Hoofdcommentaar: Netelenbos

Het machogedrag van Netelenbos

Zij wist zich als winkeliersdochter te ontpoppen van onderwijzeres tot minister; hij werkte zich als bakkerszoon omhoog tot multinational-baas om voorts te eindigen als ex-president-commissaris van een ex-staatsbedrijf. De lange weg leverde hen een serie eretitels op: IJzervreter, Turbo-Thatcher, en: de Bokser, de Killer. Die twee hard-power-spelers, Tineke Netelenbos en Jan Timmer, troffen elkaar met nog vele andere partijen de laatste jaren in de ring waar politiek en macro-economie, macht en prestige samenkomen. Er waren geen winnaars maar enkel verliezers van een jammerlijk mislukt experiment dat in 1995 onder leiding van de toenmalige vervoerminister Jorritsma de verzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen moest worden. Het staatsbedrijf werd opgesplitst in enerzijds NS (met verschillende werkmaatschappijen, zoals NS-Reizigers en NS-Stations) en Railinfrabeheer, Railverkeersleiding en Railned (alledrie overheid) anderzijds.

Verliezer nummer één zijn inmiddels de miljoenen klanten die afhankelijk zijn van het «product» vervoer. Zij betreden dagelijks de treeplank van het ongewisse in de hoop dat hun trein níet behoort tot het formele getal uit de statistieken van twintig procent «onstipt». Een ruim begrip dat neerkomt op een vertraging van enkele minuutjes tot een avontuurlijke tocht via creatieve omwegen — soms leidt de reis zelfs weer terug naar het vertrekpunt — in een rammelende wagon zonder verwarming, rijdend buffetje, informatieverstrekking of zichtbare conducteur.

Schoon schip, belooft minister van Verkeer en Waterstaat Tineke Netelenbos nu te maken, nadat is gebleken dat de statistieken volgens het «verbeterplan» van zomer vorig jaar waren gezakt naar 79,9 procent punctualiteit. Ferm zette ze haar nieuwjaarsvoornemens om in daden, te beginnen door Timmer en NS-president-directeur Huisinga te sommeren op te stappen. De oud-Philips-topman trachtte zijn afgang nog met stoere taal te bezweren door te mompelen: «Als de politiek tot superieure inzichten blijkt te komen, leg je je als raad van commissarissen deemoedig neer bij je vertrek.» Woedend was hij over het «machogedrag» van mevrouw Netelenbos, terwijl zij het toch niet konden helpen «dat die cijfers worden neergehaald door drie zelfmoorden op één dag met bovendien een zware storm».

Al tijden wijzen alle betrokken partijen met de vinger naar elkaar als het gaat om de oorzaken van de algehele ontsporing. De directie van de geprivatiseerde NS was zó gebrand op winst en de droom van een beursgang dat men, na eerst de eigen salarissen conform de markt flink te hebben opgehoogd, bezuinigde op de levensaders van het vervoersbedrijf: personeel en materieel. Het leverde vicieuze cirkels op: de ene defecte trein wordt opgelapt met onderdelen van de andere trein, die vervolgens defect raakt. Plus een te krap leger conducteurs en machinisten, die in een groeiende chaos moeten proberen door te werken, waardoor het ziekteverzuim toeneemt (zeventien procent). De directie daarentegen zegt dat het personeel de boel saboteert.

En wie wijst de vinger naar Netelenbos? Had zij misschien als hoogste bazin van dat andere afgesplitste NS-deel niet de hand in eigen boezem moeten steken? O nee, niet Tineke Netelenbos. «Pff, kom nou, zeg.» Bij haar politieke uitvoering en begeleiding van het plan om een staatsbedrijf met stipt rijdende treinen tot ver in de provincie om te turnen tot een competitieve marktgestuurde onderneming, vallen wel degelijk vele kanttekeningen te plaatsen. Natuurlijk is het sowieso zot om in een klein land te denken dat concurrentie mogelijk is op het druk bezette spoornet. Brussel heeft zoiets ook nooit geëist; het was paarse hoogmoed om te denken dat privatisering zou leiden tot verhoging van efficiency en kwaliteit.

Maar het was de huidige minister die heilig geloofde in de macht van al die langs elkaar heen werkende managers op de nieuwe units en die nauwelijks investeerde in de andere levens aders waar de overheid verantwoordelijk voor bleef: aanleg van nieuwe lijnen en het onderhoud van het spoor, seinen en wissels. Ze was bovendien niet bij machte de positie als grootaandeelhouder effectief uit te spelen. En dan zijn er nog vele andere kwalificaties, zo men wil diskwalificaties: ze luistert niet, ze drukt haar eigen plan door, ze maakt altijd een vlucht vooruit als ze in het nauw raakt (tolpoorten, Schiphol, taxi-oorlog). Ze staat bekend als een rouwdouwer, of zoals sommigen beweren: een vrouw die het goed deed in het onderwijs, maar in de wereld van ingenieurs en bouwbobo’s zichzelf overschreeuwt. Als ze zich weer eens met een valhelm op laat filmen op een bouwplaats, maakt ze de ene kwinkslag na de andere. Maar als ze door de Kamer of de pers wordt aangesproken op haar verantwoordelijkheden, manifesteert ze zich als een ware IJskoningin.

Tot aan de verkiezingen heeft ze vier maanden de tijd om te bewijzen dat het onder curatele stellen van de NS heilzaam zal zijn. Als het niet lukt — wat bijna niet anders kan —, zal Ad straks wel zeggen dat Tineke toch maar het karwei moet afmaken.