplaren verkocht in een half jaar tijd. De rechten voor haar boek zijn deze maand verkocht aan Duitsland.

De boeken van Pirzad gaan vooral over het hedendaagse Iran. De karakters in haar boek zijn geen intellectuelen en ook niet politiek actief, zoals in veel Iraanse romans. Pirzad wil ons ontmoeten en tijdens een gastvrije maaltijd wordt duidelijk dat zij geen interview wil, ze heeft nog nooit een interview gegeven. Ze wil niet in de publiciteit komen, met alle gevolgen van dien.

Een andere schrijver die Ramezani uitgeeft en die wél wil praten, is Shah riar Mandanipur. Hij woont in Shiraz, de stad van «poëzie en hartstocht», die negenhonderd kilometer ten zuiden van Teheran ligt, de stad waar de grote klassieke Perzische dichters Hafez en Saadi hebben geleefd en zijn gestorven. Mandanipur is niet alleen schrijver, maar ook hoofdredacteur van het kunsttijdschrift Asr e Panjshanbeh (Donderdagavond) waarin veel jong literair talent wordt gepubliceerd. Het maandblad heeft zeventig afleveringen achter de rug, maar het is volgens Mandanipur moeilijk een kunsttijdschrift uit te geven in een stad als Shiraz. Er waren veel problemen en die zijn er nog steeds, want in deze kleine stad is een strengere censuur. De kopij hoeven ze niet te laten lezen, maar ze weten dat ze in de gaten worden gehouden. De schrijvers moeten een soort zelfcensuur toepassen voor ze hun werk opsturen. Als een verhaal een politiek thema behandelt, is dat niet zo belangrijk; veel lastiger is een probleem met seks. Op het ministerie van Cultuur zijn ze ook meer gefocust op seks dan op politiek. Dit werk geeft hoofdredacteur Mandanipur vaak een slecht gevoel: «Het is alsof ik zelf de censor ben. Maar als ik dit tijdschrift wil uitgeven, moet ik de beste weg vinden. Het is een smalle weg. Dit soort tijdschriften zijn een soort licht in Iran, een soort vuurtoren. Om het schrijven en de taal levend te houden.»

In koffiehuis 7 zit een stel jonge Shirazi die ons de stad willen laten zien. De drie zijn rond de twintig en studeren toerisme aan de universiteit, maar afgezien van de beroemde dichter Ahmad Shamlu en de populaire en op jonge leeftijd overleden dichteres Forough Farrokhzad weten ze niet veel van de moderne literatuur. Ze lezen niet, behalve zo nu en dan een politieroman. Ze zijn, net als de jonge generatie in andere landen, meer geïnteresseerd in internet dan in literatuur.

Terug in Teheran worden we uitgenodigd voor het seminar Het uitzicht op het hedendaagse Perzische proza. Het vindt plaats in de grote conferentiezaal onder in hotel Simorgh in Khiabane Valiasr, de brede straat die de stad in oost en west verdeelt. ’s Morgens om negen uur druppelen de gasten langzaam binnen en nadat het licht een keer is uitgevallen houdt de organisator een inleiding. Op het tweedaagse programma staan vele lezingen, met onder anderen schrijvers uit Tadjiki stan en Afghanistan, opvallend genoeg is er geen vrouw bij. Onder het publiek zijn wel veel vrouwen, en hier en daar zien we een bekende uitgever. Na de eerste, dodelijk saaie lezing houden we het voor gezien.

De meest op het Westen georiënteerde uitgever in Iran is Amir Hosseinzadegan, directeur van Nashr-e Qooqnoos. Hij was in november ook te vinden op de Frankfurter Buchmesse met een fraaie en informatieve in het Engels geschreven brochure. Een uitzondering voor Iraanse uitgevers. De uitgeverij ligt vlak bij de Khiabane Engelab, de Straat van de Revolutie, een van de drukste winkelstraten in het centrum van Teheran, waar ook de universiteit is. Dit deel van de straat wordt ook wel de boekenstraat genoemd, omdat hier honderden kleine en grote boekwinkels naast elkaar zijn gevestigd. Ook de pas gestarte Academy Book Shop, waar voor het eerst sinds de revolutie van 1979 Engelstalige literatuur te vinden is, zij het alleen de klassieken. Qooqnoos, dat ook een boekwinkel bezit, heeft Hosseinzadegan in 1977 opgericht en nu is het met 130 titels per jaar een van de vijf grootste uitgeverijen. Veel literatuur, maar ook filosofie en geschiedenis. Volgens Hosseinzadegan hebben de meeste uitgevers problemen met de verkoop van boeken en dat komt doordat de Iraniërs weinig lezen. «De kern van het probleem is dat lezen geen traditie is in Iran. Iraniërs zijn meer verhalenvertellers. In de westerse landen worden aan kinderen boeken voorgelezen, maar in Iran vertellen de ouders bestaande of verzonnen verhalen. Bovendien zijn Iraniërs door de slechte economische situatie gedwongen meer dan één baan te hebben, waardoor ze gewoon geen tijd hebben om te lezen.» Daarbij komt dat lezen in Iran al jaren als politiek gevaarlijk wordt beschouwd, de mensen hebben geen prettige associaties bij het lezen. Veel van de meest belezen mensen kregen problemen met de achtereenvolgende regeringen van de sjahs en nu de mullahs. Hosseinzadegan vindt het riskant om met jonge en dus onbekende schrijvers te werken; dat zorgt voor kleine oplages. Hij geeft vooral de klassieken uit en bekende hedendaagse Perzische en buitenlandse literatuur.

Een van de bekendste Iraanse schrijvers die Hosseinzadegan publiceert is Fereshteh Sari. Vorig jaar is bij Qooqnoos haar laatste roman Parisa verschenen, maar zij is vooral bekend om haar poëzie. We gaan bij Sari op bezoek in haar sober ingerichte flat in het noorden van Teheran met uitzicht op de bergen. We vertellen haar over de inleider van het seminar en haar stem begint te trillen als ze zegt dat hij jarenlang censor voor het ministerie van Cultuur was en twee boeken van haar heeft geruïneerd. Uit de roman De geur van venkel moest een sleutelscène van dertig pagina’s verdwijnen. Het ging om de hoofdpersoon, een jonge vrouw die beschuldigd werd van overspel en veroordeeld werd tot steniging, maar zij wist aan haar straf te ontsnappen. Zelfs de ene zin die Sari ervoor in de plaats had bedacht, kon in zijn ogen geen genade vinden en het boek kon alleen gemankeerd verschijnen. Uit haar laatste boek Parisa moesten de passages verdwijnen die betrekking hadden op de studentenbeweging van de laatste jaren. Ook dit boek is daardoor onevenwichtig geworden. Sari vertelt dat «het eigenaardige van de Iraanse maatschappij is, dat het wel een dictatuur is, maar geen totalitaire staat». Daarom is er geen ondergrondse literatuur ontstaan en kunnen boeken van kritische schrijvers worden uitgegeven, zij het gecensureerd. Dat schrijvers besluiten hun boeken toch uit te geven, heeft er enerzijds mee te maken dat ze anders geboycot kunnen worden. Anderzijds is er na de revolutie bij intellectuelen een diepe teleurstelling ontstaan, die ze ervan weerhoudt om de strijd tegen de autoriteiten en de censor opnieuw aan te gaan.

Fereshteh Sari was jarenlang voorzitter van de Iraanse schrijversbond, die opgericht is als een vakbond om de rechten van schrijvers te verdedigen. Nu wordt de bond door de autoriteiten gezien als een verzetsgroep en sinds de verkiezingen vorig voorjaar mogen ze geen bijeenkomsten houden. Nu komen ze in kleine groepjes bij elkaar en schrijven soms persberichten over de vrijheid van meningsuiting. Sari is een van de nog actieve leden, maar lang niet alle schrijvers gaan naar de bijeenkomsten. Op dit moment overheerst volgens Sari apathie in de literaire wereld. Van de saamhorigheid die voor de revolutie heerste tegen het regime van de sjah is vrijwel niets overgebleven. De intellectuelen zijn nog altijd verbijsterd door het verlies van hun idealen, ze zijn de bijeenkomsten beu en meer individualistisch geworden. In de boeken van Sari speelt de politieke werkelijkheid nog een duidelijke rol, maar bij andere schrijvers verdwijnt die naar de achtergrond.

Volgens Hassan Kyaian van Nashr-e Cheshmeh is Fereshteh Sari de beste hedendaagse dichteres in Iran, maar hij is dan ook de uitgever van haar poëzie. We spreken hem in zijn drukke boekwinkel aan een tafeltje met een elektrisch theezetapparaat. Voortdurend wordt ons gesprek onderbroken door binnenwandelende bevriende schrijvers en kunstenaars die een praatje met Kyaian willen maken. «Boeken zijn altijd een belangrijk deel van mijn leven geweest», zegt Kyaian: «In 1984 ben ik begonnen met de uitgeverij en tot nu toe heb ik vijfhonderd titels uitgegeven, waarvan sommige tot dertig keer zijn herdrukt.» Kyaian is voorzitter van de Vereniging van Uitgevers en een van de voorstanders van het invoeren van copyright in Iran, maar hij vindt dat daarvoor een paar maatregelen moeten worden genomen. Het verschil tussen de waarde van het Iraanse en westerse geld moet worden overbrugd door de buitenlandse uitgevers, omdat het copyright de prijs van vertaalde boeken in Iran onbetaalbaar zou maken. Ter vergelijking: de prijs van de nieuwste dichtbundel van Fereshteh Sari is achthonderd toman en de nieuwste verhalenbundel van Mandanipur kost 2100 toman, dat is respectievelijk 0,80 en 2,10 euro. Het gemiddelde maandinkomen in Iran is tweehonderd euro.

Kyaian geeft literatuur, geschiedenis, filosofie en mythologie uit. Hij krijgt drie boeken per dag aangeboden en moet dus erg streng zijn. Hij introduceert veel nieuw poëzietalent. De laatste twee decennia zijn er veel ontwikkelingen op literair gebied, maar ze kunnen nooit worden doorgezet. «Er ontstaan veel juweeltjes, maar ze krijgen niet genoeg ruimte. Het is net als met de vrijheid hier. De politieke situatie in Iran overschaduwt alles. De meeste mensen zijn depressief en wanhopig.» Volgens Kyaian is de censuur in Iran onberekenbaar en subjectief. Bovendien geldt de censuur niet alleen voor politieke thema’s, maar vooral voor de verhouding tussen man en vrouw. Alles wat zelfs maar in de verste verte met seks te maken heeft, is taboe. Maar soms mag er in zeer bedekte termen wel naar worden verwezen. Dat maakt dat schrijvers niet goed weten waar ze aan toe zijn, en voortdurend op zoek zijn naar de grenzen van het toelaatbare.

Een van de schrijfsters die Kyaian publiceert is Moniru Ravanipur, een schrijfster die geen blad voor de mond neemt. Als we bij haar aan tafel zitten, steekt ze meteen van wal met een aanklacht tegen de regering die niets doet tegen de luchtvervuiling in Teheran. We hebben toch het recht op gezonde lucht? zegt ze en we zijn even sprakeloos door haar emotionele betoog. De meeste boeken van Ravanipur mogen niet in Iran worden gepubliceerd, maar haar man heeft een uitgeverij en daar zijn een herdruk en een nieuw boek van haar verschenen. Ook in het buitenland verschijnen haar boeken, bij Iraanse uitgevers in ballingschap.

We bezoeken Shams Langrudi, die een vierdelig overzicht van de moderne Perzische poëzie heeft geschreven. Hij ontvangt ons in zijn kleine kantoor, waar alleen een computer en een boekenkast staan. Langrudi is zelf ook dichter en hij geeft les in moderne literatuur aan de universiteit van Teheran. Hij heeft zeven dichtbundels, twee romans en veel essays geschreven. Nu houdt hij zich vooral bezig met poëzie. Hij heeft geen zin in het schrijven van romans en voelt zich niet genoeg gemotiveerd voor het schrijven van essays. Waarom? vragen wij hem en hij kijkt verbaasd: «Ik wilde de wereld veranderen, maar de wereld heeft uiteindelijk mij veranderd.»

Hij schrijft en dicht niet alleen, maar geeft sinds kort ook met een paar vrienden boeken uit. De uitgeverij heet Ahang-e Digar en publiceert alleen literatuur. Vorig jaar heeft hij zeventien boeken uitgegeven, waaronder een paar eigen dichtbundels. Op onze vraag of dat wel professioneel is, zegt hij dat hij genoeg heeft van het onderhandelen met uitgevers over zijn werk. Over literatuurkritiek en recensenten in Iran zegt hij: «Kritiek is voor een land waar de individuele rechten worden gerespecteerd», en ook over de moderne Perzische poëzie is hij sceptisch. Behalve een handjevol bekende dichters zijn er volgens hem op dit moment geen grote namen te noemen. De jonge generatie dichters is in de ban van het postmodernisme – dat in Iran nog veel invloed heeft. Ze schrijven voor zichzelf en voor elkaar. Ze zijn verdeeld in clubjes, die tegen elkaar zijn. Ze worden niet veel gelezen en niet goed begrepen.

’s Avonds gaan we op bezoek in café Shouka. Eigenaar en schrijver YarAli PourMoghadam heet ons welkom. We zitten met z’n zessen aan een tafeltje voor vier en krijgen thee en ijskoffie. YarAli PourMoghadam zegt: «Iran is op dit moment bekend om drie dingen: korte verhalen, fotografie en slanke meisjes.» Voor we van de verbazing zijn bekomen, gaat hij verder en springt van de hak op de tak: «Huisvrouwen in Iran zorgen voor de bestsellers. Zij kopen eenvoudig geschreven boeken en kleine Franse auto’s. En wat een verkeerd beeld van onze literatuur geeft, zijn slechte vertalingen. De migrantenvertalers zijn meestal onprofessioneel, zij beheersen de taal van hun nieuwe vaderland niet, en hun eigen taal kennen ze niet meer.» Als we naar zijn eigen werk vragen, zegt hij: «Ik ben bouwtekenaar geweest, heb een kippenfokkerij gehad en ben lid geweest van een wetenschappelijke commissie op de universiteit. Ik was ook columnist bij een inmiddels opgeheven tijdschrift.»

PourMogahdam zegt over zijn laatste boek dat het is gebaseerd op het Perzische epos van Rostam en Sohrab en dat het een novelle is over de onleefbare wereld. Zijn café vergelijkt hij met de ark van Noach, iedereen komt er en het heeft veel tegenslagen overleefd. Het kan ieder moment in tweeën breken. Het bestaan van zijn café en zijn leven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Even later zegt hij: «Ik lijk eigenlijk meer op een buschauffeur en ben tevreden met mijn passagiers.» Onder de klanten bevinden zich veel schrijvers en fotografen. Van de schrijvers staan er boeken achter de bar, in het blad van onze tafel is een koperen plaquette van een overleden schrijver geschroefd.

Als laatste bezoeken we uitgeverij Nashr-e Caravan, die pas sinds 1997 bestaat. Dit bedrijf wordt gerund door de 35-jarige Arash Hejazi, ook al een zoon uit een familie uit het boekenvak. Zijn oom had een bekende boekwinkel. Hij heeft een paar jaar als arts gewerkt voor het uitgeversbloed begon te stromen toen hij een boek van zichzelf wilde uitgeven. Er werden tweeduizend exemplaren van verkocht. Hij is klein begonnen, maar nu geeft hij zo’n vijftig titels per jaar uit, literatuur en jeugdboeken. Zijn grootste succes is de vertaling van Paul Coelho, en Caravan geeft ook vertalingen uit van Márquez, Kundera, Gunther Grass en Isabel Allende. Arash Hejazi is ambitieus en hij is van plan over vijf jaar «de grootste uitgever van Iran» te zijn.

Hij brengt sinds twee jaar ook het tijdschrift Negahe No met boekbesprekingen op de markt en daarin worden niet alleen boeken van zijn eigen uitgeverij besproken. Volgens Hejazi verschijnen in kranten geen goede boekbesprekingen. Het commentaar van de recensenten is meestal politiek gekleurd en niet literair. Ze worden door het publiek niet serieus genomen. Uitgeverij Caravan is medeorganisator van de jaarlijkse Yalda-literatuurprijs, die in de langste nacht van het jaar wordt uitgereikt. Yalda is de Perzische naam voor deze langste nacht volgens zoroastrische traditie, wanneer het licht het donker overwint. De Yalda-prijs wordt uitgereikt voor de beste korte verhalen, de beste roman en de beste recensent van het jaar.

De grootste moderne Perzische dichter van de twintigste eeuw is Ahmad Shamlu, die in 1999 is overleden. Veel van zijn gedichten heeft hij opgedragen aan zijn vrouw Aida, en we gaan op een van onze laatste dagen naar haar toe. Zij woont even buiten Karaj, veertig kilometer ten oosten van Teheran, in een mooi dorp dat lijkt afgesloten van de buitenwereld.

Aida is een grande dame. Met haar lange haren en haar lange zwarte jurk met rode shawl lijkt ze van aristocratische afkomst. Zij verwelkomt ons vriendelijk en als we het huis binnengaan, zet ze een cassette op met de stem van Shamlu die een gedicht voordraagt. Het geeft een wat merkwaardig gevoel. Het huis is vol met herinneringen aan Shamlu, portretten en foto’s hangen aan alle muren. Zijn werkkamer lijkt nog intact. Het is net of we een museum binnentreden, maar dan wel met een levende bewoner. Later komen we erachter dat Aida alles van Shamlu verzamelt om van het huis een klein museum te maken over zijn werk en leven.

In de tuin voor het huis staat een steen met de naam van Shamlu onder zijn favoriete boom. Daar wilde hij begraven worden, maar daarvoor kreeg Aida geen toestemming. Op een grote ronde tafel staan rode kaarsen, die hebben gebrand ter gelegenheid van Shamlu’s verjaardag vorig jaar. Over haar kennismaking met Shamlu wil Aida niet veel kwijt: «Op een dag hebben we elkaar ontmoet; het was op veertien Farwardin 1340 (maart 1961). Toen gebeurde wat er moest gebeuren, en dat heeft Shamlu ook in een gedicht geschreven.»

Ahmad Shamlu

Het lied van de kennismaking

Wie ben jij

aan wie ik

zo vertrouwd

mijn naam

vertel

bij wie ik

de sleutel van mijn huis in handen leg

met wie ik

het brood van mijn geluk deel

naast wie ik

zit en

op wiens schoot ik

zo rustig

in slaap val?

Wie ben jij met wie ik

zo ijverig

in het land van mijn dromen

rust?

Volgens Aida is er de laatste twintig jaar iets veranderd in het literaire leven in Iran. «Vroeger waren er idealen, we hadden allemaal een doel in ons leven, waardoor er een literatuur ontstond die een menselijk gezicht had, zodat we de pijn van anderen konden begrijpen. Zulke dingen zijn nu verbleekt in onze maatschappij. En tegenwoordig heeft men niet veel tijd meer om een boek te pakken en te lezen, tenzij het iemand is die echt van poëzie en lezen houdt, en die mensen zijn er niet veel. Maar ik denk dat het in de rest van de wereld ook zo is.»

Aida komt niet meer zo veel in het literaire circuit, maar ze heeft ook geconstateerd dat er een soort verdeeldheid heerst. De mensen zijn in clubjes verdeeld: «Als je geen lid bent van die groepjes, word je niet geholpen, mag je ook niet meedoen. Dat is kwalijk, het is destructief. Het helpt de groei van de literatuur niet. Shamlu vermeed groepjes en was tegen dit soort verdeeldheid. Ik ben niet erg op de hoogte, maar wat ik hoor is verontrustend.»

Wat ze vertelt, komt overeen met het beeld dat wij hebben overgehouden aan de gesprekken met schrijvers en uitgevers. Er zijn verschillende kringen die elkaar met argwaan bekijken. Het is vooral te danken aan de gecompliceerde situatie in Iran met het ministerie van Cultuur en de censuur op de achtergrond. Ook tijdens onze laatste avond in Teheran blijkt weer hoezeer de circuits zijn gescheiden.

Op 21 december, de langste nacht, wonen we de uitreiking van de Yalda-literatuurprijzen bij. De zaal van Talare Farhang, een cultureel centrum in de binnenstad van Teheran, loopt vol met deels dezelfde mensen als bij de Gol shiri-prijsuitreiking. En ook hier is het weer een Oscar-achtige presentatie met filmbeelden en ook hier is het Mo hammad Dolatabadi die is opgetrommeld om een prijs uit te reiken. Hij komt net op tijd voor zijn optreden en verdwijnt ook weer snel van het toneel.

We zien een aantal van de schrijvers en uitgevers terug die we de afgelopen weken hebben gesproken. Sommige schrijvers zijn ook hier weer genomineerd, zoals Golshiri-prijswinnaar Kurosh Asadi. Tot onze verbazing wordt de prijs voor korte verhalen niet uitgereikt, volgens de jury wegens «gebrek aan kwaliteit» van de genomineerden. In het programmakrantje van Yalda worden alle boeken door de jury onder de loep genomen, en het lijkt erop dat de jury het over het boek van Asadi niet eens kon worden.

Na afloop spreken we met een van de juryleden, die haar ergernis over de uitslag niet verbergt. Het is een belediging van de literatuur en de schrijvers dat er geen prijs wordt uitgereikt. Maar Yalda kon het blijkbaar niet opbrengen een zelfde schrijver als bij de Golshiri-stichting in de prijzen te laten vallen, hoewel de prijs voor de beste roman naar een schrijver gaat die ook bij Gol shiri was genomineerd. Tijdens de hapjes en thee nemen we afscheid van de schrijvers en uitgevers en van het literaire leven in Iran. Iedereen gaat naar huis om de langste nacht te vieren met noten, watermeloen en granaatappel. En met het raadplegen van de gedichten van Hafez over de ongewisse toekomst in Iran.

Deze reportage kwam mede tot stand dankzij een subsidie van het Fonds Pascal Decroos

_______________________

Shahrnush Parsipur (Teheran, 1945)

«Ik ben geboren in Teheran. Mijn vader was rechter, maar hij heeft zijn ontslag genomen omdat hij geen executies wilde uitspreken. Omdat mijn vader van beroep veranderde, begon er een periode van armoede in mijn familie, die grote invloed op me heeft gehad. Ik heb in Teheran antropologie gestudeerd aan de universiteit. Vanaf mijn zeventiende heb ik gewerkt, eerst in Khoram shahr bij het water- en elektriciteitsbedrijf en daarna in Teheran bij een medicijn fabrikant. Ik werkte ook bij de nationale televisie in Teheran. In deze jaren studeerde ik. Tijdens mijn eerste studiejaar trouwde ik en kreeg mijn eerste kind.

Schrijven deed ik vanaf mijn veertiende, maar mijn serieuze werk begon toen ik zeventien was. In die tijd werden mijn eerste verhalen gepubliceerd. De hond en de lange winter, mijn eerste roman, heb ik op mijn 28ste geschreven. In hetzelfde jaar heb ik mijn studie afgemaakt, ontslag genomen van mijn werk en ben ik gescheiden. Toen ging ik alleen maar schrijven. Ik ben daarna met mijn zoon naar Frankrijk gegaan en daar vier jaar gebleven. Ik studeerde Chinese taal en cultuur. Mijn belangstelling voor deze studie kwam voort uit mijn bijzondere belangstelling voor het boek I Ching, het boek van de veranderingen. Dit boek heeft een grote invloed op mijn leven gehad, het was de aanleiding voor mijn interesse in het taoïsme.

Ik ging terug naar Iran en werd samen met mijn moeder en broers om een onzinnige reden gearres teerd. Ik bleef vier jaar en zeven maanden zonder enige veroordeling in de gevangenis. Daar begon ik met mijn roman Tuba en de betekenis van de nacht. Ik was halverwege toen ze het boek van me hebben afgenomen en een jaar later teruggegeven. Ik besefte dat ik dit boek in een stemming van zelfcensuur had geschreven en ik heb het verscheurd. Nadat ik werd vrijgelaten heb ik Tuba opnieuw geschreven. Het duurde drie jaar voordat het werd gepubliceerd. Het kwam precies een week na de dood van Khomeini in 1989 en sloeg in als een bom.

Ik denk niet dat ik een bepaalde stijl heb en je kunt wel zeggen dat mijn boeken iets magisch-realistisch hebben. Je ziet het in mijn allereerste verhalen, maar ik kan ook zeggen dat mijn werk surrealistisch is. Nu heb ik de neiging om meer in een klassieke vorm te gaan schrijven, want ik vind het belangrijk dat alle mensen mijn boeken kunnen begrijpen. In de Iraanse maatschappij hebben veel mensen pas laat leren lezen en ik vind de beste stijl verhalen die in een eenvoudige vorm en boeiend zijn geschreven.»

_______________________

Shahriar Mandanipur (Shiraz, 1957)

«Ik ben in Shiraz geboren en studeerde politieke wetenschappen aan de universiteit van Teheran. Toen ik een jaar of dertien was, begon ik verhalen te schrijven. In 1985 werd mijn eerste verhaal gepubliceerd in een tijdschrift van schrijver Hushang Golshiri. Mijn eerste boek verscheen in 1990.

Ik schreef De moed van de liefde. Het onderwerp van dit boek is oorlog en aardbeving. Ik was vrijwilliger in de oorlog tussen Iran en Irak, en ik heb veel gezien. Maar na de oorlog was er een vreselijke aard beving in het noorden van Iran en het was erger dan wat ik in de oorlog heb gezien. Toen ik terugkwam uit Rudbar begon ik aan de roman, het duurde acht jaar en het zijn meer dan negenhonderd pagina’s. De oorlog en de aardbeving lopen parallel. Er is bijvoorbeeld een stad die vernietigd is, en je weet niet waardoor het komt. Ik speelde met deze twee dingen. Na mijn eerste boek publiceerde ik een volgend boek en daarna ruim vijf jaar niets. Dat waren mijn donkere jaren. Dat kwam door de censuur. Mijn uitgever wilde mijn boek niet naar het ministerie van Cultuur sturen, hij zei: je krijgt toch geen toestemming, dus je kunt het beter niet opsturen. Maar in 1997, na de komst Khatami, zijn drie boeken van me gepubliceerd. Dat kwam door een verandering van de censuur. De omstandigheden werden beter voor ons. Nu wordt het weer slechter. We denken dat alles wordt teruggedraaid, misschien is het onmogelijk, maar ze proberen het te veranderen in zoals het voor Khatami was.

Sommige literatuur is elitair, en heeft professionele lezers. Deze lezers houden van de meer gecompliceerde boeken met de meer diepgaande karakters, maar ook van het eenvoudige proza. Het maakt geen verschil, maar ons probleem is dat we niet veel lezers hebben. In dit land wonen meer dan zestig miljoen mensen, maar de meeste boeken verkopen niet meer dan tweeduizend. Dat is verschrikkelijk. Dat is niet normaal. Door onze geschiedenis met zoveel lijden en zoveel rampen, zijn onze lezers bang om te lezen. Zij kennen hun gevoelens niet. De mensen zijn bang om te weten, bang om wijs te zijn. Ze hebben te vaak gezien dat de wijze mannen en vrouwen in Iran werden vermoord of in de gevangenis gezet en dat hun lot beslist niet goed was. Dat is een van de redenen dat we niet zo veel lezers hebben. Het verschil tussen moeilijke en simpele literatuur is niet het probleem. De ene soort verkoopt nou eenmaal beter dan de andere.»

_______________________

Moniru Ravanipur (Jofreh, 1954)

Ik ben in een dorpje in de buurt van Busher geboren. Aan de universiteit van Shiraz studeerde ik psychologie, en daarna ging ik naar Amerika om verder te studeren. Toen de revolutie uitbrak, wilde ik niet in Amerika blijven. Ik ging terug naar Iran en na de revolutie begon ik aan een postacademische studie aan de universiteit van Teheran. Ik werd gearresteerd, ben ontvlucht, ter dood veroordeeld en nog steeds zoeken ze mij. Ze weten nog steeds niet wie ontvlucht is. Misschien weten ze het wel, maar ze doen alsof ze het niet weten. Mijn broer is geëxecuteerd, mijn zus heeft vier jaar in de gevangenis gezeten, ik ben zelf ook een paar keer gearresteerd en bij elkaar heb ik een jaar gevangen gezeten.

Ik geniet van het schrijven en ik probeer mijn agressie op die manier te uiten. Ik schrijf niet per se voor een lezer. Niet alleen in het buitenland, maar ook in Iran zeg ik wat ik wil. Ze kunnen me niet meer bang maken. De angst lijkt op een hand. Je kunt niet ieder moment naar je hand kijken. Op een gegeven moment leef je ermee, het kan je niet meer schelen.

Ik volg geen stijl of stroming. Ik zet mijn pen op papier en begin te schrijven. Het een is magisch-realis tisch en het ander surrealis tisch, beweren de critici. Het verhaal De verliefden van de antieke tijd gaat bijvoorbeeld over een vrouw die een stad binnenkomt waar de mensen allemaal gemummificeerd zijn. Daarin heb ik het over mijn maatschappij, mijn mensen. Mijn andere roman, De hartstochtelijke nachten, gaat over een vrouw die een week lang iedere nacht een andere man probeert te versieren en het lukt haar niet. De roman bestaat uit zeven hoofdstukken en ieder hoofdstuk gaat over een nacht. In dit verhaal wilde ik het hebben over onze maatschappij waar iedereen in de gaten wordt gehouden, van de wieg tot het graf.

Ik ben een kind van de zee. Ik ging soms mijn neef opwachten bij de zee als hij terug kwam van het vissen. Ik zag veel dingen, ik zag kreeften in het net. Als een kreeft naar boven klom, gingen de anderen aan hem hangen en trokken hem naar beneden. Uren heb ik naar deze taferelen gekeken, ik was benieuwd hoe de kreeft naar boven zou komen, soms hielp ik hem. Ik ben die kreeft, ik klim uiteindelijk naar boven.»