De crisis van de moderne man

Het machismo van de achterhoede

Akelige retro-ideeën over wat het betekent om een man te zijn hebben over de hele wereld tot een gevaarlijke testosteron-rush geleid – van Narendra Modi’s hindoe-suprematisme tot de nucleaire va-banque-politiek van Donald Trump.

Vladimir Poetin in het gezelschap van defensieminister Sergej Sjojgoe tijdens een vistocht in de afgelegen Tuva-regio in Zuid-Siberië, augustus 2017 © Alexey NIKOLSKY / SPUTNIK / AFP / ANP

Op de avond van 30 januari 1948, vijf maanden na de onafhankelijkheid en deling van India, liep Mohandas Karamchand Gandhi naar een gebedsbijeenkomst in zijn tijdelijke woning in New Delhi, toen hij drie maal van zeer dichtbij werd beschoten. Hij zakte ineen en overleed onmiddellijk. Zijn moordenaar, waarvan aanvankelijk werd gevreesd dat hij een moslim was, bleek Nathuram Godse te zijn, een hindoe-brahmaan uit West-India. Godse, die geen poging deed om te ontsnappen, zei voor de rechtbank dat hij zich gedwongen voelde Gandhi te vermoorden omdat de leider met zijn vrouwelijke politiek de hindoe-natie ontmande – in het bijzonder met zijn vrijgevigheid jegens de moslims. Godse is vandaag de dag een held in een India dat compleet getransformeerd is door hindoe-chauvinisten – een India waar Mein Kampf een bestseller is, een politieke beweging geïnspireerd door Europese fascisten de politiek en cultuur domineert, en Narendra Modi, een hindoe-suprematist die wordt beschuldigd van massamoord, premier is.

Ondanks al zijn gepraat over hindoe-genialiteit plagieerde Godse op flagrante wijze de ficties van Europese etnisch-raciale chauvinisten en imperialisten. De eerste jaren van zijn leven werd hij opgevoed als meisje, met een neusring, en later probeerde hij een harde mannelijke identiteit te verkrijgen via het hindoe-suprematisme. Toch vertegenwoordigt Godse voor veel worstelende jonge Indiërs vandaag de dag, samen met Adolf Hitler, een triomfantelijk verwezenlijkte individuele en nationale mannelijkheid.

Het morele prestige van Gandhi’s moordenaar is slechts een van de vele tekenen van wat een mondiale crisis van de mannelijkheid lijkt. Akelige retro-ideeën over wat het betekent om een sterke man te zijn, zijn zelfs in zogenoemd ontwikkelde landen mainstream geworden. In januari werd Jordan B. Peterson, een Canadese zelfhulp-schrijver die klaagt dat ‘het Westen zijn geloof in de mannelijkheid is verloren’ en de ‘moordzuchtige gelijkheidsdoctrine’ die door vrouwen is omarmd verwerpt, in The New York Times verwelkomd als ‘de invloedrijkste publieke intellectueel in de westerse wereld op dit moment’.

Dit is hopelijk een overdrijving. Er kan echter betoogd worden dat het bezeten najagen van mannelijkheid het openbare leven in het Westen sinds 9/11 heeft gekenmerkt; en het was een voorafschaduwing van een zich bij voortduring vergrijpende president die opschept over zijn grote penis en zijn nucleaire knop. ‘Uit de as van 11 september’, jubelde Wall Street Journal-columnist Peggy Noonan een paar weken na de aanslag, ‘rijzen de mannelijke deugden op.’ Noonan, die vandaag de dag de ‘stoere taal’ van Peterson bewondert, verwelkomde de herrijzenis van ‘mannelijke mannen, die er dingen doordrukken en doorheen trekken’, zoals George W. Bush, van wie zij half verwachtte dat hij ‘zijn shirt zou opentrekken en een grote “S” op zijn borst zou onthullen’. Dergelijke flauwekul, die destijds gemeengoed was, hielp Bush, die aanvankelijk de grote afwezige was geweest op 11 september, zichzelf opnieuw uit te vinden als een flitsende oppercommandant (en hanig genoeg te worden om zich te verkleden als gevechtspiloot en het ‘lef’ van Tony Blair te prijzen).

Te midden van deze testosteron-rush bij het Anglo-Amerikaanse establishment beeldden veel aan hun bureau gebonden journalisten zich in dat zij vastberaden krijgers waren. ‘We zullen’, zwoer David Brooks, nóg een van Petersons fans, ‘onschuldige dorpen per ongeluk verwoesten, onze schouders ophalen en blijven vechten.’

Toen de mannelijke deugden in opkomst waren, werden de aanvallen op vrouwen, en feministes in het bijzonder, in het Westen bijna net zo fel als de oorlogen die in het buitenland werden gevoerd om islamitische jonkvrouwen in nood te redden. In Manliness (2006) verweet Harvey Mansfield, een politiek filosoof van Harvard University, werkende vrouwen dat zij de beschermende rol van mannen ondermijnden. De historicus Niall Ferguson, naar eigen zeggen neo-imperialist, klaagde dat ‘meisjes niet langer met poppen spelen’ en dat feministes Europa op het pad van een demografische neergang hadden gezet. Onthullender (en onthutsender) was dat de weinige vrouwen die zich publiekelijk kritisch betoonden over deze oorlogszuchtigheid, zoals Katha Pollitt, Susan Sontag en Arundhati Roy, ‘aan palen werden vastgebonden voor publieke geseling’ en ‘woorden als bitch, leeghoofd, mongool en domkop’ naar hun hoofd geslingerd kregen. Tegelijkertijd werd de president in het foto-essay van Vanity Fair over de regering-Bush in oorlog geroemd om zijn masculiene koelbloedigheid en werd zijn plaatsvervanger, Dick Cheney, gevierd als ‘The Rock’.

Een deel van dit haantjesgedrag van na 9/11 was ongetwijfeld uitgelokt door de sneren van Osama bin Laden over de Amerikaanse mannelijkheid: dat de ‘vrijen’ en ‘moedigen’ zacht en zwak waren geworden. De vernedering in Vietnam bracht op soortgelijke wijze zulke cartoonversies van mannelijkheid met zich mee als Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger. Het is ook waar dat van oudsher geprivilegieerde mannen vaak diepgaand in verwarring worden gebracht door de concurrentie van vrouwen, homoseksuelen en verscheidene etnische en religieuze groeperingen. In Sexual Anarchy: Gender and Culture at the Fin de Siecle (1990) beschreef Elaine Showalter de grote angst die bij veel mannen teweeg werd gebracht door de zeer bescheiden vorderingen van de feministen eind negentiende eeuw: ‘Angst voor teruggang en degeneratie, het verlangen naar strikte grensafbakeningen rond de definitie van gender, ras, klasse en nationaliteit.’

In de jaren vijftig waarschuwde de historicus Arthur Schlesinger jr. al voor de ‘groeiende, agressieve macht’ van vrouwen, die ‘nieuwe domeinen naar zich toe trokken als een veroveringsleger’. Verbitterd door de ‘gecastreerde’ Amerikaanse man en diens ‘feminiene fascinatie voor de onderdrukten’ verlangde Schlesinger, de oorspronkelijke exponent van het gespierde liberalisme, naar de frontiersmen uit de Amerikaanse geschiedenis, die ‘mannen waren, en er niet bij stilstonden daar twee keer over na te denken’.

Osama bin Laden sneerde over de Amerikaanse mannelijkheid dat de ‘vrijen’ en ‘moedigen’ zacht en zwak waren geworden

Deze majestueuze mannelijke makers van het moderne Westen worden vandaag de dag gedwongen over heel veel na te denken. Homoseksuele mannen en vrouwen zijn vrijer dan voorheen om lief te hebben wie zij liefhebben en hen te trouwen. Vrouwen verwachten meer zelfvervulling op de werkplek, thuis en in bed. Trump mag dan de grootste nucleaire knop hebben, China geeft de toon aan op het gebied van de kunstmatige intelligentie en op dat van de ouderwetse massaproductie. En technologie en automatisering dreigen de mannen overbodig te maken die aan de touwtjes trekken – en dat is het schadelijkst voor het Westen.

Veel heteroseksuele witte mannen voelen zich belaagd door ‘hooghartige’ Chinezen en Indiërs, door moslims en feministes, om maar te zwijgen van homoseksuele bodybuilders, butch women en transseksuelen. Het is geen verrassing dat ze ontvankelijk zijn voor het idee van Peterson dat de ogenschijnlijke vernietiging van ‘de traditionele huiselijke arbeidsdeling’ tot ‘chaos’ heeft geleid. Deze angst en onzekerheid van een mannelijke minderheid zijn uitgemond in een politiek van hysterie in de twee dominante imperiale machten van het moderne tijdperk. In Groot-Brittannië heeft de afstandelijke Engelse gentleman met de stiff upper lip, dat toppunt van gecontroleerde imperiale macht, plaatsgemaakt voor verbaal incontinente Brexiteers als Boris Johnson. De rechtse journalist Douglas Murray, een van de vele treurdichters van de Britse mannelijkheid, beklaagt ‘ontmande Italianen, Europeanen en westerlingen in het algemeen’ en prijst Trump omdat hij ‘het Westen herinnert aan wat groot is aan onszelf’. En inderdaad, of hij nu Noord-Korea dreigt met nucleaire verassing, mensen met een beperking kleineert of zich aan vrouwen vergrijpt, de Amerikaanse president bevestigt dat sommige winnaars van de moderne geschiedenis alles zullen doen om hun gevoel ergens recht op te hebben te schragen.

Maar het opzichtig tentoonspreiden van brute mannelijkheid in het Westen en het uitzinnig haten van wat de leden van de alt-right-beweging cucks (verwijfde mannen) en ‘cultuurmarxisten’ noemen, zijn niet louter een reactie op onbeschaamde voormalige zwakkelingen. Dergelijke manische bevestigingen van hypermannelijkheid zijn terugkerende verschijnselen in de moderne geschiedenis. Zij hebben ook diepgaand de politiek en cultuur in Azië, Afrika en Latijns-Amerika vormgegeven. Osama bin Laden geloofde dat moslims ‘van hun mannelijkheid beroofd waren’ en die konden heroveren door de fallische symbolen van de Amerikaanse macht te vernietigen. Door onschuldige gevangenen te onthoofden en verkrachten uit naam van het kalifaat waren de met zwarte kappen uitgedoste jonge vrijwilligers van Islamitische Staat net zo overduidelijk een voorbeeld van psychotische mannelijkheid als de Noorse massamoordenaar Anders Behring Breivik, die Viking-krijgers als zijn voorouders zag.

De afgelopen maand zei de Filipijnse president Rodrigo Duterte tegen vrouwelijke rebellen in zijn land dat ‘wij jullie niet zullen doden. We schieten jullie alleen in de vagina.’ Door onfortuinlijke minderheden te kwellen lijken de suprematistische hindoeleiders in India geobsedeerd door het verlangen om te bewijzen, zoals een van hen zei na de Indiase kernproeven in 1998, dat ‘wij geen eunuchen meer zijn’.

Morbide visioenen over castratie en ontmanning, en over het verval en de ondergang van beschavingen, zijn de verbindende elementen tussen Godse, Schlesinger, Bin Laden en Trump, en vele andere exponenten van het hedendaagse machismo van de achterhoede. Zij zijn ontvankelijk voor clichématige metaforen van een ‘zachte’ en ‘passieve’ vrouwelijkheid en een ‘harde’ en ‘actieve’ mannelijkheid; zij verlangen terug naar een tijd waarin mannen niet twee maal hoefden na te denken over hun man zijn. En of ze nu een hindoe-chauvinist, radicale islamist of witte nationalist zijn, hun zelfbeeld is afhankelijk van het neerkijken op en buitensluiten van vrouwen. Het is alsof de fantasie van de mannelijke kracht zichzelf het meest bevredigend afmeet aan de fantasie van vrouwelijke zwakheid. Door vrouwen aan onmacht gelijk te stellen en met een panische angst rond te lopen om cucks te worden, staan deze rancuneus boze mannen model voor een endemische en schijnbaar onoplosbare crisis van de mannelijkheid.

Wanneer is deze crisis begonnen? En waarom lijkt ze zo onontkoombaar mondiaal? Toen ik mijn Age of Anger: A History of the Present schreef, begon ik te denken dat de moderne wereld geplaagd wordt door een eeuwige crisis. Die is begonnen in de negentiende eeuw, met de meest radicale verandering in de menselijke geschiedenis: de vervanging van agrarische en landelijke samenlevingen door een vluchtige sociaal-economische orde, die, gedefinieerd door het industriële kapitalisme, via nieuwe seksuele en raciale arbeidsdelingen op rigide wijze georganiseerd werd. En die crisis lijkt vandaag de dag universeel, omdat een web van beperkende gendernormen dat is gesponnen in het moderniserende West-Europa en Amerika is doorgedrongen tot in de meest verafgelegen uithoeken van de aarde, nu die hun eigen sociaal-economische revoluties ondergaan.

Er zijn altijd veel manieren geweest om man of vrouw te zijn. Antropologen en historici van de verbijsterend diverse pre-industriële samenlevingen hebben bij voortduring aangetoond dat er geen duidelijk verband is tussen biologische gesteldheid en gedrag, geen verband tussen mannelijkheid en glorieuze mannen, of tussen vrouwelijkheid en passieve vrouwen. De Britse kolonisten kwamen er tot hun afschuw achter dat Indiërs oorlogszuchtige en seksueel vraatzuchtige godinnen aanbaden, zoals Kali; hun helden waren fluit spelende lanterfanters zoals Krishna. Een enorme hoeveelheid Indiase geschriften legt getuigenis af van de veranderlijke gender van mannen en vrouwen, en van elitaire en volkse tradities van androgynie en homoseksuele erotiek.

Deze tradities kwamen in de negentiende eeuw onder ongekende druk te staan, toen samenlevingen die tot stand waren gekomen door middel van uitbuiting en uitsluiting, en die gestratificeerd waren langs lijnen van gender en ras, boven kwamen drijven als de machtigste van de wereld; en toen zulke diepgaande schokken van de moderniteit als natievorming, de trek van het platteland naar de stad, imperiale expansie en industrialisering drastisch alle vormen van de menselijke perceptie veranderden. Een hiërarchie van mannelijke en onmannelijke menselijke wezens had in veel samenlevingen al lange tijd bestaan zonder een centrale positie in te nemen. In de negentiende eeuw werd ze universeel opgelegd, waarbij mannen en vrouwen in de dwangbuis van specifieke rolpatronen werden gedwongen.

Het moderne Westen lijkt, in de westers-suprematistische versie van de geschiedenis, de waarborger van gelijkheid en vrijheid voor allen. In werkelijkheid was, zoals Joan Wallach Scott aantoont in haar onlangs verschenen boek Sex and Secularism, een notie van ongelijkheid qua gender (en ras), gegrondvest op biologische verschillen, niets minder dan ‘het sociale fundament van de moderne westerse natiestaten’. Immanuel Kant geloofde dat vrouwen geen toegang hadden tot praktisch redeneren, individuele autonomie, objectiviteit, moed en kracht. Napoleon, het kind van de Franse Revolutie en de Verlichting, meende dat vrouwen thuis moesten blijven en kinderen moesten baren; zijn Napoleontische Code, die de inspiratiebron vormde voor wetgeving over de hele wereld, maakte vrouwen ondergeschikt aan hun vaders en echtgenoten. Thomas Jefferson, de stichter van de Verenigde Staten, prees vrouwen ‘die zo verstandig zijn om huiselijk geluk boven al het andere te stellen’ en die ‘te wijs zijn om zich met politiek te bemoeien’. Dergelijke vooroordelen droegen ertoe bij dat het traditionele patriarchaat bij het ontstaan van de moderne wereld werd vervangen door de buitensluitende idealen van de mannelijkheid.

Op zulke gronden werd vrouwen deelname aan de politiek ontzegd. Zij werden in het gezin en op de arbeidsmarkt in ondergeschikte rollen gedwongen. Pop-psychologen beweren van tijd tot tijd dat mannen van Mars komen en vrouwen van Venus, terwijl ze het verlies betreuren van wat Peterson de ‘traditionele’ arbeidsdeling noemt, zonder te erkennen dat kapitalistische, industriële en expansionistische samenlevingen een nieuwe arbeidsdeling nodig hadden, of dat de heteroseksuele witte mannen die daar het toezicht op uitoefenden vrouwen onbekwaam achtten, als gevolg van hun fysieke of intellectuele inferioriteit, om zich te wijden aan territoriale uitbreiding, natievorming, industriële productie, internationale handel en wetenschappelijke vernieuwing.

Zelfs moslims werden in de hoogtijdagen van het imperialisme belachelijk gemaakt als deerniswekkend ‘feminien’

Vrouwenlichamen waren bedoeld om te reproduceren en de toekomst van gezin, ras en natie veilig te stellen; die van mannen werden verondersteld te werken en te vechten. Een ‘volwassen’ man zijn was jezelf aanpassen aan de samenleving en je verantwoordelijkheid nakomen als broodwinner, vader en soldaat. ‘Als mannen bang zijn om te werken of bang zijn voor een rechtvaardige oorlog’, zo verwoordde Theodore Roosevelt het, ‘als vrouwen bang zijn voor het moederschap, wankelen ze op de rand van de afgrond.’ Naarmate de negentiende eeuw voortschreed, veranderden veel van zulke culturele veronderstellingen over de mannelijke en de vrouwelijke identiteit in tijdloze waarheden. Zij worden, zoals de lawaaierige fanclub van Peterson laat zien, vandaag de dag met meer kracht verdedigd dan de ‘waarheden’ over raciale ongelijkheid, die evenzeer zijn geworteld in de ‘natuur’, of in de pseudo-biologie.

Scott wijst erop dat de vormen van seksueel verschil zoals die werden gedefinieerd in het moderniserende Westen feitelijk hebben bijgedragen aan het veiligstellen van ‘de raciale superioriteit van westerse naties ten opzichte van “andere” – in Afrika, Azië en Latijns-Amerika’. ‘Een witte huid werd geassocieerd met “normale” gendersystemen, een donkere huid met onvolwassenheid en perversiteit.’ Daarom vonden de Britten hun Kali aanbiddende Indiase onderdanen een onmannelijk en kinderlijk volk, dat zich niet zou moeten inlaten met ideeën over zelfbeschikking. De Chinezen werden alom, ook in de westerse Chinatowns, gezien als lafaards met paardenstaarten. Zelfs de moslims, de formidabele rivalen van weleer van het christendom, werden tijdens de hoogtijdagen van het imperialisme belachelijk gemaakt als deerniswekkend ‘feminien’.

Gandhi zette deze gegenderde vooroordelen van de Europese imperialisten (en hun hindoe-imitatoren) expliciet op z’n kop: dat vrouwelijkheid de afwezigheid van mannelijkheid was. Hij verwierp de westerse gelijkstelling van leiders met mannelijke suprematie en onderworpenheid met vrouwelijke onderdanigheid. Hij bood een activistische politiek, gebaseerd op rigoureus zelfonderzoek en moederlijke zachtheid. Deze afwijzing heeft hem uiteindelijk zijn leven gekost. Maar hij kon zien hoezeer de mannelijke machtshonger werd gevoed door een fantasie over de vrouwelijke ander als een regressief wezen – iemand die moest worden onderworpen en gedomineerd – en hoezeer deze pathologie de moderne politiek en cultuur had geïnfecteerd.

Haar meest verraderlijke uitdrukking was de verovering en uitbuiting van mensen die feminien werden geacht en daarom minder dan menselijk – een geweld dat in de negentiende eeuw genormaliseerd werd. Voor veel Europeanen en Amerikanen kwam het zijn van een echte man neer op het zijn van een fervente imperialist en nationalist. Zelfs een scherpziend figuur als Alexis de Tocqueville hoopte dat zijn mannelijke Franse landgenoten hun ‘oorlogszuchtige’ en ‘viriele’ aard zouden verwezenlijken in het verpletteren van Arabieren in Noord-Afrika, terwijl ze de vrouwen de kleine problemen van het huiselijk leven lieten oplossen.

Naarmate de eeuw voortschreed, ontlokte de zoektocht naar viriliteit een wijdverbreide reactie onder mannen die fysiek waren aangeslagen door zulke oncontroleerbare en ontmannende verschijnselen als industrialisering, urbanisatie en mechanisering. Het ideaal van sterke, onbevreesde mannelijkheid werd belichaamd in gespierde lichamen, naties, imperia en rassen. Het streven naar het bereiken van dit beangstigende ideaal vereiste het uitroeien van alle sporen van vrouwelijkheid en kinderlijkheid. Falen leidde tot zelfhaat – en een verlangen naar regeneratief geweld. Bespot met zulke onmannelijke bijnamen als ‘zwakkeling’ en ‘Oscar Wilde’ probeerde Roosevelt, zo merkte Gore Vidal ooit op, ‘zijn fysieke fragiliteit te overwinnen door “mannelijke” activiteiten, waarvan de meest opwindende en louterende de oorlog was’. Het is geen toeval dat de haat jegens homoseksuelen, en de jacht op slachtoffers als Wilde, nooit gemener was dan tijdens de meest intense fase van het Europese imperialisme.

Eén beeld werd zeer belangrijk voor alle pogingen om de verloren gegane mannelijkheid van het zelf en de natie te herwinnen: het onoverwinnelijke lichaam, in onze eigen tijd van extremen gerepresenteerd door een met steroïden opgeblazen, knobbelige spiermassa. In feite telt omvang vandaag de dag minder dan ooit; er zijn niet veel spieren nodig voor onze steeds meer sedentair wordende arbeidsgewoonten en levensstijlen. Niettemin geeft een obsessie met ruwe spierkracht en pure massa nog steeds vorm aan politieke culturen. Trumps opschepperij over de omvang van zijn lichaamsdelen werd voorafgegaan door het tonen door Vladimir Poetin van zijn ontblote borstkas – reclame voor een Rusland dat zijn mannelijkheid had hervonden na zijn ontmanning door Boris Jeltsin, een kwabbige dronkaard.

Maar shirtloze spierbonken zijn ook een opvallend recent fenomeen in Godse’s ‘opkomende’ India. In de jaren negentig, toen de Indiase hindoe-nationalisatie net op stoom begon te komen, begonnen voorheen graatmagere of mollige Bollywood-sterren glinsterend harde buikspieren en uitpuilende bicepsen tentoon te spreiden; Rama, de lenige held van de Ramayana, begon op Rambo te lijken op kalenders en politieke posters. Deze opgepompte lichamen van de populaire cultuur waren een voorafschaduwing van Modi, die aan de macht kwam door te pochen over zijn gigantische borstkas en echte nationale macht beloofde aan jonge, werkloze uitvallers.

Dit wraakzuchtige, masculiene nationalisme was de oorspronkelijke creatie van de Duitsers begin negentiende eeuw. Zij waren de eersten die met een visie kwamen van het scheppen van een superieur volk of meesterras, en gretig zulke typisch moderne vormen van lichamelijke oefening omarmden als gymnastiek, calisthenics en yoga, en modieuze verschijnselen als nudisme. Maar een opgeblazen anatomie kwam pas naar voren als een ‘natuurlijke’ belichaming van de overduidelijk exclusief-mannelijke deugd van kracht toen de eeuw zijn einde naderde. Naarmate samenlevingen in het Westen industriëler, stedelijker en bureaucratischer werden, veranderden zelfstandige boeren en nijverheidslieden snel in gezichtsloze kantoorwerkers en professionals. Als ‘rationele berekening’ de nieuwe godheid wordt, ‘zal ieder mens’, zo waarschuwde Max Weber in 1909, ‘een klein radertje in de machine worden’, dat op ziekelijke wijze geobsedeerd wordt door het verlangen ‘een groter radertje’ te worden. Steeds meer beroofd van hun oude vaardigheden en autonomie in de ijzeren kooi van de moderniteit, probeerden mannen uit de arbeidersklasse hun waardigheid overeind te houden door die in spierbundels te belichamen.

Jordan Peterson: de vernietiging van ‘de traditionele huiselijke arbeidsdeling’ heeft tot ‘chaos’ geleid © Carlos Osorio / Toronto Star via Getty Images

Historici hebben benadrukt hoe mannelijke arbeiders, vernederd door zulke repressieve industriële praktijken als automatisering en time management, ook zijn begonnen hun mannelijkheid te onderstrepen door te vloeken, te drinken en de paar vrouwen in de beroepsbevolking seksueel te intimideren – het begin van een agressieve mannetjesputterscultuur die tijdens de decennialange heerschappij van het neoliberalisme diep is doorgedrongen op de werkplaats. Tegen het einde van de negentiende eeuw hebben grote aantallen mannen sport en fysieke fitness omarmd en fanclubs gelanceerd voor strijdlustige voetballers en boksers.

‘De zwakken moeten uit de weg worden geruimd’, verklaarde Hitler, nog zo’n fysiek slecht bedeelde fascist

En het waren niet alleen arbeiders. Ouders uit de hogere klassen in Amerika en Groot-Brittannië waren begonnen hun zonen naar kostscholen te sturen, in de hoop dat hun lichamen en karakters zouden worden gehard door de afwezigheid van corrumperende vrouwelijke invloeden. Competitiesporten, die voor het eerst werden georganiseerd in de tweede helft van de negentiende eeuw, werden een favoriete manier om verwijfdheid te voorkomen – en om op massale schaal viriele imperialisten te produceren. Alom werd geloofd dat de aspirant-imperiumbouwers te uitgeput zouden zijn door hun inspanningen op de speelvelden van Eton en Harrow om nog te kunnen masturberen.

Maar mannelijkheid, een machtsdroom, heeft de neiging ongrijpbaarder te worden naarmate ze intensiever wordt nagestreefd; en de angst voor ontmanning door ondoorzichtige economische, politieke en sociale krachten bleef zich verdiepen. Veel fin de siècle-schrijvers en politici in Europa en de VS werden erdoor de hypermasculiene loopgraven van het raciale nationalisme in gedreven – wat uiteindelijk heeft geleid tot de calamiteit van de Eerste Wereldoorlog. Naties en rassen, evenals individuen, werden geconceptualiseerd als biologische entiteiten, die konden worden gevormd tot onoverwinnelijke organismen. De angst voor ‘zelfmoord van het ras’, cultussen van lichamelijke opvoeding en dagdromen over een ‘Nieuwe Mens’ gingen de hele wereld over, samen met maatregelen tegen masturbatie, nu de onwrikbare moderne ideologie van genderverschillen niet-westerse samenlevingen bereikte.

Europese kolonisten legden wetten op die hun virulente homofobie belichaamden en propageerden heteroseksuele huwelijken en patriarchale gezagslijnen. Hun vooroordelen werden buiten het Westen bevestigd door de slachtoffers van wat de Indiase criticus Ashis Nandy ‘geïnternaliseerd kolonialisme’ noemt: die onderdanen van de Europese rijken die schuld bekenden aan de aantijging verwijfd te zijn, en die besloten zich te vermannen om de achterstand op hun witte overheersers goed te maken.

Dit verklaart een verbijsterend en nog steeds niet goed onderzocht fenomeen: hoe mannen in alle grote religieuze gemeenschappen – boeddhistische, hindoeïstische en joodse, evenals christelijke en islamitische – eind negentiende eeuw tegelijkertijd begonnen hun verloren gegane viriliteit te bewenen en aan te dringen op de creatie van harde, onoverwinnelijke lichamen, van individuele mensen, de natie of de umma. Hiertoe behoorden vroege zionisten (Max Nordau, die droomde van Muskeljudentum, het ‘gespierde jodendom’), Aziatische anti-imperialisten (Swami Vivekananda, Modi’s held, die hindoes ertoe opriep ‘spierballen’ te kweken, en Anagarika Dharmapala, die heeft geholpen bij de ontwikkeling van het gespierde boeddhisme dat deze dagen op afschuwelijke wijze tentoon wordt gespreid door de etnische schoonmakers van Myanmar), naast fanatieke imperialisten als Robert Baden-Powell, de oprichter van de padvinderij.

De meest dodelijke gevolgen van dit naäap-machismo openbaarden zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw. ‘Nooit eerder en nooit later’, schreef de historicus George Mosse, de eerste historicus van de mannelijkheid, ‘is de mannelijkheid tot zulke hoogtes verheven als tijdens het fascisme.’ Mussolini had zichzelf net als Roosevelt omgevormd van een sissy tot een vuurspuwende imperialist. ‘De zwakken moeten uit de weg worden geruimd’, verklaarde Hitler, nog zo’n fysiek slecht bedeelde fascist. Dergelijke aspirantleden van het Arische meesterras zetten zichzelf dientengevolge af tegen de ‘lafhartige jood’ en ontdekten zichzelf als mannen van staal in daden van massamoord.

Deze zucht naar mannelijkheid blijft de politiek en cultuur in de 21ste eeuw over de hele wereld vervuilen. Snelle economische, sociale en technologische veranderingen in onze eigen tijd hebben een exponentieel groter aantal ontwortelde en verbijsterde mannen tot een gedoemde speurtocht naar masculiene zekerheden aangezet. De ruimte voor ouderwetse imperialistische machtsuitbreiding en het smeden van een meesterras mag dan kleiner zijn geworden, er zijn in de tijd van het neoliberale individualisme oneindig veel méér onverwezenlijkte claims op mannelijke identiteit in grotesk ongelijke samenlevingen over de hele wereld. Mythes van de self-made man hebben mannen overal gedwongen tot een meedogenloze en dikwijls futiele jacht naar individuele macht en rijkdom, waarin zij vrouwen en leden van minderheden als concurrenten zien. Nog veel meer mannen proberen vrouwen te degraderen en buiten te sluiten in hun pogingen om enig meesterschap te laten zien dat verondersteld wordt inherent te zijn aan hun biologische natuur.

Frustratie en angst voor een grotere invloed van vrouwen hebben bijgedragen aan het voortbrengen van demagogische bewegingen die lijken op wat is ontketend door de kleedkamer-bullebak in het Witte Huis. Godse’s hyper-masculiene clichés hebben de androgyne tradities overwonnen die Gandhi overeind probeerde te houden – en niet alleen in India. Jonge Pakistaanse mannen vereren de tot politicus omgevormde playboy Imran Khan als hun verlosser; zij keren zich met ongemene felheid tegen critici van zijn indiscretie. Op soortgelijke wijze kan de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, die in de ogen van zijn volgers een triomferende mannelijkheid belichaamt, niets verkeerds doen. Rodrigo Duterte maakt onbeschaamd vaak grappen over verkrachting.

Misogynie bloeit nu in de publieke sfeer omdat, net als in het moderniserende Europa en Amerika, veel ploeteraars dagdromen van een oerverleden waarin echte mannen de baas waren en vrouwen hun plaats kenden. De haat jegens ‘bevrijde’ vrouwen die het mannelijke domein lijken over te nemen komt niet alleen naar voren in de sociale media, maar ook in gewelddadige fysieke aanvallen. Die worden gesanctioneerd door pseudo-traditionele ideologieën als het hindoe-suprematisme en het islamitisch fundamentalisme, die veel gedwarsboomde mannen in Azië en Afrika een verlossend machismo bieden: de bevredigende vervanging van de nep-belofte van het neoliberalisme van gelijke kansen door een ouderwets patriarchaat.

Susan Faludi betoogt dat veel Amerikanen de aanslagen van 11 september hebben misbruikt om de verworvenheden van het feminisme terug te dringen en vrouwen weer in een passieve rol te dwingen. Petersons traditionalisme is de jongste van vele pogingen van de afgelopen jaren in het Westen om het mannelijk gezag te herstellen of de samenleving weer mannelijker te maken. Hiertoe behoren het gebruik van shock-and-awe-geweld, het haten van cucks, cultuurmarxisten en feministen, het verbeelden van een met een zilveren lepeltje grootgebrachte poseur als Bush als Superman, en ten slotte de politieke verafgoding van iemand die zich bij voortduring aan vrouwen vergrijpt.

Deze telkens terugkerende zoektocht naar zekerheid in harde mannelijkheid bevestigt dat de geschiedenis van de moderne mannelijkheid de geschiedenis van een hersenschim is. Die beschrijft het gedoemde verlangen naar een stabiele en geordende wereld dat niets meer of minder inhoudt dan het voeren van oorlog tegen de niet te onderdrukken pluraliteit van het menselijk bestaan – een oorlog die periodiek wordt hernieuwd ondanks zijn verwoestende mislukkingen. Een eigenaardige fobie voor vrouwen en verwijfdheid kan het gevolg zijn van de langdurige sociale, politieke en culturele dominantie van mannen. Het zou kunnen dat hun gevoel van onrecht of wraak wegens de miskenning van hun gebruikelijke claim op macht en privileges veel mannen kwetsbaar zal blijven maken voor marskramers van valse mannelijkheid als Trump en Modi. Een barmhartige analyse van hun woede en wanhoop zou echter tot de slotsom komen dat mannen net zozeer gevangen zijn door gender-normen als vrouwen.

‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’, schreef Simone de Beauvoir. Ze had hetzelfde over mannen kunnen zeggen. ‘Het is de beschaving als geheel die zo’n wezen voortbrengt.’ En hem aanzet tot een ruïneus streven naar macht. Vergeleken met vrouwen zijn mannen vrijwel overal kwetsbaarder voor alcoholisme, drugsverslaving, ernstige ongelukken en hart- en vaatziekten; ze hebben een aanzienlijk lagere levensverwachting en zullen eerder de hand aan zichzelf slaan. De eerste slachtoffers van het najagen van een mythische mannelijke potentie zijn aantoonbaar de mannen zelf, of dat nu op het schoolplein, op kantoor, in de gevangenis of op het slagveld is. Deze alledaagse ervaring van angst en trauma bindt hen op meer manieren aan vrouwen dan de meeste mannen, gevangen in de mythe van de resolute mannelijkheid, durven erkennen.

Zeker, mannen zouden niets leren van deze jongste crisis van de mannelijkheid als zij de ervaring van kwetsbaarheid, die zij delen met vrouwen op een planeet die zelf in gevaar is, ontkennen of bagatelliseren. Mannelijke macht zal altijd gekmakend ongrijpbaar blijven, vatbaar voor periodieke crises, ineenstortingen en paniekerige herbevestigingen. Het is een onvervulbaar ideaal, een hallucinatie van command and control, en een illusie van meesterschap, in een wereld waarin alles wat solide is vervliegt, en waarin zelfs de ogenschijnlijk machtigen worden achtervolgd door het spookbeeld van verlies en ontheemding. Als een dwangbuis van moeilijke rollen en onmogelijke verwachtingen is de mannelijkheid een bron van groot leed geworden – voor mannen zowel als vrouwen. Het begrijpen hiervan betekent niet alleen het begrijpen van de mondiale crisis vandaag de dag. Het betekent ook het onder ogen zien van één mogelijkheid om die crisis op te lossen: het zich bevrijden van de absurde maar verlammende angst dat je niet man genoeg bent geweest.


De Brits-Indiase intellectueel Pankaj Mishra (1969, Jhansi, India) heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste denkers over de invloed van godsdienst en cultuur op het toenemend aantal conflicten in de wereld. Hij schreef onder meer Op de ruïnes van het imperialisme en Tijd van woede, dat vorig jaar ook verscheen in Nederlandse vertaling. Vertaling van dit artikel: Menno Grootveld