Het lot van een archief

Afgelopen maandagavond kwart voor acht. Aan tafel bij Sonja Barend zitten onder anderen prof. I. Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis, en drs. A.J. van der Leeuw, gepensioneerd onderzoeker namens het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, het Riod.

Beiden hebben zich in hun vroegere leven beziggehouden met de teruggave van en de herstelbetaling voor in de oorlog gestolen joods bezit.
De een, prof. Lipschits, spreekt er schande van hoe hardvochtig, onpersoonlijk en zielloos ambtelijk de Nederlandse overheid zich na de oorlog tegenover de joodse nabestaanden heeft opgesteld. Volgens hem is hier sprake van een naoorlogse ‘kleine shoah’. De ander, drs. Van der Leeuw, zegt dat alle claims, bijvoorbeeld door hemzelf, indertijd keurig en degelijk zijn afgehandeld.
Dan vraagt Sonja Barend of er, na de oorlog, niets tastbaars is teruggevonden van al dat tafelzilver, van al die sieraden en van al die kunstwerken die door de Duitsers gestolen zijn. Ja, zegt Van der Leeuw. Maar niet veel. Hooguit vijf procent. En geen spul van grote waarde. Ja, zegt ook Lipschits. Ook hij zegt niet te weten wat er met die voorwerpen gebeurd is. Hij heeft daar donkere vermoedens over.
In deze Groene valt te lezen dat die donkere vermoedens onthutsend juist zijn. Tenminste een deel van de teruggevonden bezittingen blijkt na de oorlog voor een prikkie en onderhands verkocht te zijn aan Nederlandse ambtenaren die in dienst waren bij hetzelfde Agentschap van het Ministerie van Financiën dat het bezit beheerde.
Lipschits had gelijk: er is na de oorlog en tot ver in de jaren zeventig afstandelijk, op het schandelijke af, omgegaan met alles wat voor teruggekeerde en nabestaande joden van het grootste belang was.
Vorige week berichtte De Groene Amsterdammer dat het Liro-archief, waarin al die gestolen bezittingen minutieus werden opgetekend, in een Amsterdams kraakpand onbeheerd lag rond te slingeren. Sindsdien bevindt de helft van dat op persoonsnaam gestelde archief, het deel van Mo tot en met Zu, zich ter redactie.
Daar kan het vanzelfsprekend niet blijven. Het redactiegebouw van een weekblad is niet de plek om als informatiecentrum te dienen voor rechthebbende nabestaanden. Alle verzoeken daartoe die we deze week hebben gekregen, zijn nolens volens van de hand gewezen.
Waar moet het archief dan wel heen?
Naar het Riod natuurlijk, de instantie die daartoe door de overheid in het leven werd geroepen en die daarvoor wèl geëquipeerd is. Dachten we.
We hebben ons voornemen daartoe vorige week kenbaar gemaakt. De reacties uit de joodse gemeenschap waren ronduit verbijsterend. Nee! Niet naar het Riod! Dat niet! Alsjeblieft niet! Ronnie Naftaniel van het Cidi vond het Joods Maatschappelijk Werk de aangewezen plaats. Prof. Loonstein van de Federatie Joods Nederland stuurde een brandbrief waarin hij het Joods Historisch Museum suggereerde. Prof. Lipschits dacht aan het Amsterdamse Gemeentearchief. Alles leek goed. Behalve het Riod.
Toch hebben we besloten om het door ons gevonden archiefdeel bij het Riod af te leveren. Al was het maar omdat zich daar inmiddels het andere archiefdeel, dat van A tot en met Mi, bevindt. Dat deel werd een dag na de Groene-publicatie teruggevonden. En al was het maar omdat de directeur van het Riod, prof. J.C.H. Blom, ons ervan verzekerd heeft dat hij alles in het werk zal stellen om de verlangde openbaarheid te verzekeren.
De verbijsterende reacties uit de joodse gemeenschap anti de Nederlandse overheid en anti het Riod zijn op zichzelf maar al te begrijpelijk. Wat is de verzekering dat 'onnodig leed voorkomen zal worden’ waard als die afkomstig is van een overheid die een dergelijk archief achttien jaar heeft laten rondslingeren? En wat is de verzekering van openbaarheid waard als die komt van een instituut dat blijkbaar een naam heeft hoog te houden als het om ontoegankelijkheid gaat en om dédain voor het individueel-emotionele? Nog deze week noemde A.J. van der Leeuw de hoogleraar Lipschits een 'kluns’ omdat hij, Van der Leeuw, hem, Lipschits, echt wel had kunnen vertellen waar het archief mogelijk gevonden zou kunnen worden. Daarmee maakte Van der Leeuw impliciet duidelijk dat hij en het Riod het niet de moeite waard vonden om die kennis aan de joodse gemeenschap door te geven en ook niet om zelf een kijkje op de vermoedelijke vindplaats te gaan nemen. En waar De Groene met haar deelarchief prudent probeerde om te gaan, zwaaide een Riod-medewerker op alle journaals en tv-netten met bossen archiefkaartjes. Een ander stelde het Nederlandse volk via de radio met naam en toenaam van de inhoud van zo'n kaartje op de hoogte.
En toch brengen we het deel dat nu nog aan het Westeinde logeert deze week naar het Riod. Of eigenlijk naar Financiën, dat alles dezelfde dag nog op het Riod zal deponeren. Dat doen wij niet alleen omdat we daar juridisch min of meer toe verplicht zijn, maar ook om de absurde situatie te voorkomen dat nabestaanden van A tot M ergens anders inlichtingen kunnen inwinnen dan nabestaanden van M tot Z.
Aanstaande vrijdag 12 december vindt er een door het Riod en het ministerie van Financiën uitgeschreven vergadering plaats, waarvoor ook 'de joodse maatschappelijke organisaties’ zijn uitgenodigd. Financiën heeft, precies als het Riod, laten weten dat 'openbaarmaking’ daarbij de 'insteek’ zal zijn.
De Nederlandse overheid heeft verschrikkelijk veel goed te maken. En het Riod heeft een verloren naam terug te winnen. Allebei hebben ze nu een kans. Die kunnen ze benutten door aanstaande vrijdag, na de vergadering, bekend te maken dat nabestaanden en belanghebbenden, van Aa tot en met Zz, vanaf maandagmorgen 15 december welkom zijn aan het adres blokken Herengracht 474 te Amsterdam.