Essay: Het utopisch verlangen van de mens blijft

Het maakbare geluk

Generaties politieke denkers, staatslieden en wereldverbeteraars hebben zich ingezet voor een wereld van vrede, overvloed en geluk. Veel utopieën stierven een vroege dood, andere resulteerden in vooruitgang en een paar leidden tot totalitarisme. Hoe het zij: het utopisch verlangen van de mens blijft.

«Eppur si muove…», fluisterde Galileo Galilei volgens de legende na afloop van zijn roemruchte biecht op 22 juni 1633 in de kerk Santa Maria sopra Minerva te Rome. Die biecht was de uitkomst van een pauselijk proces waarin de astronoom gedwongen werd afstand te doen van zijn boek Siderius Nuncius («Afgezant van de sterren»). Zijn voor die tijd unieke waarnemingen – waaruit bleek dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van ons heelal is en dat de aarde om haar heen draait – werden op louter theologische gronden verworpen. De aanwezige geestelijken weigerden door Galilei’s telescoop te kijken.
Apocrief of niet, de woorden «En toch beweegt zij…» zijn een vermaning aan de mensheid. Een ervaringsfeit laat zich niet verdringen, hoezeer de waan van de dag dat ook verlangt. Een algemeen aanvaard wereldbeeld hoeft niet te kloppen, een algemeen aanvaard mensbeeld evenmin. En de betrekkingen tussen mensen zijn niet van God of van nature gegeven, zodat de maatschappij waarin we leven niet noodzakelijk de best denkbare samenleving is. Generaties politieke denkers, staatslieden en wereldverbeteraars hebben zich op die vuistregel beroepen om aan te geven dat de mens tot meer in staat is dan geweld, hebzucht en bedrog en dat achter onze verkommerde wereld een andere, betere wereld ligt waarin vrede, overvloed en geluk binnen handbereik zijn – als we maar door hun telescoop wilden kijken!

Gedurende drie eeuwen vonden de utopisten Galilei aan hun zijde. Niet alleen zijn legendarische koppigheid, ook zijn dossier ondersteunde hun pleidooi. De historie vermeldt dat reeds de paus die zijn biecht afdwong, Urbanus VIII, in een vroeger leven als kardinaal veel belangstelling had getoond voor Galilei’s denkbeelden. Later, als kerkleider, vond hij het niet verantwoord om die verontrustende kennis onder zijn kudde te verspreiden. Vanuit zijn optiek was daar een dwingende reden voor: de Dertigjarige Oorlog was in volle gang en de katholieke restauratie in Europa stond op het spel. Maar de feiten kropen waar ze niet gaan konden. De kerkelijke kosmologie werd binnen honderd jaar verdrongen door de heliocentrische en in 1741 zag paus Benedictus XIV zich gedwongen zijn imprimatur te geven aan de Verzamelde Werken van Galilei.

***

Ook het utopisme heeft menige doorbraak bereikt. Het utopische streven om de menselijke betrekkingen voor altijd harmonieus en rechtvaardig te regelen is nooit verwezenlijkt, maar de utopische ideeën kropen waar ze niet gaan konden en leverden de inspiratie en energie voor maatschappelijke veranderingen die ons geluk aanmerkelijk hebben vergroot. Niemand heeft dat korter en krachtiger uitgedrukt dan de Italiaanse econoom Riccardo Petrella. Toen De Groene Amsterdammer hem in 1998 de vraag stelde of zijn ideaal van een mondiale welzijnsstaat niet «utopisch» was, antwoordde hij: «Laten we eens op een rijtje zetten wat honderd jaar geleden onhaalbaar werd geacht. Telt u even mee: het algemeen kiesrecht, de achturige werkdag, het stakingsrecht, de algemene ziektekostenverzekering, het pensioen, de oudedagsvoorziening, gratis algemeen onderwijs, afschaffing van de kinderarbeid en het recht van vrouwen op betaalde arbeid. En er zijn er vast een paar die ik vergeet. Allemaal zogenaamd utopische eisen, maar ze zijn allemaal werkelijkheid geworden.»

Sinds het eind van de vorige eeuw lijkt het utopische vuur echter gedoofd. Het vertrouwen in politiek als remedie tegen onrecht, oplossing voor collectieve problemen en palliatief voor het menselijk tekort is vervlogen. Natuurlijk ligt de belangrijkste oorzaak voor deze utopische malaise in de massahysterie en politieke obsessies van de afgelopen honderd jaar. Wie zich nu nog in de buurt waagt van de tempel Utopia, wordt afgeschrikt door een rij afzichtelijke krimpkoppen. Het zijn de uitgetreden priesters (Josif Stalin), afgezwaaide onderwijzers (Vladimir Lenin, Enver Hoxha, Pol Pot) en mislukte huisschilders (Adolf Hitler, Mao Zedong) die het in de twintigste eeuw hogerop zochten en miljoenen onderdanen de dood injoegen met de belofte van een glansrijke toekomst voor de menselijke soort.

***

Toch is het een grote vergissing om het utopisme op te zadelen met al die ontsporingen. Jazeker, het mensbeeld dat de totalitaire leiders van de twintigste eeuw predikten was meestal utopisch, zo puur en idyllisch dat de meest wereldvreemde utopist het niet kon verbeteren. Maar het werd alleen op staatsbanketten en hoogtijdagen opgepoetst. De rest van het jaar diende het als excuus om tabula rasa te maken van alle beschaving. Het geloof in een betere wereld leefde juist voort onder hun onderdanen, die hun menselijkheid overeind trachtten te houden tegen de verdrukking door eenheidspartij, permanent oorlogsrecht en collectieve waan in. Zij waren het die het «En toch beweegt zij…» in de twintigste eeuw hooghielden.

Galilei wisselde als het ware van kamp. Hij inspireerde het intellectuele wantrouwen van André Gide, George Orwell en andere eenzame zielen die tegen de stroom waandenkbeelden en krankzinnige geweldsexplosies van hun eeuw in roeiden. Hij was als ghostwriter betrokken bij alle dystopieën waarin de totale mobilisatie van de mens werd afgewezen. Te beginnen met Wij (1924) van de teleurgestelde Russische revolutionair Jevgeni Zamjatin, aan wie Aldous Huxley het idee voor zijn Brave New World (1932) en George Orwell de inspiratie voor 1984 (1948) ontleenden. Hun personages zijn galileische helden. Zij brengen de telescoop in stelling tegen de waanzinnige kosmologieën van hun tijd. Huxley’s John Savage besluit zich niet langer op de propaganda van zijn gelukkige nieuwe wereld te verlaten, maar op zijn eigen ervaring. En wat vertelt zijn ervaring hem? Dat hij niet gelukkig is!

Als we dus iets van Galilei kunnen leren, is het dat ongeldige opvattingen niet bestand zijn tegen zelfstandig onderzoek. Maar geldt dat niet ook voor de populaire stelling van dit moment dat wij, Nederlanders, het geloof in de maakbaarheid van ons geluk hebben afgezworen? Wie de telescoop ter hand neemt, ziet inderdaad iets anders. De gedachte dat geluk ontstaat uit een symbiose van individu, gemeenschap en overheid uit zich in allerlei vormen. In de roep om kleinere, «overzichtelijke» klassen en in de rook- en alcoholverboden die onze leefstijl moeten bijsturen. In de overmaat aan veiligheidsregels die elk risico uit ons bestaan moeten bannen. In de aandacht voor de genetische «maakbaarheid» van ons lichaam en de therapeutische manipulatie van ons gevoelsleven. In ons vertrouwen in het probleemoplossend vermogen van de zogenaamde vrije markt. Ja, zelfs in het landelijk afvalscheidingsbeleid dat ons maant ook de laatste klodder mayonaise verantwoord weg te werken in het belang van een betere wereld.

Zelfs Jan Peter Balkenende, die zich graag afficheert als de zakelijkste minister-president sinds decennia, koestert de droom om Nederland om te vormen tot één groot dorp met afgewogen leefpatronen en een hoge graad van sociale controle in de trant van de Amerikaanse communitarist Amitai Etzioni. En het is geen toeval dat Balkenende in de traditie staat van de oudste regerende kaste van ons land, die van de gereformeerde «alphas», om met Huxley te spreken. Ons nationale zelfbeeld wortelt namelijk nog steeds in de zeventiende-eeuwse theologische visie op de Nederlanders als een «uitverkoren volk» die vadertje Cats er al toe bracht de Staten aan te spreken met «Gij mannen van Israël».

***

Met ons republikeinse staatsbestel, onze geestelijke vrijheid (waarvan Descartes, Spinoza en Bacon profiteerden) en onze voor die tijd moderne omgangsvormen (denk aan de sterke positie van vrouwen) waren we voor de omringende vorstendommen inderdaad een «gidsland». Sindsdien hebben we onszelf steeds opnieuw aan de wereld ten voorbeeld gehouden, ook tijdens minder glorierijke episoden, zoals onze vadsige «vredelievendheid» in de achttiende eeuw, onze «verheffing» van de Indische inlander in de negentiende en onze «prudente» neutraliteitspolitiek in de eerste helft van de twintigste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog waren we de meest «Atlantische» van alle Navo-lidstaten, tot we een nieuwe niche ontdekten in de vorm van mensenrechten, ontwikkelingshulp en steun aan bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld. En we hadden ons bewonderde poldermodel in de jaren negentig nog niet ontmanteld of we haalden het Internationaal Strafhof naar Den Haag om onze gidsfunctie in de internationale rechtsorde te benadrukken.

Wie zijn telescoop wat verder richt dan de jongste krantenkoppen over deregulering en privatisering ziet dat niet alleen de christen-democratische, maar ook de liberale en sociaal-democratische stromingen in ons land altijd diep-utopische idealen hebben gekoesterd. Wie zich bij het lezen van de rits sociale hervormingen van Petrella afvraagt waar de achterliggende inspiratie vandaan kwam, hoeft niet verder te zoeken dan het kolossale verzamelwerk De socialisten (1899-1904) van H.P.G. Quack. Voor de liberalen geldt zelfs dat zij, als echte erfgenamen van de Franse Revolutie, het idee van de maakbaarheid van de maatschappij in ons land hebben gelanceerd. De liberale utopie van de negentiende eeuw was een samenleving gebaseerd op recht en rede, vrije handel en wereldvrede, gesteund door een sterke staat en een forse publieke sector.

***

Zijn die utopische tradities in ons land werkelijk als sneeuw voor de zon verdwenen? Nee: zoals gezegd leven ze steeds weer op in de wens tot kleinschalige arrangementen die het collectief geluk beetje bij beetje vergroten. Ook de roep om toenadering tussen politiek en burger, om meer visie in de landspolitiek en om meer initiatief en ingrijpen van de Europese Unie in de wereld zijn uitingen van utopische fantoompijn, van het besef dat een vreedzamer en harmonieuzer samenleven mogelijk moet zijn. Dit land is nog lang niet van zijn utopische neigingen verlost. De vraag is hoe we met dit dilemma omgaan.

Een goede barometer voor de Nederlandse discussie is de filosoof Hans Achterhuis. Hij stelde het utopische dilemma onlangs in een boek en diverse interviews weer aan de orde. Achterhuis worstelt al zijn hele werkzame leven met twee tegenstrijdige uitgangspunten: Jean-Paul Sartres stelling dat je bereid moet zijn slachtoffers te maken ten behoeve van een betere samenleving en Albert Camus’ overtuiging dat een betere samenleving niet op een kerkhof, maar op een superieure moraal moet worden gebouwd. De spanning tussen die twee is in zijn hele oeuvre speurbaar.

In 1998 publiceerde Achterhuis De erfenis van de utopie, waarin hij, zoals dat heet, «afrekende» met het utopisme (en in het voorbijgaan ook met zijn eigen verleden als maoïst). De aanleiding voor die exercitie was een koude douche. Achterhuis was zich een hoedje geschrokken bij lezing van Ernest Callenbachs ecologische novelle Ecotopia uit 1975. Dat boekje behoort tot de laatste generatie utopische verhandelingen van de vorige eeuw, die doorgaans (positief of negatief) in het teken van de techniek stonden. Wie het anno 2006 ter hand neemt, staat versteld van het technofobische en repressieve gehalte van Callenbachs ideale samenleving.

De auteur schetst een «biologisch georiënteerde» maatschappij, die ontstaat wanneer de deelstaten Washington, Oregon en noordelijk Californië zich gezamenlijk afscheiden van de VS en alle contact met de buitenwereld verbreken. De inwoners van het nieuwe land leven in grote woongemeenschappen, produceren kleinschalig en voeden zich met gif- en suikervrij natuurvoedsel. Dankzij deze «eenvoudige, natuurlijke» levenswijze hechten ze niet aan persoonlijk bezit. Ambitie, roddel, agressie en andere «evenwichtsverstorende» aanvechtingen van het individu worden door het collectief onderdrukt. Callenbach stond met zijn ecofantasieën niet alleen. Ernst Schumacher ontvouwde in zijn boekje Small is Beautiful (1973) denkbeelden over de menselijke omgang met de natuur die ontleend leken te zijn aan zijn jonge jaren in de Hitler Jugend, inclusief een Teutoonse obsessie voor oerbossen, vruchtbare aarde en een idyllisch dorpsleven.

Waar kwam toch die totalitaire afwijking vandaan die bij zoveel wereldverbeteraars de boventoon voert en waaraan ook Achterhuis in zijn maoïstische jaren ten prooi viel? Achterhuis keerde terug naar de utopische bron, Thomas More’s Utopia (1516), en ontdekte dat ook die vergiftigd was. «Het viel me nu pas op wat een vreselijke maatschappij dat is, met dwangarbeid en een filosofische rechtvaardiging van de kolonisering in Zuid-Amerika en andere werelddelen», zei hij in een interview in De Groene Amsterdammer. Sterker: in de hele utopische literatuur – van More’s Utopia of Francis Bacons New Atlantis (1627) via Rousseau’s Émile (1762) tot en met Walden Two (1948) van de Amerikaanse behavioristische psycholoog Skinner – staat de onderschikking van het individu aan de gemeenschap centraal.

«Een utopie is altijd per definitie de best mogelijke van alle werelden. Dan is het alleen maar gevaarlijk om vrijheid van meningsuiting te introduceren, want het kan dan alleen maar slechter worden. Pluralisme past gewoon niet in het utopisch universum», aldus Achterhuis. Daar ligt de schakel tussen utopisme en totalitarisme, waardoor het geloof in het ene beginsel zo vaak ontaardde in de praktijk van het andere. In zijn laatste boek Utopie (2006) erkent Achterhuis dat geen maatschappij het zonder utopische inspiratie kan stellen, mits deze ondergeschikt is aan democratische controle. Zolang we niet dromen van een andere, betere wereld blijft deze wereld tot in lengte van dagen grauw en levenloos. Maar utopische gedachten waar we iets aan hebben en waarmee we de samenleving vooruit brengen, moeten steeds weer worden afgezet tegen de dagelijkse werkelijkheid.

Kortom, er is geen enkele reden waarom in dit land niet duizend utopieën zouden bloeien. We staan er met onze neus bovenop. We moeten alleen weer leren ze als zodanig te benoemen en ze in de politiek toe te laten, uiteraard zonder dat ze ten koste gaan van de individuele vrijheid. Utopieën komen en gaan, het utopisch verlangen van de mens blijft. Wie dat ervaringsfeit ontkent, maakt zich even belachelijk als de geestelijken die weigerden door de lens van Galilei te kijken. •