De verslagen sociaal-democraten

Het loon van de angst

Na acht jaar Paars werden de Partij van de Arbeid en de VVD deze maand de grootste verliezers van de verkiezingen. Wat er precies fout ging, is bij sociaal-democraten en liberalen inmiddels onderwerp van verhitte discussies. Op uitnodiging van De Groene Amsterdammer geven partijdenkers Paul Kalma (PvdA) en Uri Rosenthal (VVD) een kijkje in de keuken van de verslagen politiek. De PvdA en de VVD op de sofa: hoe nu verder?

Een kleine vijf jaar geleden, in de zomer van 1997, werd op het bureau van de Partij van de Arbeid in Amsterdam het conceptverkiezingsprogramma voor de periode 1998-2002 voorbereid. Enkele wetenschappers die bij die voorbereiding betrokken waren, stelden voor om in de tekst een uitgebreide passage over de massamoord in Srebrenica op te nemen. Aan die ingrijpende gebeurtenis in de geschiedenis van het eerste paarse kabinet zou de PvdA, zo meenden ze, in haar nieuwe programma niet voorbij mogen gaan.

De Haagse en Amsterdamse leiding van de PvdA reageerden uiterst afwijzend op het voorstel. Zo’n terugblik, aldus de partijleiding, zou alleen maar oude wonden openrijten en de sociaal-democratie electoraal schade kunnen berokkenen. En wat moesten we met een terugblik in een tekst die toch vooral op de toekomst was gericht? Protesten, aanvullende argumenten, een sterke bekorting van de betreffende passage — het mocht allemaal niet baten. Het programma, Een wereld te winnen, verscheen in het najaar zonder één enkele verwijzing naar wat er twee jaar daarvoor in Bosnië gebeurd was.

Deze pijnlijke gebeurtenis, waarbij de behoefte aan een «feel good»-programma sterker bleek dan die aan politieke verantwoording, is niet zomaar een incident. Ze laat zien waaraan het de Nederlandse sociaal-democratie in de jaren negentig is gaan schorten. Niet de beleidsresultaten van «Paars» moeten de PvdA in de eerste plaats worden aangerekend (hoe teleurstellend die in sommige opzichten ook waren), maar de merkwaardige mengeling van arrogantie en angst die haar optreden als regeringspartij is gaan kenmerken; een benauwd bestuurscentrisme, waarachter een verregaande onzekerheid op programmatisch gebied schuilgaat.

Deze gebreken zijn het aanzien van de PvdA als «natuurlijke regeringspartij» steeds meer gaan ondergraven en hebben haar tot speelbal gemaakt in de electorale storm die met de komst van Pim Fortuyn in Nederland is opgestoken.

Over het eerstgenoemde aspect, de bestuurlijke arrogantie van de PvdA (en van de andere regeringspartijen), is al veel gezegd en geschreven. De beloften die het eerste paarse kabinet deed inzake een veel grotere betrokkenheid van de burger bij het openbaar bestuur zijn niet nagekomen. Staatskundige hervormingen werden niet of halfslachtig, en steeds met tegenwerking van VVD en PvdA, doorgevoerd. De politieke cultuur in Den Haag bleef sterk naar binnen gericht. En het eigen loopbaanperspectief van (aspirant-)ministers leek minstens zo belangrijk te zijn geworden als het politiek programma waarop ze waren gekozen («Ik wil de volgende keer wel Gezondheidszorg»).

En dan was er de nauwelijks verhulde tegenzin waarmee menige minster verantwoording wenste af te leggen — of het nu om de ontwerp- of om de uitvoeringsfase van het beleid ging. Het inhoudelijk debat binnen en tussen regeringspartijen werd ontmoedigd (staatssecretaris Vermeend: «Ik debatteer niet want ik heb een meerderheid achter me»). Tot aftreden kwam het zelden of nooit — zelfs bij koerswijzigingen (zoals op Verkeer en Waterstaat) van 180 graden. En toen het kabinet dan toch — collectief — opstapte, naar aanleiding van het Srebrenica-rapport, ontbrak elke specifieke verantwoording van dat besluit.

Deze arrogantie van de macht, die sterk aan het CDA van weleer (en wellicht van over vijf jaar) deed denken, ging vergezeld van een gebrek aan zelfvertrouwen op programmatisch gebied. De PvdA is een angstige partij geworden, die liever de trend volgde (milieu is uit, veiligheid is in) dan, op basis van de eigen sociaal-democratische uitgangspunten, met burgers in gesprek te gaan over hun problemen en opvattingen. Ze vergat de samenleving te confronteren met de kosten die een serieuze aanpak van maatschappelijke problemen onvermijdelijk met zich meebrengt — en met de verdeling van die kosten. En ze liet zich niet meer horen over onderwerpen die «ver van het bed» van de kiezer staan.

De grote verkiezingsnederlaag van de PvdA is dan ook niet zozeer te wijten aan gebrek aan belangstelling voor wat veel burgers bezighoudt. Over niets is het afgelopen jaar in de PvdA zoveel gesproken als over veiligheid. Maar de partij slaagde er niet een overtuigende visie op dit vraagstuk te formuleren. In plaats daarvan herhaalde ze de clichés die rechts over criminaliteitsbestrijding bezigt — van de VVD (hogere straffen en nog eens hogere straffen) tot Pim Fortuyn («elke agent mag aanhouden en fouilleren wie hij wil»). Dat veiligheidsbeleid verband houdt met het soort samenleving dat we willen, en dat een «zero tolerance»-maatschappij een uiterst onaangename maatschappij is, liet de PvdA onbesproken.

Andere voorbeelden zijn er te over. Over het vraagstuk van de arbeidsimmigratie formuleerden PvdA-kamerleden onder leiding van Adri Duivesteijn vorig jaar een interessant standpunt. Nederland, zo stelden ze, heeft meer arbeidsimmigranten nodig en zal daartoe een meer planmatig beleid moeten voeren. Maar de betreffende nota mocht van de partijleiding niet verschijnen, omdat dat electoraal te riskant zou zijn. Zo liet de PvdA zich het zoveelste taboe in de Nederlandse politiek opdringen, en is nota bene de president van de Nederlandsche Bank («meer arbeidsmigratie») nodig om het vraagstuk te agenderen — net zoals een groep hoge ambtenaren vorige week de hypotheekrente aftrek aan de orde moest stellen.

Typerend zijn ook de opvattingen van de PvdA over hervorming van de publieke sector. «Keuzevrijheid», «vraagsturing», «de burger de baas», zo klonk het in haar verkiezingsprogramma — net als in dat van haar concurrenten. Nu is meer ruimte voor individueel initiatief in die publieke sector, bijvoorbeeld in de vorm van persoonsgebonden budgetten, zeker wenselijk. Maar een oplossing voor de meest dringende problemen (de dropout-problematiek in het middelbaar beroepsonderwijs; de grote druk die de vergrijzing en een tekort aan arbeidskrachten op de gezondheidszorg leggen) is het niet. Zo bleven de werkelijke issues verborgen achter consumentvriendelijke leuzen («de dienstbare overheid»).

In een dergelijk klimaat bleven — en dat is minstens zo treurig — vraagstukken van internationale aard vrijwel onbesproken. De internationale milieuproblematiek, de toekomst van Europa — ik heb er de PvdA, maar ook andere grote partijen, de afgelopen maanden niet over gehoord. Datzelfde geldt voor «11 september» en zijn verstrekkende implicaties (oorlog tegen het terrorisme, strijd tegen armoede en ongelijkheid): volgens sommigen van grote invloed op de verkiezingsuitslag («de mensen zijn onzeker»), maar door geen van de lijsttrekkers in de verkiezingscampagne ook maar even aangeroerd.

Dit is natuurlijk niet allemaal de schuld van de PvdA. Ook kan de dreun die haar op 15 mei is verkocht, niet uitsluitend worden geweten aan de hier beschreven combinatie van bestuurlijke arrogantie en politiek en intellectueel trendvolgerschap. «Externe» factoren, zoals een door welvaartsgroei bevorderde depolitisering, een grimmiger internationaal klimaat en verlies aan sturend vermogen van democratische organen, hebben eveneens een rol gespeeld.

Maar wil de sociaal-democratie haar politieke en electorale zeggingskracht (en haar invloed op dit soort factoren) herwinnen, dan zal ze haar eigen tekortkomingen ernstig onder ogen moeten zien. Ze zal weer «een politieke partij, geen organisatie van bedrijfskundigen» (Troelstra) moeten worden. Ze zal, behalve aan besturen, aan uitbreiding en versterking van de democratie moeten gaan denken; de oplossing van concrete maatschappelijke problemen moeten gaan verbinden met een visie op «de kwaliteit van het bestaan»; en, niet in de laatste plaats, de beteugeling van een overmatig geliberalisereerde en geprivatiseerde economie weer centraal moeten stellen.

Wat dat betreft komt de dramatische nederlaag voor de PvdA, net als de tegenwind voor de sociaal-democratie elders in Europa, misschien net op tijd. Net op tijd om zich voor te bereiden op de alarmerende vraag die burgers, bij een economische terugslag, oplopende werkloosheid en toenemende maatschappelijke spanningen, over tien jaar kunnen gaan stellen. Namelijk waarom de politiek haar invloed op de markteconomie (fiscaal en monetair beleid; marktregulering; inperking van financiële en economische machtsconcentraties; productie en distributie van publieke goederen) in hemelsnaam uit handen heeft gegeven. En waar een parlementaire democratie dan nog goed voor is.